Amédée (ook Amadeus) Renatus Alphonsus Cortier (Gent, 4 oktober 1921 – aldaar, 11 februari 1976) was een Belgisch schilder en graficus.

In de jaren 40 werkte Cortier in de expressionistische stijl, in de jaren 50 kubistisch en in de jaren 60 abstract. Hij is een vertegenwoordiger van de neoconstructieve kunst in België., Brussel, "Museum van hedendaagse kunst Gent, catalogus van de verzameling", 1982, p. 165. Hij beschouwt de kleur op zichzelf als kunstwerk.

Met het uitgepuurde werk vanaf de tweede helft van de jaren 60 loopt hij voor op de - latere - internationale tendensen waarin de kleur centraal staat. 2007, p. 9.zie over deze evolutie: , 'Kunst is wetenschap, maar wetenschap van de Kunst bestaat niet (A. Cortier)', in CORTIER, monografie (1977), Drukkerij Rosbeek BV, z. p. Algemeen wordt zijn werk van die periode beschouwd als fundamentele kunst (“Geplante” of “Analytische Malerei” in Duitsland, “Nouvelle Peinture” in Frankrijk en “Nuova Pittura” in Italië); eigen aan deze beweging is het volledig opnieuw onderzoeken van de grondbeginselen van de schilderkunst (zoals - in het geval van Cortier - de kleur)., 'Een abstrakte, fundamentele schilderkunst', Kunst in België na 1945, o.l.v. Karel Geirlandt, Mercatorfonds, 1983, p. 186., 'S.M.A.K. Stedelijk Museum voor Actuele Kunst / Gent - De verzameling', Ludion, Gent en Amsterdam, 1999, p. 53. In zijn laatste periode schiet zijn werk voorbij de abstracte kunst, door uitsluitend de kleur op zichzelf - zonder dat de vorm nog enig belang heeft - te laten uitstralen in de levensruimte van de beschouwer.

Biografie

Gezin Amédée Cortier ziet het levenslicht op 4 oktober 1921, als de zoon van Henri Cortier, een stadswerkman, en Marie Mathilde De Vogelaere. 2023, p. 183.. Hij heeft steeds in Gent gewoond. Hij trouwt op 25 oktober 1947 met Yvonne Laloyaux (Thuilles, 25 oktober 1921 - Doornik, 27 maart 2019) en verhuist in 1947 met zijn kersverse bruid van de Kastanjestraat 53 naar Coupure 275; vanaf 1966 woont hij aan Nieuwe Wandeling 16. 2023, p. 144. Het huwelijk op bleef kinderloos.

Beroep Hij volgde de opleiding Tekenkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.) te Gent, van 1936 tot 1942.

Om den brode was hij huisschilder. Hierdoor heeft hij voortdurend te maken met een vlak, een kleur en een volume in een architectonische ruimte. Jan Hoet legt uit dat Cortier als huisschilder een ambachtelijke eerbied heeft voor het muurvlak in de ruimte errond'"CITATEN VAN ANDERE CRITICI"', Plus-Nieuws nr. 17 van 29 november 1971, p. 11.

Dit heeft Cortiers artistiek werk ongetwijfeld beïnvloed, o.a. betreffende zijn doel om het schilderij te beperken tot een pure aanwezigheid van kleur in de reële levensruimte, of - zoals Cortier het zegt - "in het huis waarin we wonen"., 'Amédée Cortier. In de kloof tussen kunst en leven: “De muren moeten schilderijen worden”', Plus-Nieuws nr. 2 van 28 oktober 1969, z. p. 2007, p. 11. "De muren moeten zelf schilderijen worden", stelt Cortier reeds in 1967krant De Standaard, 21 december 1967, artikel van W. Derave. Zo kan men hem beschouwen als een environmentkunstenaar, die het werk in de volledige ruimte errond plaatst., "hedendaagse kunst in belgië", heideland-orbis, hasselt, 1972, p. 46

Andere verbanden met zijn beroep van huisschilder: zijn aandacht voor de onderlinge weerslag van de effen kleurvlakken (beschilderde wanden) op elkaar, en zijn geperfectioneerd en perfectionistisch vakmanschap als schilder; de losse emotionele toets van het penseel blijft afwezig door met ingetoomd-gevoelig handwerk uitdrukking te geven aan hart én hoofd., 'Kunst is wetenschap, maar wetenschap van de Kunst bestaat niet (A. Cortier)', in CORTIER, monografie (1977), Drukkerij Rosbeek BV, z. p.

