Megaloceros giganteus is een grote uitgestorven hertachtige die gekenmerkt werd door een enorm schoffelvormig gewei bij het mannetje. Het dier is vooral bekend geworden door indrukwekkende vondsten uit Ierland ('Irish Elk'), maar het had een ruime verspreiding in zowel Europa, Azië als Noord Afrika. Het leefde tijdens het Pleistoceen en het vroege Holoceen., 1950. Nederland in het IJstijdvak. De Haan, Utrecht. 289 pp. De fossielen spraken vroeger sterk tot de verbeelding, en het reuzenhert heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het denken over evolutie en extinctie.Gould, S. J. (1977). The misnamed, mistreated, and misunderstood Irish elk: Ever Since Darwin: Reflections in Natural History. S. J. Gould. New York, W. W. Norton.: 79-90.

Evolutie, lichaamsbouw en gedrag Het reuzenhert maakte deel uit van de, tot voor kort, zeer succesvolle geslachtengroep de Megacerini, die zich sinds het Mioceen ontwikkeld heeft van kleine warmteminnende bosbewoners tot Pleistocene giganten van meer open en noordelijke gebieden. In Oost-Azië leefde het verwante geslacht Sinomegaceros, terwijl op veel eilanden in de Middellandse Zee dwergvormen voorkwamen.Caloi, L. and M. R. Palombo (1995). Functional-Aspects and Ecological Implications in Pleistocene Endemic Cervids of Sardinia, Sicily and Crete. Geobios 28(2): 247-258. Er waren dus 'dwergreuzenherten'! De Megacerini zijn recentelijk volledig uitgestorven. De meest verwante nog levende soort is het damhert.Lister, A. M., C. J. Edwards, D. A. W. Nock, M. Bunce, I. A. van Pijlen, D. G. Bradley, et al. (2005). The phylogenetic position of the 'giant deer' Megaloceros giganteus. Nature 438(7069): 850-853. Het reuzenhert had een maximale schofthoogte van ongeveer twee meter in westelijke populaties tot 2,1 meter meer oostelijkVislobokova, I. A. (2012). Giant Deer: Origin, Evolution, Role in the Biosphere. Paleontological Journal 46(7): 643-775, bijna zo groot als een eland. Het was dus niet het grootste hert dat we kennen, dat was waarschijnlijk de aan de eland verwante uitgestorven Cervalcus latifrons.Breda, Marzia (2010). "Cervalces latifrons". Natural History Museum. Opgehaald 2014-04-11. Het was wel het hert met het grootste gewei. Oudere opgaven gaan tot een spanwijdte van 4,3 meterBlumenbach, J. (1799). Handbuch der naturgeschichte 16., maar recente auteurs komen op maximaal 3,6 meter.Stuart, A. J., P. A. Kosintsev, T. F. G. Higham and A. M. Lister (2004). Pleistocene to Holocene Extinction Dynamics in Giant Deer and Woolly Mammoth. Nature 431: 684-689 Het record voor een bestaande hertachtige staat op naam van een eland uit Alaska met 2,1 meter en zelfs Cervalces latifrons haalde maar 2,5 meter. Het gewei van het reuzenhert kon zo’n veertig kilogram wegen.Moen, R. A., J. Pastor and Y. Cohen (1999). Antler growth and extinction of Irish elk. Evolutionary Ecology Research 1(2): 235-249. Voor de jaarlijkse vorming ervan waren grote hoeveelheden calcium en fosfor nodig, wat deels aan de beenderen onttrokken werd, hetgeen de dieren voor het aanbreken van de winter verzwakt kan hebben. Tijdens het hoogtepunt van de cyclus moet het gewei met een paar centimeter per dag zijn gegroeid.Barnosky, A. D. (1986). "Big game" extinction caused by late pleistocene climatic-change - Irish elk (Megaloceros giganteus) in Ireland. Quaternary Research 25(1): 128-125 De botten van schedel en onderkaak waren uitzonderlijk dik en compact (pachyostose).Lister, A. M. (1994). The evolution of the giant deer, Megaloceros giganteus (Blumenbach). Zoological Journal of the Linnean Society 112(1-2): 65-100, Er wordt wel aangenomen dat dat diende voor de opslag van mineralen nodig voor de groei van het gewei. Daar wordt echter tegenin gebracht dat pachyostose ook bij vrouwtjes voorkwam en er geen aanwijzingen zijn voor resorptie.van der Made, J. and H. W. Tong (2008). Phylogeny of the giant deer with palmate brow tines Megaloceros from west and Sinomegaceros from east Eurasia. Quaternary International 179: 135-162

