De filosofie van de opvoeding , ook: wijsgerige pedagogiek of opvoedingsfilosofie, is een vakgebied binnen de filosofie, dat reflecteert op de aard, de doelen en de problemen van de opvoeding. Een exacte definitie van dit vakgebied is moeilijk te geven. & , "Philosophy of Education", Review of Educational Research, 34 (1), februari 1964, p. 23. bezocht op 30-03-2012. Het vakgebied richt zich namelijk zowel op de filosofische vraagstelling, die opvoedkundige concepten en methodes wil verhelderen, als op de praktijk van de pedagogiek. Het vakgebied heeft daardoor een zekere overlap met de theoretische pedagogiek, maar moet er niet mee verward worden. De filosofie van de opvoeding benadert pedagogische problemen vanuit een filosofische achtergrond. Opvoedingsfilosofen moeten vertrouwd zijn met andere filosofische disciplines, met name de epistemologie of kennisleer, taalfilosofie, ethiek, sociale of politieke filosofie, wetenschapsfilosofie, en mogelijk ook de filosofie van de geest en de esthetica.
Opvoedingsgsfilosofie wordt zelden als academisch vak aangeboden, maar maakt regelmatig deel uit van het curriculum in scholen en instituten, waar onderwijs en pedagogiek centraal staan. Wanneer vorming in de zin van culturele transfer van de ene generatie op de andere bedoeld wordt, spreekt men ook over onderwijsfilosofie. Verwant is verder de discipline van de filosofie van de pedagogische wetenschappen, die zich bezint op de logische en epistemologische uitgangspunten en methodes van de pedagogiek.
Ontwikkeling Hoewel er steeds filosofen zullen zijn geweest die zich bezighielden met de opvoeding, nam deze voor sommigen onder hen een centrale plaats in. Dit was het geval bij Plato, Thomas van Aquino, John Locke en Jean-Jacques Rousseau, en bij John Dewey, die opvoedingsfilosofie beschouwde als "philosophy in its most general phase.", Democracy and Education, New York, McMillan, 1916, p. 386. Immanuel Kant en Georg Hegel hadden aandacht voor het onderwijs aan de universiteiten, en in de geschriften van Friedrich Nietzsche zijn heel wat onderwijskundige opvattingen te vinden. Hetzelfde geldt voor niet-westerse filosofen en opvoeders als Maimonides, Confucius en Lao Tze, die in hun tijd veel invloed hadden op het gegeven onderwijs en op de opvoeding. De wortels van de opvoedingsfilosofie reiken dus verder terug dan de 19e eeuw. Pas in de eerste helft van de 20e eeuw begon zij zich echter te ontwikkelen als apart filosofisch deelgebied, met een eigen vakliteratuur, tradities en problematiek - zoals blijkt uit publicaties, conferenties en academische aanstellingen in die periode.
Deze filosofische deeldiscipline werd in haar ontwikkeling beïnvloed door verschillende intellectuele en sociale trends, die ieder een impact hadden op het filosofische debat over onderwijs en opvoeding. Zo leverden marxisme, psychoanalyse, existentialisme, fenomenologie, pragmatisme en feminisme telkens nieuwe invalshoeken op. Vooral bij 20e-eeuwse Anglo-Amerikaanse filosofen werd de benadering van de analytische filosofie toonaangevend. Daar wordt verderop in het artikel op ingegaan. Begonnen wordt met een chronologisch overzicht van de belangrijkste wijsgeren, die zich in hun werk hebben beziggehouden met de filosofie van de opvoeding.
Oudheid thumb|200px|Socrates; eerste -eeuwse kopie
Socrates en Plato Socrates onderwees zijn leerlingen door vragen te stellen (de "Socratische methode".) In de dialogen die Plato over hem schreef horen we hem vaak zeggen dat hij niets weet, maar dat zijn vaardigheid om vragen te stellen hielp om anderen de ware kennis te 'herinneren' die ze waren vergeten. Hij vergeleek zichzelf met een vroedvrouw die slechts helpt om de al aanwezige kennis ter wereld te helpen (zie maieutiek). Men zou kunnen stellen dat de moderne filosofie van de opvoeding nog steeds vertrekt van de socratische ironie, die zich buigt over kwesties die door niet-filosofen als vanzelfsprekend worden ervaren: "Is de mens aangeboren goed of slecht?"; "Wat is (ware) kennis?" "Wat is leren?" Een van Plato's dialogen waarin Socrates zijn ideeën over opvoeding en kennisleer uiteenzet, is de Meno. In deze dialoog komen kwesties aan de orde die nog steeds relevant zijn voor hedendaagse opvoedingsfilosofen, zoals: "Kan deugd aangeleerd worden?"; "Wat is deugd?"; "Wat is kennis?"; "Wat is de relatie tussen kennis van deugd en de deugd zelf?"; "Wat is de relatie tussen kennis en onderwijs?"; "Is het aanleren van kennis mogelijk en zo ja, op welke manier?" In deze tekst uit de 4e eeuw v.Cr. werd ook de aanzet gegeven tot het eeuwigdurende debat tussen rationalisten en empiristen, en kwam het inzicht naar voren dat over onderwijzen gereflecteerd dient te worden.
