De Fiat B.R.20 “Cicogna” (ooievaar) is een Italiaanse middelzware bommenwerper die vanaf het midden van de jaren 30 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in productie was. Toen het toestel in 1936 in dienst trad, was het de enige geheel metalen bommenwerper van de Italiaanse luchtmacht (“Regia Aeronautica”),Bignozzi, p. 10. alsmede een van de modernste in haar klasse.Gunston 1994, p. 221. De vuurdoop vond in 1937 plaats, toen het toestel met de tekens van de “Aviazione Legionaria” op de vleugels deelnam aan de Spaanse Burgeroorlog. Tijdens de vijandelijkheden vormde de Fiat B.R.20 samen met de Duitse Heinkel He-111 de ruggengraat van de bombardementsvloot van de Nationalisten.Ethell 1995, p. 66. Daarna werd het toestel ook met succes ingezet door de Japanse legerluchtmacht gedurende de Chinees-Japanse oorlog.Ethell 1995, p. 67. Toen Italië in 1940 Frankrijk aanviel en daarmee toetrad tot de Tweede Wereldoorlog, bestond de Italiaanse bombardementsvloot voornamelijk uit Fiat B.R.20’s. Maar het ontwerp begon inmiddels al tekenen van ouderdom te vertonen. Vanaf 1942 werden ze eigenlijk alleen nog maar ingezet voor maritieme verkenningsdoeleinden alsmede als opleidingstoestel voor bommenwerperbemanningen.Ethell 1995, p. 67. Tot aan het einde van de oorlog werden er zeker meer dan 500 stuks geproduceerd.Matricardi 2006, p. 257.
Geschiedenis Ontwerp en ontwikkeling Ontworpen door de ingenieur Celestino Rosatelli, eerder reeds verantwoordelijk voor Fiat’s beroemde dubbeldekkers zoals de C.R.42, was de Fiat B.R.20 een laagdekker met een geheel metalen structuur, bekleed met een mix van duraluminium en doek. Opmerkelijk was de indeling van het bommenruim, waar de bommen horizontaal in opgeslagen waren. Dit in tegenstelling tot de normale indeling van Italiaanse toestellen destijds die, net als veel Duitse toestellen, de bommen verticaal meevoerden, hetgeen overigens nadelen had voor de precisie.
De B.R.20 wordt wel beschouwd als de eerste moderne bommenwerper van de Regia Aeronautica, hoewel de eerste vlucht onder leiding van testvlieger Enrico Rolandi pas in februari 1936 plaatsvond. Dit was bijna een jaar later dan de eerste vlucht van de S.M.79 Sparviero (Sperwer), die echter oorspronkelijk bedoeld was als passagiers- en competitievliegtuig. De poten van het landingsgestel van de B.R.20 werden achterwaarts ingetrokken in de motorgondel, waarbij een deel van de wielen buiten bleef. Het staartwiel kon niet ingetrokken worden, net als bij de S.M.79.
Behalve het bommenruim, was ook de keuze voor een tweemotorige uitrusting een breuk met de traditie. In de jaren 30 was het grootste deel van de Italiaanse zware toestellen met drie motoren uitgerust vanwege problemen met de betrouwbaarheid van de modernere krachtbronnen die meer vermogen leverden. De tweemotorige lay-out vergemakkelijkte het werk van de bommenrichter, die nu voor in de neus plaats kon nemen alsmede de effectiviteit van het richtsysteem.
Hoewel de B.R.20 al met al geen slecht toestel was, qua prestaties vergelijkbaar met de Duitse Dornier Do 17, werd ze gedurende haar gehele carrière geplaagd door problemen aan de motoren. Deze Fiat RC.41 ontwikkelden weliswaar 1.000pk per stuk, maar zorgden steeds voor problemen bij het grondpersoneel. Hierdoor wordt het toestel op operationeel vlak vaak in de schaduw gesteld van driemotorige vliegtuigen als de CANT Z.1007bis Alcione, die ondanks haar houten structuur waarschijnlijk de beste in serie gebouwde bommenwerper van de Italiaanse luchtmacht was, en de S.M.79 “Sparviero”. Daarnaast was de B.R.20 op sportief vlak ook al een keer verslagen door de Savoia-Marchetti machine, tijdens de snelheidskoers Istres-Damascus-Parijs van 1937. Bij aankomst was het gehele podium voor de “Sparviero”, terwijl de “Cicogne” genoegen moesten nemen met plaats 5 en 6. Zoals zo vaak bij Italiaanse militaire toestellen, was de defensieve bewapening niet afdoende, hetgeen een beperking vormde voor de operatieve mogelijkheden. De situatie werd nog verergerd door de geschutskoepels, die niet alleen moeilijk te bedienen waren maar door hun complexiteit vaak ook slecht functioneerden: De half-intrekbare Fiat “MI” rugkoepel, uitgerust met een 12,7 mm Breda-SAFAT ter vervanging van de dubbele 7,7 mm opstelling van de Fiat “DR” koepel van het prototype, had met enige regelmaat last van weigeringen. De achterwaarts vurende “onderkaak” schutterspositie in de buik van het toestel, uitgerust met een 7,7 mm mitrailleur, had een complex hydraulisch systeem dat moeilijk in het gebruik was. De voorwaarts vurende “Breda R” toren, uitgerust met een enkele 7,7 mm mitrailleur, moest met de hand bediend worden. Vanaf de B.R.20 M-versie werd deze vervangen door een veel eenvoudiger te bedienen Fiat “H” toren. De eerste in serie geproduceerde versie (die als “B.R.20” de boeken in ging) bleef tot aan het eind van 1939 in productie. Er werden in totaal 233 exemplaren van gebouwd.
