Pinacosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Ankylosauridae, dat tijdens het late Krijt, zo'n tachtig miljoen jaar geleden, leefde in het grensgebied van het huidige China en Mongolië, de Gobiwoestijn.
De eerste fossielen werden gevonden in 1923. Het geslacht kreeg in 1933 zijn naam, die zoiets als 'planksauriër' betekent, toen de typesoort Pinacosaurus grangeri benoemd werd. Een tweede soort, Pinacosaurus ninghsiensis, wordt nu gezien als gelijk aan de typesoort. Een derde soort Pinacosaurus mephistocephalus is mogelijk wel echt maar is in 2026 hernoemd tot Eopinacosaurus. Een vierde soort is Pinacosaurus hilwitnorum. Van geen enkele andere ankylosauriër zijn zoveel skeletten gevonden als van Pinacosaurus, samen meer dan honderd, met mogelijke uitzondering van Liaoningosaurus. Het gaat meestal om jonge dieren. Vaak zijn ze door woestijnzand bedekt en zo volmaakt bewaard gebleven. Het dier verschafte zo unieke informatie over de bouw van de Ankylosauria, die op veel punten nog raadselachtig was.
Pinacosaurus werd een vijf meter lang en twee ton zwaar. Hij had een laag, breed en afgeplat lichaam dat op vier korte poten stond. Zijn kop was kort en breed, voorzien van een brede snavel en kleine tandjes waarmee grote hoeveelheden planten werden afgebeten en ingeslikt. Het voedsel werd in de enorme buikholte verteerd. Pinacosaurus was gepantserd. Verbeende stukken huid beschermden het lichaam. Vlakke beenplaatjes, waarnaar de naam verwijst, lagen op op de kop. Twee halve beenringen bedekten de bovenkant van de nek. Op de zijkant van de romp en de basis van de staart stonden driehoekige scherpe stekels. Rijen ovale platen liepen over de rug. De staart eindigde in een beenknots, achter een stijf stuk staart, waarmee geduchte klappen konden worden uitgedeeld aan roofsauriërs. Pinacosaurus is wat minder zwaar gebouwd dan zijn directe verwanten in de Ankylosaurinae. Misschien komt dat doordat de halfwoestijn waarin hij leefde geen grote roofsauriërs kon voeden en hij met een grotere wendbaarheid beter kleine aanvallers kon afweren.
Vondst en naamgeving In 1923 werden door Walter Willis Granger tijdens een expeditie van het American Museum of Natural History naar Mongolië bij Sjabarach Oesoe verschillende skeletten van ankylosauriden gevonden. In 1933 beschreef Charles Whitney Gilmore een rechterdarmbeen en een staartwervel zonder daar een naam aan te verbinden. Later dat jaar benoemde en beschreef Gilmore meer complete resten als de typesoort Pinacosaurus grangeri. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse πίναξ, pinax, 'plank', een verwijzing naar de platte plankvormige pantserplaatjes die de kop bedekten. De soortaanduiding eert Granger, die als paleontoloog de expeditie vergezelde, als ontdekker. thumb|De schedel van het holotype Het holotype AMNH 6523 is gevonden in een laag van de Djadochtaformatie die dateert uit het Campanien en ongeveer tachtig miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een schedel met onderkaken, de atlas, de draaier en wat osteodermen van een volwassen exemplaar. De schedel is de grootste die van Pinacosaurus bekend is. Hij is overdwars sterk samengedrukt.
In 1935 benoemde Yang Zhongjian een tweede soort: Pinacosaurus ninghsiensis gebaseerd op een exemplaar uit Ningxia bij Bayanmandahu. Tegenwoordig wordt dit gezien als een jonger synoniem van P. grangeri. De soort was gebaseerd op een skelet met schedel dat tegenwoordig geen inventarisnummer heeft. Bewaard waren gebleven: een bovenkaaksbeen, een stuk onderkaak, tanden, drieëntwintig wervels, ribben, een schouderblad, een rechteropperarmbeen, een darmbeen, de zitbeenderen, een rechterdijbeen, de scheenbeenderen, twee metapodia en osteodermen.