Cortier wordt door zijn vrienden beschreven als de stille, in zichzelf besloten, harde werker, '"... WERKEN MET LICHT,KLEUR EN RUIMTE"', Plus-Nieuws nr. 17 van 29 november 1971, p. 6, of als een man van beschouwelijke, meditatieve aard die niettemin een essentiële waarde aan het gevoel toekent (zoals veruitwendigd in zijn diep-persoonlijk kleurgebruik), die bescheidenheid maar ook zijn vakmanschap en zijn integriteit als schilder hoog in het vaandel voert, en die in erg moeilijke omstandigheden en in relatief isolement een indrukwekkend oeuvre wist te realiseren.

De evolutie in zijn werk De figuratieve periode Het artistieke talent van Cortier viel reeds op toen hij nog student was aan het K.A.S.K. Zo mag hij op 17 jaar al deelnemen aan de tentoonstelling "Verschillende jonge kunstenaars" in zaal Ars in Gent. 2023, p. 143. Zijn werk is dan nog puur figuratief, volgens hemzelf schilderijen die eerder kopieën waren naar werk van Gustave De Smet en Léon Spilliaert. 2023, p. 104.

In de jaren 40 maakt hij sombere stillevens, landschappen, zeezichten en stadsgezichten in de expressionistische traditie, vooral onder invloed van Permeke.

Abstrahering Het werk van Cortier maakt een steeds verder uitpurende ontwikkeling mee, van postexpressionisme tot eenkleurige reliëfpanelen., '"... WERKEN MET LICHT,KLEUR EN RUIMTE"', Plus-Nieuws nr. 17 van 29 november 1971, p. 4 en 5, 'Amédée Cortier. Een retrospectieve tentoonstelling', Museumkrant (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen), 1994.

In de jaren 1950 maakt Cortier vrouwenportretten en stillevens volgens de kubistische stijl. Hierbij worden de verdeling van het schilderij in kleurvlakken, de achtergrond, de ordening van de elementen in het vlak zonder ruimtelijke illusies en de abstrahering steeds belangrijker. Zo wordt het stilleven waarop een tafel met hierop allerlei voorwerpen tegen een zware achtergrond te zien is langzaamaan herleid tot abstracte, meestal geometrische, geordende figuren. Daarna worden de kleurvlakken steeds belangrijker. Vanaf 1960 worden de figuratieve elementen volledig achterwege gelatenBeatrijs Van Wambeke, tekst catalogus bij "Herdenkingstentoonstelling André Beullens - Marcel Broodthaers - Amedeus Cortier", Stad Gent, Museum van Hedendaagse Kunst, 10 juni - 24 juli 1977, p. 28 en blijven de abstracte kleurvlakken over.

Zo evolueert het werk tot twee- en drieluiken waarbij één of een paar kleuren naast elkaar worden geplaatst, tot monochrome schilderijen, en tot panelen waarop de grenzen van de kleurvlakken benadrukt worden door een reliëf in het paneel.

Uiteindelijk is de kleur het schilderij! De kleur is bovendien een driedimensionaal voorwerp in de ruimte, vooral bij de reliëfpanelen; deze worden daarom ook over de volledige achterzijde beschilderd - hoewel het afschuren en het leggen van 8 lagen lakverf echt veel tijd en energie vergt. Cortier komt in zijn laatste werken tot een kunst die voorbij de abstractie gaat, door de kleur te plaatsen als het enige actieve element dat leven en ziel aan de ruimte geeft. Dit ontwikkelingsproces is gevoed door heel wat meditatie en door een overwogen streven naar een geestelijke werkelijkheid die uitvloeit in de ruimte.

Eerste abstracte periode Merkwaardig genoeg verloopt deze rechtlijnige en logische evolutie met een korte zijweg: van 1949 tot 1952 experimenteerde Cortier in zijn eerste abstracte periode met geometrisch-abstracte composities, doorgaans slordig geschilderd. 2023, p. 145.