Operationele Geschiedenis Regia Aeronautica Toen de 13e ‘Stormo Bombardamento Terrestre’ (“landbommenwerpers”), gestationeerd in Lonate Pozzolo, eind 1936 met de ‘Cicogna’ uitgerust werd, was ze waarschijnlijk de modernste bommenwerpereenheid ter wereld.Gunston 1994, p. 221. De eerste operationele acties werden tijdens de Spaanse Burgeroorlog gevlogen. Een door de Italiaanse dictator Benito Mussolini gestuurde expeditie-luchtmacht, de “Aviazione Legionaria”, nam zowel overdag als ’s nachts deel aan bombardementsvluchten. Toen Italië toetrad tot de Tweede Wereldoorlog door aan Duitse zijde Frankrijk binnen te vallen, beschikte de Regia Aeronautica over 219 toestellen, waarvan er echter maar 132 operationeel waren.Officiële cijfers van de Regia Aeronautica op 10 juni 1940, waarbij alleen de toestellen die zich in Italië bevonden geteld worden. Een andere bron geeft aan dat er 172 B.R. 20 waren, waarvan 125 inzetbaar. Daarnaast begon vanaf begin 1940 de nieuwe versie B.R.20M bij de verschillende eenheden te arriveren. De toestellen werden ingezet voor bombardementsvluchten tegen doelen in Zuid-Frankrijk.
Corpo Aereo Italiano Op 10 september 1940 werd de “Italiaanse Luchtvaartafdeeling” oftewel het “Corpo Aereo Italiano” in het leven geroepen, bestaande uit de 13e en 43e ‘Stormo’ die uitgerust waren met 80 splinternieuwe Fiat B.R.20, om deel te nemen aan de Slag om Engeland zij aan zij met de Duitse Luftwaffe.De Marchi 1976, p. 6. Tijdens de vlucht naar België gaan er overigens, door het ontbreken van een gedegen blindvliegtraining alsmede geschikte instrumenten in combinatie met slechte weersomstandigheden, 5 toestellen verloren en zien nog eens 17 anderen zich gedwongen op andere vliegvelden langs de route te landen.De Marchi 1976, p. 7. De eerste missie vindt plaats op 24 oktober wanneer het 13e en 43e ‘Stormo’ met elk acht toestellen een aanval uitvoeren op Harwich. Eén toestel gaat door motorpech bij het opstijgen verloren, terwijl nog twee anderen op de terugweg verdwalen waardoor de bemanningen zich genoodzaakt zien zich met valschermen te redden als de benzine opraakt. Op 29 oktober bombarderen 15 toestellen van het 43e ‘Stormo’ overdag Ramsgate, zonder eigen verliezen.De Marchi 1976, p. 7. Op 11 november vindt een harde strijd plaats waarbij 10 B.R. 20’s van het 43e, geëscorteerd door Fiat CR.42 jagers (en niet door Fiat G.50’s zoals wel gedacht wordt) een aanval uitvoeren op Harwich. De groep wordt onderschept door Hurricane’s van de RAF waarbij drie bommenwerpers neergeschoten worden en er nog eens drie averij oplopen.De Marchi 1976, p. 7.