In 1952 benoemde Jevgeni Aleksandrovitsj Malejev een Syrmosaurus viminocaudus. Tegenwoordig wordt dit gezien als een jonger synoniem van P. grangeri.
Aan Pinacosaurus grangeri zijn talrijke latere vondsten toegewezen. Er is in ieder geval geen enkele andere Aziatische ankylosauriër waarvan zoveel fossielen opgegraven zijn; naar huidige inzichten is ook de Amerikaanse Euoplocephalus van minder specimina bekend. Het hele skelet is nu bekend. Een eigenaardigheid is dat de vondsten zeer overwegend bestaan uit jonge dieren. Daarvan zijn er meer bekend dan van welke andere ankylosauriër ook, met mogelijke uitzondering van Liaoningosaurus. Deze werden kennelijk vaak bedekt door zandstormen en zijn zo uitstekend bewaard gebleven left|thumb|Een in Japan getoond exemplaar Van de oorspronkelijke vindplaats Sjabarach Oesoe, ook wel de Flaming Cliffs genaamd naar de okerrode rotswanden zijn de volgende specimina in de literatuur vermeld: ZPAL MgD II/1: een skelet met schedel en onderkaken; ZPAL MgD II/9: een skelet zonder schedel; ZPAL MgD II/31: de hendel van een staartknots; PIN 614: een bijna compleet postcraniaal skelet, (= Syrmosaurus viminocaudus), PIN 3780/3: een schedel; en MPC 100/1305: een bijna compleet postcraniaal skelet. Het laatste specimen verschilt op sommige punten van het holotype en werd in 2011 ten onrechte toegewezen aan Saichania omdat niet onderkend was dat de skeletopstelling was vervolledigd met een afgietsel van de schedel van het holotype van die laatste vorm. Het specimen is gezien als een cf. Pinacosaurus. thumb|Het holotype van P. mephistocephalus Een belangrijke bron van fossielen is het beenderbed van Alag Teeg geweest dat door Sovjet-Mongoolse expedities in 1969 en 1970 onderzocht werd, door de Mongolian−Japanese Joint Paleontological Expedition tussen 1993 tot 1998 en door Canadese expedities tussen 2001 en 2006. De lagen hier zijn iets ouder dan die van het holotype. Hieruit zijn beschreven de specimina MPC 100/1307: voetbeenderen; MPC 100/1308: onderbenen; MPC 100/1309: voetbeenderen; MPC 100/1310: een linkervoorpoot; MPC 100/1311: een achterpoot met voet; MPC 100/1312: voetbeenderen; MPC 100/1313: voetbeenderen; MPC 100/1315: handbeenderen van twee individuen; MPC 100/1316: twee onderbenen; MPC 100/1317: handbeenderen; MPC 100/1318: handbeenderen; MPC 100/1319: een linkervoet; MPC 100/1320: een rechteronderbeen met voet; MPC 100/1321: een skelet met schedel; MPC 100/1322: skeletelementen van twee individuen; MPC 100/1323: een rechteronderarm met twee voeten; MPC 100/1324: een voorste romp met osteodermen; MPC 100/1325: een rechterhand; MPC 100/1326: een voorpoot met staartwervels; MPC 100/1327: een linkeronderbeen met voet; MPC 100/1328: een linkervoet; MPC 100/1329: wervels en ledematen; MPC 100/1330: een halsberg, wervels en een hand; MPC 100/1331: een volledige rechtervoet; MPC 100/1332: een stuk schoudergordel met ribben; MPC 100/1333: bekken, voorpoten en voet van een volwassen individu; MPC 100/1334: een onderbeen met voet; MPC 100/1335: een schedel met ledematen; MPC 100/1335: osteodermen; MPC 100/1337: een rechterhand; MPC 100/1338: handbeenderen; MPC 100/1339: een rechteronderarm en twee onderbenen; MPC 100/1340: een onderarm met hand; MPC 100/1341: een onderarm met hand; MPC 100/1342: een onderbeen met voet; MPC 100/1343: een achterpoot en twee voeten; MPC 100/1344: een skelet met schedel; MPC 100/1345: een halsberg met een rib; MPC 100/1346: een ravenbeksbeen en opperarmbeen; MPC 100/1347: een voorhoofdsbeen. De fossielen waren zo talrijk dat de beenderlagen door de Sovjets met een bulldozer moesten worden blootgelegd. Veel exemplaren zijn nog onvermeld en nog meer bevinden zich in de aardlagen die verre van uitgeput zijn. De Sovjets rapporteerden dertig individuen; de Japanners eenzelfde aantal, waarvan twintig alleen al in 1995; de Canadezen nog eens veertig. Het is echter mogelijk dat dit ten dele dezelfde exemplaren betreft. thumb|left|upright=1.7|Jonge door een zandstorm begraven dieren, in 1990 door de Canadezen opgegraven in de Bayan Mandahu Van de Bayan Mandahuformatie in Binnen-Mongolië, welke onderzocht is door het Canada−China Dinosaur Project in 1987, 1988, en 1990, zijn bekend de specimina IVPP V16853: een schedel met halsbergen; IVPP V16283: een gedeeltelijke schedel, IVPP V16854: een bijna volledig skelet met schedel; IVPP V16346: een gedeeltelijke schedel; en IVPP V16855: een skelet met schedel. Vondsten zonder gepubliceerd inventarisnummer omvatten twaalf bij elkaar aangetroffen jonge dieren en twee andere jongen die samen op één locatie werden ontdekt.
In 1999 werd een derde soort benoemd door Pascal Godefroit: Pinacosaurus mephistocephalus, de 'duivelskop' als samentrekking van Mephistopheles en het Oudgrieks κεφαλή, kephalè, 'hoofd', gebaseerd op specimen IMM 96BM3/1 in 1996 gevonden door een Chinees-Belgische expeditie in de Bayan Mandahuformatie. Dit bestaat uit een in verband liggend skelet met schedel en halsbergen. De soortaanduiding verwijst naar langere squamosale hoorns op de bovenste achterhoeken van de schedel. Gregory S. Paul suggereerde in 2010 dat P. mephistocephalus een jonger synoniem was van P. grangeri. Victoria Megan Arbour concludeerde echter in 2014 dat de soort geldig was. Godefroit beschreef alleen de schedel in detail. In 2026 maakte Paul Penkalski van de soort het aparte geslacht Eopinacosaurus. Tegelijkertijd benoemde hij een vierde soort Pinacosaurus hilwitnorum. De soortaanduiding is gevormd uit delen van de namen van de paleontologen Robert Hill, Lawrence Witmer en Mark Norell. Het holotype is specimen IGM 100/1014, een goed gepreserveerde schedel met onderkaken van een bijna volgroeid dier.
In 1995 verwees Eric Buffetaut naar ankylosauriërresten uit Shandong, uit de Wangshigroep van China, als cf. Pinacosaurus grangeri.
Heishansaurus is gezien als een jonger synoniem van Pinacosaurus maar in 2014 concludeerde Arbour dat het een nomen dubium was dat per definitie geen jonger synoniem kan zijn.
Na de oorspronkelijke verhandelingen door respectievelijk Gilmore en Godefroit zijn vooral moderne beschrijvingen gegeven ter gelegenheid van de vondst van nieuwe completere exemplaren. In 2003 gebeurde dat door Robert Hill e.a. die specimen IGM 100/1014 bestudeerden, een jong dier. In 2011 werd door Philip John Currie e.a. speciaal de voeten en handen beschreven die van andere ankylosauriërs slecht bekend zijn. Hetzelfde jaar beschreef Michael Burns vier jonge dieren uit de Bayan Mandahu.
De vondst van jonge pinacosauri in Binnen-Mongolië thumb|De opgraving in 1988