De Noodkist, ook Servatiusschrijn genoemd, is het twaalfde-eeuwse reliekschrijn van Sint-Servaas, dat bewaard wordt in de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. Bij het schrijn horen vier kleinere reliekhouders, aangeduid als 'pendanten', die zich sinds 1861 bevinden in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in de Belgische hoofdstad Brussel.
Het reliekschrijn bevat de vermeende relieken (beenderen) van de vierde- of vijfde-eeuwse bisschop Servatius ("Sint-Servaas"), volgens de legende de laatste bisschop van Tongeren en de eerste van Maastricht. Daarnaast bevat de kist relieken van de heilige Martinus van Tongeren, een voorganger van Servatius als bisschop van Tongeren. De aanduiding 'Noodkist' ontleent het schrijn aan het uit de middeleeuwen stammende gebruik om de kist met het gebeente van de beschermheilige van Maastricht in tijden van nood in processie door de stad te dragen. Daarmee meende men oorlogen, belegeringen, ziekten, plagen, hongersnoden en ander onheil te kunnen afwenden. Het schrijn vervult ook tegenwoordig nog een religieuze functie. De Brusselse pendanten, ontdaan van hun relieken, hebben die functie niet meer.Ubachs/Evers (2005), p. 375: 'Noodkist'.
Het eikenhouten, met verguld koper beklede schrijn en de vier bijbehorende reliekhouders in Brussel zijn rijk versierd met smeedwerk, emailleerwerk, bergkristallen en edelstenen. De in romaanse stijl vormgegeven reliëfs stellen onder anderen Jezus, de twaalf apostelen, bisschoppen en engelen voor. Op het schrijn is het laatste oordeel het hoofdthema; bij de pendanten is de betekenis van het afgebeelde minder duidelijk. De Noodkist en de Brusselse pendanten worden gerekend tot de hoogtepunten van de middeleeuwse edelsmeedkunst in de Lage Landen. (2003): De weg naar het paradijs. Romaans Maastricht in beeld (tentoonstellingscatalogus Bonnefantenmuseum), p. X (inleiding). Vierkant Maastricht #38. Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht. .Ahsmann (2017), p. 14.
Geschiedenis Voor 1160: graf en relieken van Sint-Servaas
Over de periode tot aan het jaar 1160 is niet veel met zekerheid bekend over het graf van Servaas en over zijn relieken. Wel is er gedurende die tijd een orale traditie ontstaan waarin verhalen over het overlijden van Servaas, zijn graf en zijn relieken van generatie op generatie werden doorgegeven. Twee geschiedschrijvers uit die tijd hebben aandacht aan Servatius geschonken. De oudste is de zesde-eeuwse bisschop, hagiograaf en geschiedschrijver Gregorius van Tours. Van zijn hand is de eerste, zeer beknopte beschrijving van het leven van Sint-Servaas, gevolgd door het relaas over de bouw van de eerste, Merovingische kerk. De andere is de benedictijn Jocundus, die in de tweede helft van de elfde eeuw enige tijd verbonden was aan het Kapittel van Sint-Servaas en daar in opdracht van het kapittel de hagiografie van Sint-Servaas schreef.Janssens (2007), pp. 105-107. Deze bestaat uit een Vita (levensbeschrijving) en een Miracula (wonderen). Een groot aantal beweringen uit de Vita kan echter naar het rijk der fabels worden verwezen. Feitelijk creëerde Jocundus de Sint-Servaaslegende.
Volgens Gregorius van Tours overleed de laat-Romeinse bisschop Aravatius/Servatius van de Tungri (Aravatio Tungrorum episcopus) in Maastricht. Daar werd hij begraven langs de Romeinse heerweg, even buiten het castellum. Een latere overlevering plaatste die gebeurtenis in het jaar 384. Gregorius vermeldde over zijn tijdgenoot Monulfus, de toenmalige bisschop van Maastricht, dat deze het lichaam van Servaas had laten opgraven en bijzetten "in een ruimte onder het altaar" (vermoedelijk een crypte) in de door hem gebouwde grafkerk.Kroos (1985), p. 31. In de middeleeuwse kerkelijke traditie werd een dergelijke elevatio (verheffing tot de "eer der altaren") beschouwd als een onofficiële heiligverklaring.
