Frederik David Kan Bosch (Potchefstroom, Transvaal, 17 juni 1887 – Leiden, 20 juli 1967) was van 1915 tot 1936 als oudheidkundig wetenschapper en restaurator van de Borobudur en Prambanan werkzaam op Java. Hij was hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden.
Jeugd Frederik David Kan Bosch werd 17 juni 1887 te Potchefstroom in Transvaal geboren als tweede zoon van een Transvaalse boer. Reeds jong verloor hij zijn moeder en als tweejarig kind bracht zijn vader hem naar Nederland, waar twee tantes van vaderszijde in Amsterdam de zorg voor zijn verdere opvoeding op zich namen. Het bleef niet bij één noodlotsslag in dit jonge leven. Tweede Boerenoorlog brak uit en zijn vader en drie jaar oudere broer lieten onder tragische omstandigheden hun leven in Engelse concentratiekampen. Hoe zwaar deze slag de toen 15-jarige ook moet getroffen hebben, hoe fel zijn verontwaardiging geweest moet zijn, toch liet hij zich later slechts uiterst zelden over deze periode van zijn leven uit. Zijn geestelijke veerkracht bleek er niet door verlamd te zijn.
Studie Na de HBS te hebben afgelopen en voor het Staatsexamen te zijn geslaagd, begon hij in 1906 te Leiden de studie in de Nederlandse Letteren. Zijn rol in het studentenleven wordt naar buiten het meest getekend door het feit, dat hij reeds weinige jaren later, tijdens de lustrumviering van 1910, niet alleen de eerste opzet maakte van het openluchtspel Alianora, waaraan Boutens de literaire vorm zou geven, maar ook de historische voorstudies voor de Maskerade, die tot zijn eerste publicatie leidden: een studie over het 17de-eeuwse kostuum, die het volgende jaar in het Gedenkboek verscheen. Omstreeks de tijd, dat hij zijn kandidaatsexamen deed, had zich voor hem blijkbaar al een uitzicht op een toekomstige werkkring als archeoloog in Indonesië geopend. Het is anders immers moeilijk te verklaren, dat hij voor zijn doctoraalstudie het Nederlands resoluut laat varen en als hoofdvak het Sanskriet bij Speyer kiest. Nog duidelijker blijkt dit uit het onderwerp van zijn filologische dissertatie dat Speyer hem had voorgesteld in de hoop, dat Bosch hiervoor in de Indische kunst archeologische aanknopingspunten zou kunnen vinden.
Toen deze hoop van de promotor niet in vervulling ging, moest "De legende van Jimiitavähana in de Sanskrit-litteratuur", waarop hij in 1914 bij Speyer’s opvolger J. Ph. Vogel promoveerde, wel geheel een filologisch proefschrift worden. De genoemde legende scheen deel uitgemaakt te hebben van een verloren gegane verhalencyclus, die in talrijke jongere bewerkingen overgeleverd is. Het vaststellen van de onderlinge verhouding der redacties werd nu zijn voornaamste taak. Met voortvarendheid werkte hij recent bekend geworden teksten als de Brhatkathämaiijarï door en vergeleek deze met de paralleltext van de Kathäsaritsägara. Al zal hierbij Speyer's grote kennis en ervaring, juist op dit gebied, hem ongetwijfeld meer dan eens de juiste weg gewezen hebben, de scherpzinnige wijze waarop Bosch hier de filologische problemen behandelt, om dan tot slot een poging te doen de mythologische kern van het verhaal te ontraadselen, doet ook meer dan een halve eeuw later het cum laude waarmee hij de doctorsgraad ontving ten volle gerechtvaardigd schijnen. Had het werk hem ogenschijnlijk van zijn naaste doel afgeleid, zowel het stuk filologische scholing die deze arbeid hem geschonken heeft als de grote vertrouwdheid met juist deze verhalencyclus zijn voor zijn bredere archeologische werk van latere jaren uiterst vruchtbaar gebleken. In het slothoofdstuk, dat de mythische achtergrond poogt te interpreteren, zien wij hem voor het eerst het gebied van de mythologie betreden, dat hem later tot het einde van zijn leven zou blijven fascineren. Zijn gehele ontwikkeling blijkt inderdaad bij terugblik langs merkwaardig vaste lijnen verlopen te zijn. Kort na de promotie trad hij in het huwelijk met de jonge portrettiste Ans H. Gregoor.