Bijna iedere evolutietheoreticus heeft het reuzenhert gebruikt om zijn theorieën te illustreren. Het ging daarbij vooral om het gewei, waarbij lange tijd het idee overheerste dat het gewei groter was dan goed was voor het dier. Antidarwinisten die de orthogenesistheorie aanhingen zagen dat als een argument tegen natuurlijke selectie. Volgens hen volgt evolutie een ingebouwd rechtlijnig traject dat natuurlijke selectie niet kon ombuigen. Dat had bij het reuzenhert geresulteerd in een steeds groter niet-functioneel gewei dat zelfs tot zijn ondergang kon hebben geleid. Darwinisten reageerden aanvankelijk met een redenering gebaseerd op allometrie, uitgaande van een vaststaand verband tussen lichaamsgrootte en geweiomvang. Grote herten hebben daardoor een disproportioneel groot gewei. Een groot lichaam zou daarbij voor het reuzenhert voordelig zijn geweest, ondanks dat het gepaard ging met het (kleine) nadeel van een te groot gewei. Later werd ingezien dat geweiomvang evolutionair labiel is en dat het enorme gewei daarom toch adaptief moet zijn geweest. Er bestaat daarbij wel verschil van mening over de functie ervan. Voor bescherming tegen roofdieren zal het niet gediend hebben. Vrouwtjes hadden geen gewei en herten verdedigen zich in het algemeen door trappen. Volgens Stephen Jay Gould was het ook te zwaar en onhandig voor onderlinge gevechten en diende het alleen om visuele indruk te maken op vrouwtjes en rivalen. Kitchener, daarentegen, beargumenteerde dat, net zoals bij andere herten, mannetjes hun geweien wel degelijk gebruikten voor onderlinge gevechten. Ze zouden met de kop omlaag en de kin ingetrokken de geweien in elkaar hebben laten grijpen, waarna het de bedoeling was de tegenstander uit balans te brengen en/of te verwonden. De oogtak van het gewei moest daarbij de ogen beschermen.

Voorkomen in plaats en tijd Het reuzenhert leefde voornamelijk in open bossen en bossteppenVislobokova, I. A. (2011). Historical Development and Geographical Distribution of Giant Deer (Cervidae, Megacerini). Paleontological Journal 45(6): 674-688, maar was flexibel in zijn habitatgebruik. Zo bewoonde het in Scandinavië tijdens de laatste ijstijd ook de boomloze mammoetsteppe tot 200–250 kilometer van het ijsfront, in ieder geval tijdens de zomer.Aaris-Sorensen, K. and R. Liljegren (2004). Late Pleistocene remains of giant deer (Megaloceros giganteus Blumenbach) in Scandinavia: chronology and environment. Boreas 33(1): 61-73. Ook op de bodem van de droogstaande zuidelijke Noordzee kwamen toen reuzenherten voor. Tijdens eerdere interglacialen kwamen er ook bosvormen voor met een kleiner en meer rechtopstaand gewei, met een spanwijdte van maar 1,30 tot 1,95 meter. Vergeleken met moderne herten bevatte het dieet meer grassen en kruiden en minder bladeren van bomen en struiken.Chritz, K. L., G. J. Dyke, A. Zazzo, A. M. Lister, N. T. Monaghan and J. D. Sigwart (2009). Palaeobiology of an extinct Ice Age mammal: Stable isotope and cementum analysis of giant deer teeth. Palaeogeography Palaeoclimatology Palaeoecology 282(1-4): 133-144. Bij uit de Noordzee opgebaggerde kiezen is onderzoek gedaan naar het in diepe kiesplooien nog aanwezige plantenmateriaal. Het stuifmeel wees op een dieet van Artemisia en andere composieten, naast grassen en andere kruidachtige planten van een koud open steppelandschap. Er zijn in heel Europa fossielen van deze soort gevonden. De jongste zijn met C14 gedateerd op 9430 ± 65 jaren BP. Daarnaast worden jongere dateringen gemeld uit het Aziatische Oeralgebied van ongeveer 7650 jaren BP. Uit de dateringen blijkt dat het reuzenhert ongeveer gelijktijdig met de wolharige mammoet geleefd heeft. Veel mooie fossielen van het reuzenhert zijn in Ierland gevonden in mergellagen onder veenmoerassen.Hart, J. (1825). A Description of the Skeleton of the Fossil Deer of Ireland, Cervus megaceros; drawn up at the instance of the Committee of Natural Philosophy of the Royal Dublin Society. R. Graisberry, Printer to the Royal Dublin Society, Dublin. Ze werden daar bij de turf- en mergelwinning aangetroffen en zijn ongeveer 11.000 jaar oud, uit de tijd van het Allerød. Deze vondsten betreffen vrijwel uitsluitend mannelijke dieren. Daarbij zou een rol kunnen spelen dat resten van vrouwelijke dieren fragieler zijn. Een andere verklaring is echter dat, net zo als bij veel huidige herten, de beide seksen gedurende een deel van het jaar gescheiden leefden, waarbij de vrouwtjes tijdens de winter zich op hoger gelegen terrein ophielden terwijl de mannetjes dan dicht bij meren en moerassen zaten, waar hun resten beter bewaard bleven.Kitchener, A. C. (1987). Fighting behavior of the extinct Irish elk. Modern Geology 11: 1-28 Mogelijk is een groot deel van een mannelijke populatie daar omgekomen., 2008. Mammoeten, neushoorns en andere dieren van de Noordzeebodem. Kleine encyclopedie van het leven in het Pleistoceen. De Wetenschappelijke Bibliotheek 94: 233 pp. (Uitgave van Natuurwetenschap & Techniek) Uitg. Veen Magazines B.V., Diemen, . De reusachtige Ierse geweien waren een gewilde decoratie voor de kastelen van de Britse adel. Een uitzonderlijk fraai exemplaar werd zelfs aangeboden aan stadhouder-koning Willem III.Molyneux, T. (1697). A discourse concerning the large horns frequently found under ground in Ireland, concluding from them that the Great American Deer, Call’d a Moose, was formerly common in that Island: with remarks on some other things natural to that Country. 19, 489- 512. Philosophical Transactions of the Royal Society B-Biological Sciences 19: 489- 512.