Vijf eeuwen na Gregorius berichtte de monnik Jocundus over nóg een elevatio. Die zou zijn verricht door de Maastrichtse bisschop Hubertus (Hubertus van Luik?), in samenwerking met een onbekende bisschop Vulvegisus en in opdracht van een "keizer Karel". Daarbij werd, aldus Jocundus, het ongeschonden lichaam van Servaas ontdekt in de door Monulfus gebouwde grafkelder, tezamen met de drie hemelse doeken, het borstkruis en de sleutel van de heilige, evenals de door Servaas meegebrachte relieken van zijn Tongerse voorgangers. Het lichaam van Servaas werd overgeplaatst in een reliekschrijn, "van binnen verzilverd en van buiten verguld". Deze historisch moeilijk te rijmen gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden op "de zevende van de iden van juni" (7 juni).De la Haye (2006), pp. 153-161. Het liturgische feest van de Translatie van Sint-Servaas werd al ten tijde van Jocundus − en nog steeds − gevierd op 7 juni. Op diezelfde dag wordt ook een andere, door Jocundus verhaalde gebeurtenis herdacht: de roof door de Maastrichtenaren van de relieken van Sint-Servaas uit Quedlinburg, na hun gedwongen overbrenging daarnaartoe op bevel van keizer Otto I.De la Haye (2006), p. 161 noot 305; pp. 182-188. Ook dit verhaal mist elke historische grondslag.
In het begin van de elfde eeuw liet proost Geldulfus een compleet nieuwe kerk bouwen. Deze werd in 1039 in het bijzijn van koning Hendrik III door twaalf bisschoppen gewijd, waarbij volgens Jocundus de relieken van Servatius, Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus in een stenen kist bij het hoofdaltaar werden geplaatst (vergelijk de relieken genoemd in de paragraaf Noodkistpendanten).Kroos (1985), p. 46. Deze kist is waarschijnlijk bewaard gebleven in de vieringscrypte van de kerk. Daar staat op een stenen altaar een beschilderde sarcofaag, die wordt aangeduid als 'sarcofaag van de bisschoppen van Maastricht'. De stenen kist met een schilddakvormig deksel is vermoedelijk laat-Romeins; de primitieve beschildering dateert waarschijnlijk uit de zeventiende eeuw.
Circa 1160-1200: totstandkoming van het schrijn De twaalfde eeuw was een culturele bloeiperiode in het Luiks-Limburgse Maasland. Ook Maastricht profiteerde mee en beleefde tussen 1140 en 1170 een periode van ongekende bouwactiviteit.Den Hartog (2002), p. 327. Het kapittel van Sint-Servaas was op het toppunt van zijn macht. Verschillende proosten van Sint-Servaas, veelal afkomstig uit de hoogste kringen van de Duitse adel, bekleedden het ambt van kanselier van het Heilige Roomse Rijk.Kroos (1985), pp. 49-53. De Duitse koningen en keizers bezochten met regelmaat het graf van Sint-Servaas en deden belangrijke schenkingen aan het kapittel. Onder de proosten Arnold van Wied, Gerard van Are en Christiaan van Buch werden grote delen van de kerk vernieuwd. Het zogenoemde Heimo-atelier, Maaslandse steenbeeldhouwers met Noord-Italiaanse wortels, werkte aan kapitelen en reliëfs, niet alleen in de directe omgeving van Maastricht, maar tot Utrecht, Bonn en Thüringen aan toe.Den Hartog (2002), pp. 101-118, 327. Wolfram von Eschenbach roemde de Maastrichtse (en Keulse) schilders., Parzival, deel III, 158, verzen 14-16.Ahsmann (2017), pp. 33, 85-90. De Maaslandse minnezanger Hendrik van Veldeke schreef zijn Leven van Sint-Servaas en gaf daarmee een nieuwe impuls aan de Servaasdevotie. De Maaslandse edelsmeedkunst bereikte in deze tijd een hoog niveau. Talrijke kerken en kloosters lieten reliekhouders en andere kerkelijke siervoorwerpen maken.Timmers (1971), tekst omslag.
