Max Ferdinand Scheler (München, 22 augustus 1874 – Frankfurt am Main, 19 mei 1928) was een Duits-joodse filosoof bekend voor zijn werk in de fenomenologie en de wijsgerige antropologie. Hij wordt soms beschreven als de "eerste fenomenoloog", Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, MCMLII, Desclée de Brouwer, p. 159. na Edmund Husserl of de "katholieke Nietzsche." José Ortega y Gasset noemde hem "de eerste mens in het filosofisch paradijs." In zijn filosofie legt hij vooral de nadruk op begrippen als liefde, God, waarde en persoon. In zijn tijd was hij een van de bekendste en invloedrijkste filosofen, maar vandaag de dag is zijn bekendheid grotendeels verdwenen.
Leven en werk Scheler werd geboren in München in 1874 in een gezin van joodse afkomst: zijn moeder was een orthodox-joodse vrouw, terwijl zijn vader een protestantse ex-rentmeester was. In het begin van zijn leven blonk hij niet uit als student, hoewel hij wel al interesse had in de filosofie, en voornamelijk in het werk van Friedrich Nietzsche. In zijn jeugd dweepte hij ook met marxistische ideeën. Hij studeerde eerst aan de universiteit van Jena onder Rudolf Eucken. Aan de universiteit van Berlijn bezocht hij in 1895 colleges van Wilhelm Dilthey en Georg Simmel. Twee jaar later, in 1897, verkreeg hij zijn doctoraat en in 1899 zijn habilitatie. Rond deze periode bekeerde Scheler zich tot het rooms-katholieke geloof en liet zich dopen. In 1898 ontmoette hij de socioloog Max Weber in Heidelberg en hij verdiepte zich in de Franse filosofie, en voornamelijk in het werk van Henri Bergson, wiens werk grotendeels door Scheler zelf in de Duitse intellectuele kringen werd geïntroduceerd.
Hij doceerde in Jena tot 1906, waarop hij verhuisde naar de rooms-katholieke Ludwig Maximilians-Universiteit in München. Hier verdiepte hij zich voornamelijk in de fenomenologie van Edmund Husserl. Scheler had Husserl al ontmoet in 1901 in Halle,"When the present writer made the acquaintance of Husserl ... in Halle in 1901, a philosophical discussion ensued regarding the concepts of intuition (Anschauung) and perception. The writer, dissatisfied with Kantian philosophy... had come to the conviction that what was given to intuition was originally much richer in content than what could be accounted for by sensuous elements, by their derivatives, and by logical patterns of unification. When he expressed this opinion to Husserl and remarked that this insight seemed to him a new and fruitful principle for the development of theoretical philosophy, Husserl pointed out at once that in a new book of logic, to appear presently, [i.e. Logische Untersuchungen, Volume II] he had worked out an analogous enlargement of the concept of intuition (kategoriale Anschauung). The intellectual bond between Husserl and the writer, which has become so extraordinarily fruitful for him, dates back to this moment." Max Scheler, "Die deutsche Philosophie der Gegenwart", G.W. VII, p. 308, vertaald in H. Spielberg, The Phenomenological Movement, vol. I, Den Haag: Nijhoff, 1960, p. 229 en in 1902 aan de Maarten Luther-Universiteit en in München doceerde in die tijd ook Husserls leermeester Franz Brentano. Scheler trad hier toe tot de "fenomenologische kring" met onder anderen M. Beck, Th. Conrad, J. Daubert, M. Geiger, Dietrich von Hildebrand, Theodor Lipps en Alexander Pfänder. De relatie tussen Scheler en Husserl was eerder afstandelijk en hij stond dan ook kritisch tegenover Husserls Logische Untersuchungen (1900-1901) en Ideen I (1913). Een gelijkaardige houding had hij ook tegenover Martin Heideggers Sein und Zeit (1927).
