thumb|Pagina uit het plantkundige hoofdstuk thumb|Pagina uit het biologische hoofdstuk thumb|Pagina uit het biologische hoofdstuk thumb|Pagina uit het astronomische hoofdstuk

Het Voynichmanuscript is een mysterieus, geïllustreerd handschrift met een onbegrepen inhoud. Het werd in de 15e eeuw door een onbekende auteur geschreven. Het schrift, geschreven in een onbekende taal of code, werd anno 2025 nog niet ontcijferd.

De tekst heeft vele cryptografen geïntrigeerd, maar er werd nog geen een enkel woord ontcijferd. De verschillende mislukte pogingen hebben het Voynichmanuscript tot de heilige graal van de cryptografie gemaaktIs de code van het mysterieuze Voynichmanuscript gekraakt?, VRT NWS, 15 mei 2019, maar ook het vermoeden versterkt dat het niets anders is dan een opeenvolging van betekenisloze lettertekens.

Het boek is vernoemd naar de Pools-Amerikaanse boekhandelaar Wilfrid M. Voynich, die het in 1912 in handen kreeg. Op dit moment is het eigendom van de Yale-universiteit. De eerste facsimile-editie werd uitgegeven in 2005.Le Code Voynich, het hele manuscript uitgegeven met een korte presentatie in het Frans, ed. Jean-Claude Gawsewitch, (2005)

Beschrijving Het boek bestaat uit zo'n 240 bladen vellum; er zijn enkele gaten in de bladzijdenummering (die blijkbaar later is toegevoegd), wat aangeeft dat er al enkele pagina's ontbraken toen Voynich het manuscript in handen kreeg. De tekst en de illustraties zijn gemaakt met een ganzenveer. De illustraties zijn – mogelijk later – ingekleurd met verf.

Illustraties De illustraties geven weinig duidelijkheid over de inhoud van de tekst, maar wekken de indruk dat het boek uit een zestal hoofdstukken bestaat, elk met eigen onderwerpen en een eigen stijl. De secties worden meestal als volgt benoemd:

Plantkundig – op elke pagina staat een plant (soms twee planten) en enkele alinea's tekst, iets wat ook gangbaar was in de gedrukte plantenboeken (herbaria) van die tijd. Sommige delen zijn grotere kopieën van tekeningen in de farmaceutische sectie (zie hieronder). Astronomisch – de tekeningen bestaan uit cirkelvormige diagrammen, sommige met zonnen, manen en sterren. Ze wekken de indruk van astronomie of astrologie. Een serie van twaalf diagrammen toont de traditionele tekens van de dierenriem. Elk van deze symbolen is omgeven door precies dertig vrouwenfiguren, de meeste naakt, die een ster vasthouden. De laatste twee bladen van deze sectie (met de Steenbok en de Waterman) zijn verloren gegaan, terwijl de Ram en de Stier in vier gepaarde diagrammen zijn gesplitst, met elk vijftien sterren. Sommige diagrammen staan op uitklapbladen. Biologisch – dichtbeschreven bladzijden afgewisseld met afbeeldingen van meestal naakte vrouwen, in badkuipen die soms verbonden zijn door een uitgebreid netwerk van pijpen. Sommige van de pijpen lijken gevormd als lichaamsorganen. Kosmologisch – ronde diagrammen met een onduidelijke betekenis. Deze sectie heeft vier uitklappagina's; een daarvan is zes pagina's groot en vormt een soort van plattegrond of diagram met negen eilanden, verbonden door verhoogde wegen, en met kastelen en misschien een vulkaan. Farmaceutisch – veel gemerkte plantendelen (bladeren, wortels enzovoort). Langs de kantlijn staan voorwerpen getekend die op apotheekvaten lijken. Enkele alinea's tekst. Recepten – veel korte alinea's, elk gemarkeerd met een bloemachtig of sterachtig teken.

Tekst De tekst is duidelijk van links naar rechts geschreven, te zien aan de onregelmatige rechterkantlijn. Langere gedeelten zijn onderverdeeld in alinea's, soms met opsommingstekens. Leestekens ontbreken. Het schrift is vloeiend, alsof de schrijver een goede beheersing had van het onderwerp.

De tekst bestaat uit ongeveer 170.000 lettertekens, meestal van elkaar gescheiden door een smalle ruimte. De meeste lettertekens zijn geschreven met een of twee eenvoudige halen. Er zijn twintig tot dertig verschillende lettertekens; het precieze aantal is onderhevig aan enige discussie. Daarnaast zijn er enkele tientallen lettertekens die slechts een- of tweemaal worden gebruikt.