Het was in deze sfeer dat het Sint-Servaaskapittel omstreeks 1160 besloot het gebeente van de patroonheilige over te plaatsen naar een passender en waardiger schrijn. Van de toenmalige proost Gerard van Are is bekend dat hij in 1166 in Bonn, waar hij eveneens proost was, de relieken van drie heiligen vanuit hun stenen sarcofagen liet overplaatsen naar reliekschrijnen. Bij die gebeurtenis was de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel aanwezig, die volgens sommige auteurs eveneens korte tijd proost (of voogd) van de Sint-Servaaskerk was.Kroos (1985), p. 58. Wellicht deden Gerard van Are en Reinald van Dassel hetzelfde in Maastricht. Gerards opvolger Christiaan van Buch was eveneens een zeer ondernemend geestelijke.Doppler (1936), pp. 36-38. Al deze prelaten komen in aanmerking als mogelijke opdrachtgevers van het nieuwe schrijn voor Sint-Servaas en de bijbehorende reliekhouders.Ahsmann (2017), pp. 273-295.
De Nederlandse kunsthistoricus en specialist in Maaslandse kunst Joseph Timmers meende dat het schrijn van Sint-Servaas tussen 1160 en 1170 werd vervaardigd. Zijn Duitse collega Renate Kroos, auteur van een omvangrijke monografie over het Servatiusschrijn en de Brusselse pendanten, kwam tot de conclusie dat deze kunstvoorwerpen vermoedelijk in twee fasen tot stand waren gekomen en pas tegen het einde van de twaalfde eeuw werden voltooid. Volgens Kroos vond de overbrenging van het gebeente van Sint-Servaas naar de Noodkist plaats tussen 1196 en 1200.Kroos (1985), p. 52. Andere kunsthistorici, waaronder de Brit Peter Lasko en de Nederlander Fred Ahsmann, zetten vraagtekens bij deze lange productietijd.Ahsmann (2017), pp. 160-162. De nauw met het Servatiusschrijn verbonden Brusselse reliekhouders zijn volgens Kroos eveneens rond die tijd voltooid. Vermoedelijk is in die periode het koor van de Sint-Servaaskerk voorzien van een uitgebreid programma van wand- en gewelfschilderingen, qua thematiek nauw aansluitend bij het reliekschrijn.
Over de relieken van Martinus van Tongeren, die zich sinds mensenheugenis in de Noodkist bevinden, is weinig bekend. Volgens de elfde-eeuwse legende van Sint-Servaas nam deze de relieken van zijn voorgangers, dus ook die van Martinus, mee toen hij uit Tongeren vertrok. Hun aanwezigheid in het schrijn van Sint-Servaas wordt pas in de eerste helft van de vijftiende eeuw voor het eerst vermeld. Wellicht noemde men het schrijn om die reden ook capsa pontificum of feretrum pontificum (schrijn of smeedwerk van de bisschoppen).Kroos (1985), p. 25.
Late middeleeuwen: hoogtij Sint-Servaasdevotie thumb|200px|alt=Twee tekeningen van Martinus van Heylerhoff van het afgebroken reliekenaltaar voor het schrijn van Sint-Servaas en de pendanten|Altaar voor het schrijn van Sint-Servaas en de pendanten (tekeningen Van Heylerhoff, 1811) In de late middeleeuwen (ca. 1270-1500) nam de devotie tot Sint-Servaas een hoge vlucht. Jaarlijks kwamen duizenden bedevaartgangers naar Maastricht om bij het graf van de heilige te bidden en de relieken (waaronder het schrijn van de heilige) te aanschouwen. Het schrijn en de bijbehorende pendanten stonden in deze periode vrijwel zeker op een speciaal daarvoor gebouwd stenen altaar (het summum altare), dat zich in het achterste deel van het hoogkoor bevond. Dit altaar was onderdeel van een volgens Ahsmann unieke koordispositie, waarvan ook de twaalfde-eeuwse muur- en gewelfschilderingen deel uitmaakten. Het middeleeuwse reliekenaltaar is mogelijk pas in 1811 vernietigd, toen de kerk volgens de toenmalige behoeften ingrijpend werd verbouwd. Tekeningen van Martinus van Heylerhoff uit die tijd tonen een groot altaar bestaande uit meerdere onderdelen. Het schrijn en de pendanten waren volgens Ahsmann opgenomen in een rijk versierd retabel, mogelijk aangevuld met andere reliekhouders, zoals de Einhardsboog en het patriarchaalkruis. De zijkanten en het dak van het Servatiusschrijn waren grotendeels aan het oog onttrokken door de capsa, een houten omhulsel, dat beschilderd en verguld was, en alleen op kerkelijke feestdagen werd verwijderd door de custos (schatbewaarder) van de kerk.Ahsmann (2017), pp. 127-245.