In 1910 moest hij deze universiteit verlaten vanwege een controverse rond overspel en zijn scheiding met zijn eerste vrouw Amalie von Dewitz."Max Scheler", Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica Online, Encyclopædia Britannica Inc., 2012, bezocht op 12-09-2012. In 1912 trouwde hij opnieuw, namelijk met Märit Furtwängler, de zus van Wilhelm Furtwängler. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd hij aanvankelijk opgeroepen, maar later geweigerd vanwege astigmatisme van de ogen. Dit weerhield hem er echter geenszins van om actief te dwepen met het oorlogsbegin, zoals zovele intellectuelen destijdsFlasch, Kurt, Die geistige Mobilmachung: die deutschen Intellektuellen und der Erste Weltkrieg; ein Versuch, (Berlin, Alexander Fest Verlag, 2000), pag.103 e.v.. In de volgende jaren hield hij lezingen in koffiehuizen en andere locaties in Göttingen buiten het academisch milieu. Dit waren ondanks de financiële moeilijkheden zeer productieve jaren voor Scheler: zijn eerste grote werken, Zur Phänomenologie und Theorie der Sympathiegefühle und von Liebe und Haß (1913) en Der Formalismus in der Ethik und die materiale Wertethik (1913 - 1916), verschenen in deze periode. In Göttingen kwam hij ook in contact met denkers als Hedwig Conrad-Martius, Moritz Geiger, Jean Hering, Roman Ingarden, Alexandre Koyré, Adolf Reinach en Edith Stein. Vervolgens verhuisde hij voor een korte periode naar Berlijn, als onafhankelijk schrijver, en werd bevriend met Walther Rathenau en Werner Sombart.
Later, in 1919, verkreeg hij dan toch weer een baan als professor, nu in de filosofie en sociologie aan de universiteit van Keulen. Hier schreef hij het religieuze werk Vom Ewigen im Menschen (1921) en werd bevriend met Otto Dix. Vanaf 1921 deed er zich echter een verschuiving voor in zijn persoonlijk leven, grotendeels door zijn tweede scheiding en zijn derde huwelijk, en liet hij het katholiek geloof achter zich., Max Scheler's acting persons: new perspectives, 2002, p.6. Bezocht op 12-09-2012. Hierdoor verschoof zijn aandacht naar de wijsgerige antropologie. Uiteindelijk accepteerde hij in 1928 nog een baan als professor aan de universiteit van Frankfurt, maar stierf vooraleer hij deze functie kon uitoefenen. Tijdens zijn laatste jaren was zijn gezondheid sterk achteruit gegaan, grotendeels te wijten aan het feit dat hij een kettingroker was. Hij stierf op 19 mei 1928 aan een hartaanval in het ziekenhuis te Frankfurt. Ondanks het feit dat hij in de jaren 20 bekendstond als een van de meest vooraanstaande filosofen uit de hedendaagse filosofie, verdween zijn reputatie snel na zijn dood, gedeeltelijk door onderdrukking door het opkomend nazisme na 1933 vanwege zijn joodse achtergrond. & , "Max Scheler", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011, bezocht op 13-09-2012.
Zijn denken kan opgedeeld worden in drie periodes. In de eerste periode stond hij sterk onder de invloed van de levensfilosofie, voornamelijk die van zijn leermeester Rudolf Eucken, maar ook van Friedrich Nietzsche, Wilhelm Dilthey en Henri Bergson. Naast deze invloeden van de levensfilosofie, had hij ook sterke interesse in het Amerikaans pragmatisme (Eucken onderhield zo ook een uitgebreide correspondentie met William James). In de tweede periode, van 1913 tot 1922, verschenen zijn grootste werken zoals Der Formalismus in der Ethik und die materiale Wertethiek (1913-1916), Vom Umsturz der Werte (1919) en Vom Ewigen im Menschen (1921). Deze periode van Schelers denken werd getypeerd door een sterk personalisme en christelijk theïsme. In zijn derde periode verliet hij zijn vroegere geloof en liet het theïsme achter zich. Dit is terug te vinden in Die Wissensformen und die Gesellschaft (1926), maar vooral in Die Stelling des Menschen im Kosmos (1928). De nadruk verschuift van de relatie Ik-God naar de mens zelf. Door zijn vroegtijdige dood kon hij echter deze nieuwe visie niet geheel meer uitwerken.
Filosofie Als filosoof wordt hij geplaatst binnen de fenomenologie. Hij is de voortzetter van de filosofische methode van de oprichter van de fenomenologie, Edmund Husserl, van wie ook Martin Heidegger leerling en Edith Stein (later zuster Teresa Benedicta van het Kruis) assistente en volgelinge was.