De tekst bevat ongeveer 35.000 woorden van verschillende lengte. De woorden lijken fonetische of spellingsregels te volgenMysterieus 15e-eeuws "nonsens-manuscript" bevat "geen nonsens", deredactie.be, 23 juni 2013: bepaalde lettertekens moeten in elk woord voorkomen (zoals elk woord in het Nederlands een klinker moet hebben), sommige lettertekens komen nooit na een andere, sommige kunnen verdubbeld worden en andere niet.

Statistische analyses laten zien dat de tekst patronen volgt die vergelijkbaar zijn met die in natuurlijke talen. Bijvoorbeeld: de woordfrequentie vertoont een zipfdistributie en de woordentropie (tien bits per woord) is vergelijkbaar met bijvoorbeeld die van het Engels en het Latijn. Sommige woorden worden alleen in bepaalde secties gebruikt of op een klein aantal pagina's, andere komen door de hele tekst voor. Er zijn heel weinig herhalingen bij de bijschriften van de tekeningen. In de plantkundige sectie is elk eerste woord van een pagina uniek en duidt het mogelijk de naam van de plant aan.

Anderzijds is de tekst in een aantal opzichten erg verschillend van de Europese talen. Er zijn bijvoorbeeld vrijwel geen woorden met meer dan tien "letters" en er zijn ook vrijwel geen woorden van één of twee letters. De positie van de letters in de woorden is ook opvallend. Sommige letters worden alleen aan het begin van een woord gebruikt, andere alleen aan het eind en weer andere alleen midden in een woord. Een soortgelijk patroon wordt ook gevonden in het Arabisch (waar dezelfde letter verschillende vormen aanneemt naargelang de positie in het woord), maar niet in het Latijnse of Cyrillische alfabet.

In de tekst komen meer herhalingen van woorden voor dan in Europese talen; een veelgebruikt woord wordt soms drie maal achtereen herhaald. Ook worden vaak woorden na elkaar gebruikt die slechts één letter van elkaar verschillen. De gebruikte "woordenschat" is kleiner dan hij statistisch zou moeten zijn.

thumb|Rudolf II, Keizer van het Heilige Roomse Rijk en Koning van Bohemen

Geschiedenis Tot begin 2011 lag de enige bruikbare aanwijzing voor de ouderdom van het manuscript in de illustraties, want de tekst is niet ontcijferd en het schrift lijkt niet op iets bekends. Om die reden werd voor de datering gekeken naar de kleren en de kapsels op de verschillende tekeningen in het manuscript. Deze zijn allemaal typisch Europees en volgens de meeste experts conform de kleding die werd gedragen in de periode tussen 1450 en 1520. Deze datering werd ondersteund door andere aanwijzingen. Op 9 februari 2011 meldde de Universiteit van ArizonaUA Experts Determine Age of Book 'Nobody Can Read' dat door een van haar medewerkers een C14-datering op het perkament was uitgevoerd. Volgens dit bericht dateert het materiaal uit het begin van de 15e eeuw, een eeuw eerder dan tot dan toe werd aangenomen.

De eerste persoon van wie is bewezen dat hij het manuscript in eigendom had, was Georg Baresch (ook bekend als Georgius Barschius), een obscure alchemist die in het begin van de zeventiende eeuw in Praag woonde. Baresch was bijzonder geïntrigeerd door dit boek, dat jarenlang in zijn bibliotheek lag. Toen hij hoorde dat Athanasius Kircher een Koptisch woordenboek had gepubliceerd en beweerde de Egyptische hiërogliefen te hebben ontcijferd, stuurde hij een kopie van een deel van het manuscript naar hem toe. De begeleidende brief aan Kircher uit 1639 is de oudst bekende vermelding van het manuscript.

Het is niet bekend of Kircher op de brief is ingegaan, maar hij was dermate geïnteresseerd in het manuscript dat hij het in bezit wilde krijgen. Baresch weigerde. Na de dood van Baresch kwam het manuscript in bezit van zijn vriend Jan Marek Marci (Johannes Marcus Marci), de toenmalige rector van de Karelsuniversiteit in Praag. Hij stuurde het manuscript onmiddellijk naar Kircher, met wie hij reeds lang bevriend was en correspondeerde. Marci's begeleidende brief uit 1666 is nog steeds aan het manuscript bevestigd. In die brief staat onder meer dat het manuscript voor 600 dukaten door keizer Rudolf II was gekocht en dat deze ervan uitging dat het manuscript was geschreven door Roger Bacon.