In de Allegorie van de grot (Politeia, Boek 7) beschrijft Plato de toestand van gevangenen geketend in een grot, en hoe een van hen zich van zijn ketenen bevrijdt en geleidelijk de tocht naar het daglicht aanvangt. Hij wil ons met dit allegorisch verhaal de toestand van de mens laten zien en de rol die opvoeding en onderwijs spelen: het leren zien en de middelen aanreiken om de ketens van onwetendheid te doorbreken. Plato's educatieve filosofie is gebaseerd op zijn visie van de ideale staat, waarin het individu het best gediend is door het ondergeschikt te maken aan een rechtvaardige samenleving. In de Politeia pleitte hij ervoor om kinderen op jonge leeftijd aan de zorg van hun moeders te onttrekken en hun opvoeding verder aan de staat over te laten. Hij stond een soort kastenstelsel voor waarin kinderen van vooraanstaande burgers werden opgeleid om later belangrijke functies (filosoof, politicus) te bekleden, terwijl kinderen van lagere afkomst de opvoeding en het onderwijs kregen dat bij de sociale klasse van een soldaat of arbeider paste. Deze gedifferentieerde opvoeding zorgde er volgens Plato voor dat de staat, waarin ieder zijn rechtvaardige deel kreeg evenwichtig ('rechtvaardig’) zou zijn en goed zou functioneren omdat iedereen zijn plaats kende. Wat betreft de ‘wachters’, de soldaten, werd het lager onderwijs beperkt tot de klasse tot de leeftijd van achttien, gevolgd door twee jaar verplichte militaire training en vervolgens door het hoger onderwijs voor degenen die daartoe geschikt werden bevonden. Jongens en meisjes moesten hetzelfde soort onderwijs krijgen. Het lager onderwijs bestond uit muziek en gymnastiek, en beoogde zachte en harde kwaliteiten in het individu te harmoniseren. Op de leeftijd van twintig werd een selectie gemaakt, waarbij de besten onderricht kregen in wiskunde, geometrie, astronomie en harmonie. Na verloop van tien jaar volgde een tweede selectie, waarbij de gevorderden in aanmerking zouden komen om dialectiek en metafysica, logica en filosofie te studeren voor de komende vijf jaar. Objecten van hun studie waren de Idee van het Goede en de eerste beginselen van het Zijn. Na een legerdienst van vijftien jaar zou een man pas op 50-jarige leeftijd zijn theoretische en praktische opvoeding voleindigen.