Kennistheorie In zijn kennistheorie stelt Scheler dat er drie soorten kennis zijn: inductieve kennis: dit is de kennis van de positieve wetenschappen en zij vindt haar oorsprong in de heersersdrang en heeft de 'werkelijkheid' als object. Volgens Scheler raakt deze kennis nooit tot definitieve wetten. De buitenwereld bestaat dus voor Scheler, maar in de zin zoals Wilhelm Dilthey het beschrijft: de buitenwereld bewijst dat ze bestaat door en slechts in de weerstand die wij ondervinden in ons leven. a priori kennis: in navolging van Immanuel Kant stelt Scheler dat er ook a priori kennis is, kennis die enkel door het verstand zelf tot stand komt. Binnen deze kennis wordt het hele driftleven en het reële bestaan van de dingen rondom ons uitgeschakeld en richten we ons enkel op "wezen" van de objecten: hoe ze aan ons verschijnen. Het a priori komt echter niet overeen met het rationele, maar ook het emotionele valt onder dit a priori (deze stelling staat bekend als emotioneel apriorisme). metafysische/religieuze kennis (Heilwissen): eens men deze twee voorgaande vormen van kennis combineert dan krijgt met metafysische of religieuze kennis. Vragen die hieronder vallen zijn de grensproblemen tussen de verschillende wetenschappen (bijvoorbeeld de vraag 'Wat is leven?') of vragen rond de metafysica van het absolute. Onder deze metafysica verstaat hij echter een vorm van wijsgerige antropologie (met bijvoorbeeld de vraag 'Wat is de mens?').
Emotioneel apriorisme Zoals reeds gesteld is de mens in staat om "a priori kennis" te vergaren. Onder dit soort kennis valt niet enkel het rationele van de mens, maar ook het emotionele en het ethische. Het voorwerp van deze a priori, dus zonder tussenkomst van enige ervaring, kennis, is volgens Scheler de "waarde". De mens is in staat om de ethische waarden aan te voelen op basis van zijn emoties en intuïtie. Als een man beslist zijn leven te riskeren voor een ander persoon, doet hij dat niet zozeer uit rationele overwegingen, maar wordt hij intuïtief aangesproken door een waarde. Ethische waarden zijn voor Scheler ook absoluut: ze bestaan op zichzelf als onveranderlijke kwaliteit. De ethiek en haar waarden is dan ook niet relatief, maar slechts onze kennis van die waarden. Hij zet zich dan ook sterk af tegen het ethisch nominalisme, dat stelt dat waarden op ervaring gebaseerd zijn, het moreel relativisme en ethisch formalisme dat vertrekt van abstracte ethische principes (zoals de deontologie).
Verder maakt Scheler het onderscheid binnen het menselijk gedrag tussen het streven, het doel (Zweck), de bedoeling (Ziel) en de waarden. Onder het doel verstaat Scheler de inhoud van een handeling die zintuiglijk wordt voorgesteld, die gerealiseerd moet worden. Een bedoeling is dan weer iets dat niet wordt voorgesteld, maar op basis van een waarde. Een waarde is de onmiddellijke inhoud van een bedoeling. Elk streven heeft dan volgens Scheler ook altijd een bedoeling (bezit een waarde), maar geen doel (een voorstelling van het resultaat). Vele handelingen kom zo niet voort uit een doel, maar doordat de persoon in kwestie aangesproken wordt door een specifieke waarde.
De stelling "de mens streef altijd naar genot" is volgens Scheler dan ook verkeerd omdat deze stelling er van uitgaat dat elke streving ook een doel (namelijk het inbeelden van de genotstoestand) nodig heeft, terwijl ze echter ook met enkel een bedoeling kan plaatsvinden. Het menselijk handelen is dan volgens Scheler ook vooral gericht op waarden en niet zozeer op doelen. Er zijn verder drie groepen van waarden: zintuiglijke waarden: geformuleerd in termen van lust en onlust vitale waarden: geformuleerd in termen van het edele en het gemene geestelijke waarden: geformuleerd in termen van het schone, het goddelijk, het rechtvaardige en het lelijke, goddeloze en onrechtvaardige. Ook maakt Scheler verschillende classificaties op basis van de "dragers" van de waarden: zo zijn er enerzijds persoonswaarden en anderzijds zaakwaarden. Zaakwaarden zijn dan waarden die verbonden zijn met voorwerpen zoals werktuigen of cultuurgoederen.
Persoon en gemeenschap