Tweede abstracte periode In 1957 leert Cortier via de Gentse kunstenaarsgroep "Het Antenneke" de theorie van André Lhote betreffende de gulden snede (sectio aurea of sectio divina) kennen. Hierbij verhoudt het kleinste deel van een lijnstuk zich tot het grootste deel zoals dit grootste deel zich verhoudt tot het geheel; dit komt neer op de verhouding 1 : 1,618 (= 0,61). Dit past Cortier toe na gevoelsmatige bijsturing.Beatrijs Van Wambeke, tekst catalogus bij "Herdenkingstentoonstelling André Beullens - Marcel Broodthaers - Amedeus Cortier", Stad Gent, Museum van Hedendaagse Kunst, 10 juni - 24 juli 1977, p. 29, '"CORTIER IN HEERLEN"', Plus-Nieuws nr. 17 van 29 november 1971, p. 9 De gulden snede zou volgens sommigen, zoals volgens James Mark McGinnis Barr, een intrinsieke schoonheid bezitten zodat die verhouding vaak zou voorkomen in klassieke architectuur en schilderkunst. De toepassing van de gulden snede in Cortiers werk is uitgebreid onderzocht door Saskia Bos 2007, p. 111; deze bevestigt dat Cortier met de toepassing van deze regel los omgaat, steeds gecorrigeerd door zijn gevoel., 'Un equilibre de surfaces colorées – een onderzoek naar het gebruik van de gulden snede in het werk van Amédée Cortier', in CORTIER (monografie), Sikkens, 1977, Drukkerij Rosbeek BV, z.p. Cortier wil immers in de eerste plaats een harmonische, subtiele, vergeestelijkte spanning opwekken tussen de kleurvlakken en kleurvormen., '"TOCH NOG NET IETS ANDERS...', Plus-Nieuws nr. 17 van 29 november 1971, p. 2

Eveneens in 1957 leert Cortier binnen "'t Antenneke" Gustaaf Prils kennen, met wie hij eindeloze discussies voert over kunst; dit brengt hem steeds meer tot de abstracte kunst. Het eerste werk dat hij in zijn tweede abstracte periode creëert, “Deuil pour un oiseau mort” (in het bezit van het K.M.S.K.A.), houdt reeds vele eigenschappen in van zijn later werk: een ingenieuze toepassing van de gulden snede en het tegenover elkaar plaatsen van twee tinten van groen, in vlakken.Zie 2007, p. 117

Midden de jaren 60 ontstaat abstracte kunst waarin kleur, lijn en vorm patronen voortbrengen die bij de toeschouwer een illusie van optische beweging opwekken. Geel, rood en oranje worden in een contrasterende werking naast elkaar geplaatst waardoor subtiele vibraties ontstaan.Beatrijs Van Wambeke, tekst catalogus bij "Herdenkingstentoonstelling André Beullens - Marcel Broodthaers - Amedeus Cortier", Stad Gent, Museum van Hedendaagse Kunst, 10 juni - 24 juli 1977, p. 30 - 31 Het optisch effect is subtiel, zoals het licht zinderen van enkele lijnen op het netvlies. Het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel organiseerde in 1965 een tentoonstelling van optische en kinetische kunstwerken, waaronder werk van Amédée Cortier.

Vanaf 1964 gebruikt hij meestal slechts twee kleuren of één kleur in twee tinten, wat gedeeltelijk aansluit op de zero-kunst of de minimal art; maar in deze kunststroming komen vaak puur witte werken voor, terwijl Cortier daarentegen de weg van de kleur en de uitpuring hiervan bewandelt. Veel van deze werken zijn bijna-symmetrisch opgebouwd. Zijn constructies zijn dan gebaseerd op een harmonieuze vlakverdeling, die toch in verband staat met "de eenheid van de natuur".

Een cirkelvorm komt vaak voor in de periode 1963-1968, maar helemaal niet meer vanaf het midden van het jaar 1970. Vanaf 1965 tot eind 1969 wordt de compositie op een kleurveld geplaatst dat het volledige doek bestrijkt, waarbij een - zwarte - geschilderde kader rond de compositie ontstaat; het doel van deze omkadering is de kleuren te accentueren.