Aristoteles Van 343 v.Chr. tot 325 v. Chr. was de filosoof (en ex-leerling van Plato) Aristoteles (384-322 v. Chr) in dienst van de koning van Macedonië waar hij diens zoon Alexander, de latere Alexander de Grote, lesgaf. In de Ethica Nicomachea en de bijbehorende Politica, zet Aristoteles zijn ideeën over opvoeding uiteen. Een mens is, aldus de filosoof, niet zomaar een dier, dat zijn leven, zijn zoè, door instinct en toeval laat leiden. Een mens heeft daarentegen een bios, hij organiseert en maakt plannen; hij leidt zijn leven. Dat kan de mens, doordat hij logos bezit; hij kan spreken en zich rekenschap geven van zijn gedachten en zich naar anderen toe verantwoorden. Omdat een mens dat kan, is hij in staat zich bewust te zijn van gewoonten en die eventueel te veranderen. Hij moet dus uitzoeken welke gewoonten bij hem passen (waarbij hij zich thuis (èthos) voelt). De gewoonten van een mens zijn vaak tegenstrijdig; door deze tegenstrijdigheden weg te nemen, ontdekt de mens wat voor hem een goed gerichte levenswandel is. In feite hebben alle mensen hetzelfde doel: ze streven naar een geslaagd leven en willen gelukkig zijn. Een groep gaat ervan uit dat het je niet zomaar in de schoot komt vallen; je moet deugdelijk zijn en hard werken en iets presteren. Een tweede groep streeft naar genot. De derde groep zijn de wetenschappers; die hun voldoening er in vinden nieuwe dingen te ontdekken. Goed leven houdt goed handelen in. Wanneer het lukt dapper te zijn en royaal goed en rechtvaardig te zijn tegenover anderen, zal dat een diepe voldoening geven. De ethiek hoeft niet ver te zoeken naar normen, volgens Aristoteles zijn die te vinden in de samenleving. Wie zijn verstand gebruikt moet ze al kennen."Hoofdstuk 12: Aristoteles als pedagoog" uit , Trefpunt Plato, een filosofische reisgids door de antieke wereld, Ambo, 1995, p. 224-243. thumb|6e-eeuwse afbeelding van Augusstinus
Augustinus van Hippo Kerkvader Aurelius Augustinus van Hippo, (354-430) was bisschop in Noord-Afrika. In zijn tijd viel het Romeinse Rijk in snel tempo ten prooi aan binnenvallende Germaanse volkeren. Augustinus ontwikkelde een theologie waarmee de Kerk goed uit de voeten bleek te kunnen toen het Romeinse Rijk in verval was. Augustinus heeft op verzoek van een diaken, Deogratias, uiteengezet wat hij belangrijk vond in geloofsoverdracht. Hij noemt hier liefde en opgewektheid (hilaritas). Opvallend is dat hij dus de nadruk legt op een goede sfeer. Hij wijst ook op het belang van non-verbale communicatie; zelfs als iemand geen woord van je tekst verstaat, dan nog zal hij de emotie meekrijgen."Christian Doctrine, lemma in Catholic Encyclopedia, 1913. Gearchiveerd op 17 juni 2023.Tekst van Augustinus: Goed onderwijs - Christendom voor beginners, Driestar Gouda, 2010, bezocht op 8-04-2012.
Augustinus’ opvoedingsfilosofie staat dus in het licht van het geloof dat het verblijf van de mens hier op aarde maar tijdelijk is, en niet meer is dan een voorbereiding op het leven dat daarna komt. Het morele karakter van de mens en zijn inzicht in het geloof moeten tijdens dit leven daarom ten volle ontwikkeld worden. Volgens Augustinus wordt de mens door zijn zintuigen bedrogen; ze leveren hem slechts onvolmaakte kennis op. De waarheid is alleen in God. Zij is absoluut en kan experimenteel niet gevonden worden. Augustinus’ opvoedingsfilosofie is autoritair: het individu moet accepteren wat de Kerk als de waarheid verklaart en is niet vrij gelijk welke richting te volgen die zijn verstand hem ingeeft. Door de erfzonde is het kind geneigd tot het kwaad, en moet het zo nodig gedisciplineerd worden.
De studie van retoriek, grammatica, logica, wiskunde, wetenschap en filosofie geven de student voldoende achtergrond om later in de theologie tot ware kennis te komen. Augustinus is voorstander van een strikte censuur van wat het kind te lezen krijgt, om te vermijden dat het zich van de deugd afkeert.
Middeleeuwen Middeleeuwse scholastiek Scholastiek domineerde het onderwijs aan de Europese middeleeuwse universiteiten van ongeveer 1100 tot 1700. Het was niet zozeer een filosofie of een theologie, dan wel een leermethode, die sterke nadruk legde op dialectisch redeneren. Het nam vaak de vorm aan van uitgebreide discussies. Een onderwerp ontleend aan de traditie werd aangesneden in de vorm van een vraag, de antwoorden van tegenstanders werden gegeven, een tegenvoorstel werd beargumenteerd en de argumenten van tegenstanders weerlegd.
Het programma van de scholastiek begon als een poging om de verschillende autoriteiten van de eigen christelijke theologie te verzoenen met de klassieke en laat-antieke filosofie, vooral die van Aristoteles maar ook van het neoplatonisme. Enkele van de belangrijkste figuren van de scholastiek zijn Anselmus van Canterbury (1033-1109), de "vader van de scholastiek" genoemd, Petrus Abaelardus (1079-1142), Albertus Magnus (1200-1280), Duns Scotus (1266-1308), Willem van Ockham (1288–1347) en Thomas van Aquino (1225-1274).
Moderne Devotie