Oudheidkundige Dienst Java Bosch vertrok, terwijl de Eerste Wereldoorlog al uitgebroken was, naar Java, waar Krom als hoofd van de een jaar tevoren opgerichte Oudheidkundige Dienst reeds lang naar een plaatsvervanger uitzag. Met ingang van 1 januari 1915 kreeg Bosch een aanstelling als adjunctoudheidkundige, om nauwelijks acht maanden later, wanneer Krom met kort verlof naar Nederland vertrekt, waarnemend chef van de dienst te worden. De tijd, dat hij onder Krom aan de inventarisatie van Hindoe Javaanse monumenten uit de Midden- en Oost Javaanse perioden kon werken was kort maar bracht hem terstond met enige monumenten en inscripties in contact die hem later tot belangrijke publicaties zouden inspireren. Veel tijd om zich in te werken werd hem niet gegund. Toen bleek, dat Krom van zijn verlof niet zou terugkeren werd hij in 1915, als 28-jarige, tot chef van de dienst benoemd en aanstonds geconfronteerd met de moeilijkheid althans iets van de vele taken die de nog jonge dienst waren opgelegd, ondanks een uiterst bescheiden personeelsbezetting en te krappe geldmiddelen, te verwezenlijken. Hierbij werd hij aanstonds met een beleidsvraag van de eerste orde geconfronteerd. De taakomschrijving van de Oudheidkundige Dienst, die in 1913 op initiatief van Krom was ingesteld, omvatte niet alleen de inventarisatie van, en het toezicht op de oudheden, maar o.a. ook "de beraming en uitvoering van maatregelen om die oudheden voor verder verval te behoeden".
Restauratie Borobudur en Prambanan Bosch meende, in scherpe tegenstelling tot zijn voorganger Krom, dat het voor de uitvoering van deze laatste taak gewenst was tot reconstructie van de monumenten over te gaan indien dit op een wetenschappelijk verantwoorde wijze kon gebeuren. Dit standpunt heeft een jarenlange polemiek op velerlei niveaus ontketend, die nog versterkt werd doordat bij de eerste stappen op dit nog onbekende terrein onvermijdelijk fouten gemaakt zijn. Bosch is echter, ondanks de vele kritiek in Indonesië en het moederland, voortgegaan met de restauratie en het vervolg heeft hem in het gelijk gesteld. Ten slotte kreeg zijn zienswijze ook de officiële sanctie van hogerhand. 'Deze was namelijk nodig voor de restauratie van het ruïneveld van Prambanan, waar de resten verspreid lagen van een tempelcomplex met een Sivatempel die, mèt de boeddhistische Borobudur, de meest imposante representant is van wat het oude Java aan religieuze bouwkunst heeft voortgebracht. Tegen de overtuiging van Bosch, dat het mogelijk was de tempel geheel in zijn oude luister te herstellen, was een zo felle oppositie gerezen, dat de instelling van een speciale restauratie-commissie nodig was, voordat de autoriteiten in 1927 Bosch machtigden zijn plannen ten uitvoer te brengen. De begaafde bouwkundige B. de Haan, de technische raadsman en medewerker van Bosch, wist nog voor zijn vroegtijdige dood in 1930, op grond van de met eindeloos geduld bijeengezochte fragmenten een reconstructie-tekening van het complex te voltooien, maar pas in 1953, lang nadat Bosch de Indische Dienst verlaten had, kon na veel stagnatie door malaise en oorlog de wederopbouw van de hoofdtempel worden afgesloten. Door vakgenoten elders was inmiddels al het grote belang onderkend van wat Bosch trachtte te verwezenlijken en nog onder zijn directoraat zond de Franse oudheidkundige dienst van het toenmalige Indochina een medewerker naar Java om, met het oog op het voorgenomen herstel van het monument van Banteay Srei, de onder Bosch ontwikkelde restauratie-techniek te leren kennen. De contacten met de Franse collega's leidden ook tot een uitnodiging voor een bezoek aan Angkor Vat, waarover hij een studie schreef die een nieuw licht wierp op onderdelen van dit monument.