Het is onduidelijk wat er in de volgende tweehonderd jaar met het manuscript is gebeurd. Waarschijnlijk werd het, samen met de rest van de correspondentie van Kircher, bewaard in de bibliotheek van de Pontificia Università Gregoriana. Het bleef daar waarschijnlijk totdat de troepen van Victor Emanuel II van Italië de stad in 1870 veroverden en de Kerkelijke Staat bezetten. De nieuwe Italiaanse regering confisqueerde veel eigendommen van de kerk, inclusief de bibliotheek. Volgens onderzoek van Xavier Ceccaldi en anderen werden veel boeken vlak voor de confiscatie naar persoonlijke bibliotheken van de faculteit overgebracht, waar ze veilig waren. De correspondentie van Kircher hoorde hierbij, en kennelijk ook het Voynichmanuscript, want het ex libris van Peter Jan Beckx, de toenmalige rector van de universiteit en hoofd van de jezuïeten, staat nog steeds in het manuscript.

De privébibliotheek van Beckx werd verplaatst naar de Villa Mondragone in Frascati, een groot paleis bij Rome, dat in 1866 door de jezuïeten was gekocht en dat het hoofdkwartier was van het Collegio Ghisleri van de jezuïeten.

In 1912 had het Collegio Romano kennelijk geld nodig en besloot hij om zeer discreet enige objecten uit de bibliotheek van de hand te doen. Wilfrid Voynich kocht dertig manuscripten, waaronder datgene dat nu zijn naam draagt. Na zijn dood in 1930 erfde zijn weduwe, Ethel Lilian Voynich, het manuscript. Zij overleed in 1960 en liet het na aan haar vriendin Anne Nill. In 1961 verkocht deze het aan de boekhandelaar Hans P. Kraus. Omdat hij er geen koper voor kon vinden, doneerde hij het in 1969 aan de Yale-universiteit.

thumb|Roger Bacon thumb|John Dee thumb|Rafael Mišovský

Hypothesen over het auteurschap Er zijn veel namen genoemd voor het auteurschap. Hieronder volgen de belangrijkste.

Roger Bacon In de brief van Marci aan Kircher schrijft hij dat het boek volgens zijn vriend Rafael Mišovský voor 600 dukaten is gekocht door keizer Rudolf II van Bohemen (1552–1612). Volgens de brief geloofde Rudolf (of mogelijk Raphael) dat het werk was geschreven door de franciscaan en homo universalis Roger Bacon (1214–1294).

Hoewel Marci schreef dat hij zijn oordeel nog in beraad hield, nam Voynich het heel serieus en probeerde hij het te verifiëren. Zijn overtuiging had tachtig jaar lang grote invloed op de pogingen het manuscript te ontcijferen. Experts die het manuscript bekeken en die vertrouwd waren met het werk van Bacon, sloten Bacon uit als auteur. Het is belangrijk om te beseffen dat Rafael Mišovský in 1644 overleed en dat de transactie heeft plaatsgevonden vóór Rudolfs afzetting in 1611, minstens 55 jaar voordat Marci zijn brief schreef.

John Dee De veronderstelling dat Roger Bacon de auteur was, leidde Voynich tot de conclusie dat het John Dee, een wiskundige en astroloog aan het hof van koningin Elisabeth I, was die het manuscript aan Rudolf had verkocht. Van John Dee is bekend dat hij een groot aantal werken van Roger Bacon in zijn bezit heeft gehad. Hij en zijn assistent in occulte zaken, Edward Kelley, woonden enkele jaren in Bohemen, in de hoop dat ze hun diensten aan de keizer konden verkopen. De dagboeken die John Dee zorgvuldig bijhield, maken echter geen melding van het manuscript en dat maakt de hypothese vrij onwaarschijnlijk. Hoe het ook zij, als de auteur niet Roger Bacon is, dan verdwijnt ook John Dee uit beeld, tenzij hij het zelf geschreven heeft en in de hoop het voor goed geld te kunnen verkopen, het gerucht heeft verspreid dat het van Roger Bacon was.

Edward Kelley thumbnail|Edward Kelley|left