Het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) is een hormoonsysteem dat de bloeddruk, de vocht- en elektrolytenbalans en de systemische vasculaire weerstand reguleert.

Wanneer de doorbloeding van de nieren daalt, scheiden juxtaglomerulaire cellen in de nieren het enzym renine uit in de bloedsomloop. Renine zorgt voor de omzetting van angiotensinogeen, dat door de lever wordt geproduceerd, in angiotensine I. Angiotensine I heeft zelf weinig tot geen biologische activiteit. Het wordt vervolgens door het angiotensineconverterend enzym (ACE) omgezet in het actieve angiotensine II. ACE bevindt zich onder andere op het oppervlak van endotheelcellen in de bloedvaten, met name in de longcirculatie. Angiotensine II heeft een korte halfwaardetijd van ongeveer één tot twee minuten en wordt vervolgens snel afgebroken tot angiotensine III door angiotensinasen, die onder andere in rode bloedcellen en op het oppervlak van bloedvaten in verschillende weefsels voorkomen.

Angiotensine III verhoogt de bloeddruk en stimuleert de secretie van aldosteron door de bijnierschors. Het heeft ongeveer dezelfde adrenocorticale stimulerende activiteit als angiotensine II, maar slechts ongeveer 40% van diens vasopressoractiviteit. Ook angiotensine IV heeft adrenocorticale en vasopressoreffecten.

Angiotensine II is een krachtig vasoconstrictief peptide dat bloedvaten vernauwt, waardoor de bloeddruk stijgt. Daarnaast stimuleert angiotensine II de secretie van het hormoon aldosteron door de bijnierschors. Aldosteron verhoogt de reabsorptie van natrium in de nierbuisjes. Hierdoor wordt ook meer water vastgehouden, terwijl tegelijkertijd meer kalium wordt uitgescheiden om de elektrolytenbalans te handhaven. De toename van het extracellulaire vochtvolume draagt eveneens bij aan een stijging van de bloeddruk.

Wanneer het RAAS buitensporig actief is, kan dit leiden tot een verhoogde bloeddruk. Er bestaan verschillende soorten geneesmiddelen die het RAAS beïnvloeden, waaronder ACE-remmers, angiotensine-II-receptorantagonisten en renineremmers. Deze geneesmiddelen grijpen op verschillende plaatsen in het systeem in en worden onder andere gebruikt bij de behandeling van hypertensie, hartfalen en bepaalde nierziekten en ter vermindering van nier- en cardiovasculaire complicaties bij diabetes.

Activatie thumb|right|600px|Engelstalige schematische weergave van hoe het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) werkt Het systeem kan worden geactiveerd bij een verlies van bloedvolume of een daling van de bloeddruk, zoals bij een bloeding of uitdroging. Deze veranderingen worden onder andere waargenomen door baroreceptoren in de sinus caroticus. Het systeem kan ook worden geactiveerd door een daling van de natriumchlorideconcentratie (NaCl) in het filtraat of door een verminderde stroomsnelheid van het filtraat. Hierdoor wordt de macula densa in de nieren gestimuleerd om een signaal te geven aan de juxtaglomerulaire cellen, die vervolgens renine vrijgeven.

Wanneer de doorbloeding van de nieren afneemt, scheiden de juxtaglomerulaire cellen het enzym renine af. Renine splitst een decapeptide af van angiotensinogeen, een globulair eiwit. Dit decapeptide staat bekend als angiotensine I. Angiotensine I wordt vervolgens door het angiotensineconverterend enzym (ACE) omgezet in het octapeptide angiotensine II. ACE komt voor op het oppervlak van endotheelcellen in verschillende weefsels en is in hoge concentraties aanwezig in de longcirculatie. Het enzym komt ook voor in de nieren. Angiotensine II is het belangrijkste bioactieve product van het renine-angiotensinesysteem. Het bindt aan receptoren op onder andere intraglomerulaire mesangiumcellen, waardoor deze cellen samentrekken, en aan receptoren op cellen van de zona glomerulosa, waardoor aldosteron wordt vrijgegeven door de bijnierschors. Angiotensine II werkt als een endocrien, autocrien, paracrien en intracrien hormoon. Cardiovasculaire effecten Angiotensine I heeft wat lichte activiteit, maar angiotensine II is het grote bioactieve product. Angiotensine II heeft verschillende effecten op het lichaam:

Angiotensine II is een krachtige vasoconstrictor van arteriolen in het hele lichaam. In de nieren vernauwt angiotensine II de glomerulaire arteriolen, waarbij het effect op de efferente arteriolen groter is dan op de afferente arteriolen. Zoals bij de meeste andere capillaire vaatbedden in het lichaam verhoogt de vernauwing van arteriolen de vaatweerstand, waardoor de systemische bloeddruk stijgt en de bloeddoorstroming afneemt. De nieren moeten echter voldoende bloed blijven filteren ondanks de verminderde doorbloeding. Daarom zijn mechanismen nodig om de glomerulaire bloeddruk voldoende hoog te houden. Angiotensine II vernauwt hiervoor vooral de efferente arteriolen, waardoor bloed zich ophoopt in de glomerulus en de glomerulaire druk stijgt. Hierdoor blijft de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) behouden en kan de bloedfiltratie doorgaan ondanks de verminderde doorbloeding van de nieren. Doordat de filtratiefractie, de verhouding tussen de GFR en de renale plasmastroom, toeneemt, blijft er minder plasmavloeistof achter in de peritubulaire capillairen na filtratie. Dit leidt tot een lagere hydrostatische druk en een hogere oncotische druk in de peritubulaire capillairen, als gevolg van de hogere concentratie aan ongefilterde plasma-eiwitten. De combinatie van een lagere hydrostatische druk en een hogere oncotische druk in deze capillairen bevordert de reabsorptie van tubulaire vloeistof. Angiotensine II verlaagt de medullaire bloedstroom door de vasa recta. Hierdoor neemt de uitspoeling van NaCl en ureum uit het niermerg af. Hogere concentraties NaCl en ureum in het niermerg bevorderen vervolgens de reabsorptie van tubulaire vloeistof. Daarnaast leidt een toegenomen reabsorptie van vloeistof in het niermerg tot een verhoogde passieve reabsorptie van natrium langs de dikke opstijgende tak van de lis van Henle. Angiotensine II stimuleert Na⁺/H⁺-uitwisselaars op de apicale membranen (aan de kant van het tubulaire lumen) van cellen in de proximale tubulus en de dikke opstijgende tak van de lis van Henle, evenals Na⁺-kanalen in de verzamelbuizen. Dit leidt uiteindelijk tot een verhoogde natriumreabsorptie. Angiotensine II stimuleert de hypertrofie van tubulaire cellen, wat leidt tot een verdere toename van de natriumreabsorptie. In de bijnierschors stimuleert angiotensine II de secretie van aldosteron. Aldosteron werkt in op de niertubuli en zorgt ervoor dat meer natrium en water uit de tubulaire vloeistof worden gereabsorbeerd. Dit leidt tot een toename van het circulerende bloedvolume en daarmee tot een stijging van de bloeddruk. Tegelijkertijd met de reabsorptie van natrium in het bloed wordt kalium uitgescheiden in de niertubuli, waarna het in de urine terechtkomt en wordt uitgescheiden. Angiotensine II stimuleert de secretie van het antidiuretisch hormoon (ADH), ook wel vasopressine genoemd. ADH wordt geproduceerd in de hypothalamus en afgegeven door de achterkwab van de hypofyse. Het draagt bij aan vasoconstrictie, maar de belangrijkste functie ervan is het stimuleren van de waterreabsorptie in de nieren. ADH werkt ook in op het centrale zenuwstelsel en stimuleert het verlangen naar zout en het dorstgevoel.