De B.R.20’s voerden vervolgens nog zonder verliezen te lijden aanvallen uit op Ipswich en Harwich in de nachten van 5, 17, 20 en 29 november en nog eens driemaal in december. Na nog twee nachtelijke aanvalsvluchten in januari, keert het 43e op 10 januari naar Italië terug, aan het eind van dezelfde maand gevolgd door de Fiat jagers van het 13e. Gedurende deze 12 operaties klokken de B.R.20’s in totaal 315 vlieguren waarbij 54.320 kg bommen afgeworpen worden. Twintig toestellen gaan verloren, waarvan echter maar drie door vijandelijk vuur. Het dodental onder de Italiaanse bemanningen loopt uiteindelijk op naar 15.De Marchi 1976, p. 7.
Andere fronten De B.R.20’s kwamen daarna nog in het gehele Middellandse Zeegebied in actie. Mettertijd werden de toestellen echter meer en meer ingezet voor verkenningsmissies op lange afstand, voornamelijk boven de Balkan, waar de toestellen op zoek gingen naar partizanenactiviteit.
Tijdens de wapenstilstand op 8 september 1943 zijn er nog slechts 81 B.R.20’s operatief, die vervolgens worden ingezet voor opleidingsdoeleinden voor bommenwerper- en transportbemanningen. Aan het einde van de oorlog zijn er nog slechts een handvol Cicogna’s luchtwaardig.
Andere Landen Japan: 85 exemplaren. Eind 1937 was Japan verwikkeld in de tweede Chinees-Japanse oorlog toen de noodzaak ontstond om haar Kwantung-leger, gelegerd in de marionettenstaat Mantsjoekwo, met effectieve bommenwerpers te bewapenen die de door de Sovjet-Unie geleverde Polikarpov jachtvliegtuigen van de Chinese republiek konden weerstaan. In het licht van de tijdens de Spaanse Burgeroorlog behaalde operationele successen, bestelde de Japanse overheid bij haar recente bondgenoot Italië 72 stuks B.R.20 toestellen (een tweede order volgde een jaar later), Fiat A.80 reservemotoren, reserveonderdelen en munitie voor een waarde van 230.000.000 Lire. Daarmee werd deze order de allergrootste exportopdracht in de geschiedenis van de Italiaanse vliegtuigindustrie. De eerste toestellen kwamen in januari 1938 in de haven van Dairen aan en werden vervolgens in Kungchuling, waar het voornaamste bommenwerpervliegveld van Manchukuo was, gemonteerd. Japan had daarbij echter ook behoefte aan opleiding voor de bemanningen, een trainingsmissie die onder leiding kwam te staan van de Italiaanse officier Enrico Bonessa. De Fiat B.R.20’s, die bij de Japanners ingeschreven werden als Zware legerbommenwerper Type 1 (De geallieerde codenaam tijdens de Tweede Wereldoorlog was “Ruth”Randy Wilson op de website: https://web.archive.org/web/20070509065953/http://rwebs.net/avhistory/acdesig/japanese.htm "Japanese Aircraft Designations 1939-1945"), werden gebruikt door de “Dai-Nippon Teikoku Rikugun Kōkū Hombu, de Japanse keizerlijke luchtmacht, tijdens de Tweede Chinees-Japanse oorlog en tijdens de nooit afgekondigde oorlog met de Sovjet-Unie. Vanaf bases aan de kust voerden ze bombardementsvluchten uit op steden in het binnenland die nog altijd in Chinese handen waren. Maar reeds vanaf de zomer van 1938 begon de vervanging van het type met Japanse Mitsubishi Ki-12 bommenwerpers. Spanje: De 9 B.R.20 toestellen die met de Aviazione Legionaria naar Spanje gestuurd werden overleefden het conflict en werden in 1939 overgenomen door de Spaanse luchtmacht. Venezuela: 1 exemplaar. Hongarije: 2 exemplaren. Kroatië: In januari 1994 ontvingen de twee bommenwerpersquadrons van het Kroatische Luftwaffen-LegionDe onafhankelijk Kroatische staat had een eigen luchtmacht, de Zrakoplovstvo NDH, die operaties boven het eigen grondgebied uitvoerde. De vrijwillige piloten die aan het Oostfront vochten maakten deel uit van het “Kroatische Luftwaffen-Legion”. De toestellen hadden Duitse kentekens in combinatie met het Ustascia symbool, een rood-witgeblokt schild met een “U” erboven, op de romp., een Duits-Kroatische afdeling binnen de Luftwaffe, een totaal van 3 B.R.20’s (naast 3 CANT Z.1007 bis toestellen) als opleidingstoestellen voor bommenwerperbemanningen.
Varianten B.R.20A: in 1937 werden voor deelname aan de wedstrijd Istres-Damascus-Parijs twee civiele varianten gebouwd. Ze hadden geen bewapening en werden gekenmerkt door een ronde neus en een groot vliegbereik. De beide toestellen werden 6e en 7e in de eerste etappe.