Erelid de École Française d'Extrême-Orient Later is Bosch tot erelid van de École Française d'Extrême-Orient benoemd. Te midden van de polemiek waarin Bosch, bij uitstek irenische figuur, gewikkeld werd en ondanks de moeilijkheden verbonden aan de uitvoering van een veelomvattende taak met een onderbezette en telkens wisselende staf en opgelegde bezuinigingen, wist hij toch het elan te vinden voor een baanbrekend wetenschappelijk werk. Het was werk dat tot stand kwam tussen de vele dienstreizen, besprekingen met bestuursambtenaren en het schrijven van de jaarlijkse Oudheidkundige Verslagen en Rapporten. Wanneer hiervan met voorbijgaan van publicaties over meer specialistische onderwerpen zijn in 1919 gehouden voordracht over de oorsprong der Hindoe-Javaanse kunst genoemd wordt, dan is dat om twee redenen. In de eerste plaats toont deze, hoe Bosch, nauwelijks vier jaren na zijn komst op Java, reeds in staat was ten aanzien van een zo veelbesproken en fundamenteel vraagstuk als dat van de wijze waarop de Voor-Indische cultuurelementen in Indonesië zijn binnengedrongen een originele bijdrage te leveren. In de tweede plaats illustreert het, in samenhang met latere publicaties over dit onderwerp, de hardnekkigheid waarmee bepaalde thema's hem gedurende zijn leven bleven bezighouden. De kwintessens van zijn betoog heeft hij echter, bij alle nuancering en uitwerking, ook later gehandhaafd, namelijk dat de Voor-Indische cultuurexpansie in de Archipel noch aan militaire veroveringen, noch aan kooplieden te danken is maar aan "clercken", geleerden, die technische Sanskriet teksten over de vervaardiging van kunstwerken uit India naar Java brachten, welke teksten door de Javaanse kunstenaars op eigen wijze in hun kunst toegepast zijn.
Een dergelijke theorie echter, die een eerherstel van de Oudjavaanse creativiteit inhield, had in een koloniale maatschappij ongedachte implicaties, zoals bleek uit de felle discussie die zijn studie opriep. Het was niet de laatste keer, dat hij onbekommerd een heilig huisje omverstootte. Overigens is Bosch, bij alle erkenning van de Oudjavaanse originaliteit in de uitvoering van kunstwerken, nooit zover gegaan, dat hij daarin ook directe reflexen van een autochtone cultuur aannam. Zijn bezwaren tegen de theorie van een zogenaamde "local genius" heeft hij veel later in deze Afdeling uiteengezet. Het feit, dat veel dat als specifiek Indonesisch cultuurgoed beschouwd werd, ook in India aangetoond kon worden, gold voor hem als voldoende tegenbewijs. Eenzelfde problematiek als op Java doet zich in Achter-Indië voor, waar men ook een kunst uit Indiase wortels maar van een geheel eigen karakter aantreft. Het is geen wonder, dat vaak de gedachten van Bosch parallel bleken te lopen met die van zijn Franse collega in Hanoi, George Coedès. Decennialang hebben zij, op verwante gebieden aan gelijke problemen werkend, elkaar gestimuleerd en beïnvloed. Een vraagstuk als dat van de verhouding tussen Java en het Sumatraanse. Een karakteristieke staal van grote eruditie en sprankelende geest is zijn studie "Buddhistische gegevens uit Balische handschriften" die in de Mededelingen van onze Afdeling van 1929 verscheen. Op grond van twee boeddhistische handschriften uit Bali en van daarmee parallel lopende gegevens van een Japanse sekte verklaart hij het tempelcomplex Tjandi Sewoe op Java als een in steen omgezette religieuze maI)dala, waarbij hij zelfs poogt aan te geven, welke godheden in elk van de nu lege nissen van de hoofdtempel moeten voorgesteld zijn geweest.
Barabudur-problemen