Deze effecten werken allemaal rechtstreeks samen om de bloeddruk te verhogen en worden tegengewerkt door het atriaal natriuretisch peptide (ANP).

Lokale renine-angiotensine-aldosteronsystemen Lokale, uitgesproken RAAS-systemen zijn aangetroffen in verschillende weefsels, waaronder de nieren, bijnieren, het hart, de bloedvaten en het zenuwstelsel. Ze hebben verschillende functies, waaronder de lokale cardiovasculaire regulatie, zowel in samenwerking met als onafhankelijk van het systemische RAAS, evenals niet-cardiovasculaire functies.

Buiten de nieren wordt renine voornamelijk vanuit de circulatie opgenomen, maar in sommige weefsels kan het ook lokaal worden uitgescheiden. De precursor prorenine komt veelvuldig voor in verschillende weefsels. Meer dan de helft van het circulerende prorenine is afkomstig van buiten de nieren, maar de fysiologische rol ervan, naast die als precursor van renine, is nog onduidelijk.

Buiten de lever wordt angiotensinogeen vanuit de circulatie opgenomen of lokaal geproduceerd in sommige weefsels. Samen met renine vormt het angiotensine I. Lokaal aanwezig angiotensineconverterend enzym, chymase en andere enzymen kunnen angiotensine I vervolgens omzetten in angiotensine II. Dit proces kan zowel intracellulair als in het interstitium plaatsvinden.

In de bijnieren is het waarschijnlijk betrokken bij de paracriene regulatie van de secretie van aldosteron. In het hart en de bloedvaten kan het betrokken zijn bij remodellering of de regulatie van de vasculaire tonus. In de hersenen, waar het grotendeels onafhankelijk is van het circulerende RAAS, kan het betrokken zijn bij de lokale regulatie van de bloeddruk. Daarnaast kunnen zowel het centrale als het perifere zenuwstelsel angiotensine gebruiken voor sympathische neurotransmissie. Andere plaatsen waar het RAAS tot uiting komt, zijn het voortplantingsstelsel, de huid en de spijsverteringsorganen. Geneesmiddelen die gericht zijn op het systemische RAAS kunnen de uiting van deze lokale RAAS-systemen beïnvloeden, zowel gunstig als ongunstig.

Foetaal renine-angiotensine-aldosteronsysteem Bij de foetus is het RAAS voornamelijk een natriumverliezend systeem, aangezien angiotensine II weinig tot geen effect heeft op de aldosteronspiegels. De reninespiegels zijn hoog bij de foetus, terwijl de angiotensine-II-spiegels aanzienlijk lager zijn. Dit komt door de beperkte doorbloeding van de longen, waardoor ACE, dat voornamelijk in de longcirculatie voorkomt, minder effectief kan zijn.

Klinisch belang thumb|right|400px|Stroomschema met de klinische effecten van de activiteit van het RAAS en de aangrijpingsplaatsen van ACE-remmers en angiotensinereceptorantagonisten. ACE-remmers worden dikwijls gebruikt om de vorming van het krachtigere angiotensine II te verminderen. Een voorbeeld van een ACE-remmer is lisinopril. ACE splitst verschillende andere peptiden en is in die rol een belangrijke regulator van het kallikreïne-kininesysteem. Vandaar dat ACE-remmers tot bijwerkingen kunnen leiden. Angiotensine II-receptorantagonisten kunnen gebruikt worden om angiotensine II te verhinderen effect te hebben op zijn receptoren. Renineremmers kunnen ook gebruikt worden voor hypertensie. Een voorbeeld hiervan is aliskiren. Vaccins tegen angiotensine II, zoals CYT006-AngQb, werden onderzocht. Deze hadden effect, maar minder dan de orale medicatie.

Zie ook Baroreceptorreflex

Categorie:Bloeddruk Categorie:Hormoon Categorie:Cardiologie