Het reuzenhert was vooral een dier van een gematigd klimaat.Pushkina, D. (2007). The Pleistocene easternmost distribution in Eurasia of the species associated with the Eemian Palaeoloxodon antiquus-assemblage. Mammal Review 37(3): 224-245. Tijdens vroegere interglacialen had het een enorme verspreiding, van Ierland tot aan het Baikalmeer. Het leefde daar samen met andere vertegenwoordigers van een niet te koud klimaat, zoals bosolifant, edelhert, ree, oeros en damhert. Zijn resten worden echter ook wel aangetroffen samen met die van een meer 'koude' fauna zoals mammoet, wolharige neushoorn en rendier, waaruit zijn relatief grote klimaatstolerantie blijkt. Tijdens extreem koude perioden trok het reuzenhert zich terug in het mediterrane gebied en op de Balkan. Vreemd genoeg ontbrak het gedurende het hoogtepunt van het laatste glaciaal in het westelijke Middellandse Zeegebied, hoewel het lokale milieu wel geschikt leek. Misschien hing dat samen met de aanwezigheid van de moderne mens daar. Bij de opwarming daarna wordt tussen ongeveer 12.500 en 12.000 BP Noordwest-Europa weer gekoloniseerd vanuit het oosten. Merkwaardig is weer dat Midden- en Zuid-Europa daarbij worden overgeslagen ondanks voldoende open bos. Ongeveer 10.000 BP verdwijnt het reuzenhert definitief uit Europa tijdens de koude periode van de Jonge Dryas.

In Nederland zijn diverse vondsten van reuzenhertfossielen gedaan. In een bouwput voor een sluis in het Twentekanaal bij Hengelo werden resten van het reuzenhert samen met resten van wolharige mammoet, wolharige neushoorn, rendier, edelhert en paard gevonden in een zandige afzetting boven een laag waarvan de ouderdom op grond van stuifmeelonderzoek in het Eemien geplaatst werd. Een deel van een schedel gevonden op 2,5 meter diepte in een zandafgraving bij de Koerhuisbeek ten zuiden van Deventer toont sporen van menselijke bewerking., 1940. The excavation at Koerhuisbeek, Deventer, Netherlands 1935-1937. Cadastre C2, N3, 632-640. Proceedings Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 1, 43(1): 96-103. Een selectie vondsten wordt tentoongesteld in Naturalis, samen met een compleet skelet van een mannelijk exemplaar uit het Ballybetagh Bog in Ierland.