De Bijbelwetenschap is de wetenschappelijke bestudering van de ontstaansgeschiedenis, de betekenis en de ontvangst van de Bijbelse geschriften, inclusief verwante apocriefe geschriften. De Bijbelwetenschap is een interdisciplinair onderzoeksveld tussen onder andere de literatuurwetenschap en de theologie en maakt gebruik van taalkundige, letterkundige, geschiedkundige en archeologische instrumenten.

De historisch-kritische methode is sinds de 18e eeuw de norm in de Bijbelwetenschap. Soms worden daarom termen zoals historisch-kritische methode, historisch-kritische exegese en historisch-kritisch onderzoek gebruikt als synoniemen voor de 'moderne' Bijbelwetenschap.

Terminologie Definities Volgens het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap bestond de Bijbelwetenschap oorspronkelijk uit drie bezigheden: tekstkritiek: het vaststellen van de juiste tekst van de Bijbel; etymologie: het onderzoek naar de woordbetekenissen van het Hebreeuws en Grieks (de talen waarin de Bijbel is geschreven); en exegese: de uitleg van de Bijbel.

De moderne Bijbelwetenschap die in de 18e en 19e eeuw (onder invloed van de Verlichting) is ontstaan voegde daar de Historisch-kritische methode aan toe vanuit het principe dat de Bijbel volgens dezelfde regels en methoden als andere oude teksten diende te worden bestudeerd en dus een gelijkwaardige behandeling kreeg. De historisch-kritische methode heeft als voornaamste doel om te beschrijven welke boodschap een auteur in zijn historische context wilde overbrengen. Met name sinds de verlichting leeft het besef dat het belangrijk is de oorspronkelijke strekking van een tekst te kennen in plaats van een tekst kritiekloos op de klank af te gebruiken. De aanduiding historisch-kritisch verwijst naar de combinatie van twee basisaannamen van deze hermeneutische methode: Historisch is deze methode, omdat zij ervan uitgaat dat de te onderzoeken tekst een geschiedenis heeft. Een tekst kan verschillende edities hebben of samengesteld zijn uit oudere teksten. Een tekst is ontstaan in een bepaalde historische situatie. Een resultaat van deze benadering is bijvoorbeeld, dat de regel “oog om oog, tand om tand” (Exodus 21:24) in zijn historische context een stap vooruit was omdat het ongetemde wraak indamde. En Jezus bijvoorbeeld is geen boventijdelijke figuur, maar was een Jood uit Galilea. Kritisch is deze methode, omdat zij van algemeen inzichtelijke criteria voor het wetenschappelijk onderzoek van teksten uitgaat. Het betekent dat het is gebaseerd op de algemeen inzichtelijke criteria voor het wetenschappelijk onderzoek van teksten. Zo moet iedere stap in het onderzoek voor anderen na te gaan zijn en is het niet toegestaan zich te beroepen op een bovennatuurlijke en dus oncontroleerbare verklaring. Of anderen ook inderdaad dezelfde stappen zetten hangt af van de kwaliteit van de argumenten. Zoals in elke wetenschappelijke discipline levert een andere beoordeling van een argument een ander resultaat op.

De term kritiek (Grieks: κρίνειν, "oordelen") betekent in dit verband dus niet dat het doel is kritiek te hebben op de Bijbel. Het woord 'kritisch' in 'historisch-kritische methode' is van oorsprong simpelweg een synoniem voor 'wetenschappelijk'. In deze zin betekent 'Bijbelkritiek' (Engels: biblical criticism) dus hetzelfde als 'Bijbelwetenschap' (Engels: biblical studies). Maar de term 'Bijbelkritiek' kan ook wijzen op een specifieke subdiscipline binnen de Bijbelwetenschap, zoals de inleidingswetenschap (Duits: Einleitungswissenschaft, die de datering, het auteurschap, de compositie, oorsprong en ontwikkeling van de bijbelboeken bestudeert), of op de historisch-kritische methode dan wel de historische Bijbelkritiek (die de historische waarheid van bijbelteksten poogt te achterhalen), of op kritiek op de Bijbel (een – al dan niet wetenschappelijke – negatieve beoordeling van de Bijbel).

Ontwikkeling en afbakening van subdisciplines De Bijbelwetenschap heeft verschillende onderzoeksvelden dan wel subdisciplines. De taakverdeling tussen deze subdisciplines is niet altijd even helder, omdat hun activiteiten elkaar in de praktijk vaak overlappen. Vroeger werd er onderscheid gemaakt tussen "hogere" kritiek en "lagere" kritiek. "Lagere kritiek" is synoniem met wat nu tekstkritiek heet: de discipline die probeert te reconstrueren wat er in de oorspronkelijke tekst stond. "Hogere kritiek" hield zich bezig met alle andere kwesties, zoals het ontstaan, de bronnen, de datering en het auteurschap van de oorspronkelijke tekst.

Geert Van Oyen (1993) stelde dat er voor de evangeliën 'vijf klassieke onderzoeksterreinen' waren, namelijk 'tekstkritiek, bronnenkritiek, studie van de historische achtergrond van een evangelie binnen het nieuwtestamentische milieu, vormkritiek, redactiekritiek in de enge zin, d.i. scheiding traditie en redactie)'. Hij observeerde dat Norman Perrin (1920–1976) had gepoogd om 'literaire kritiek' (literary criticism) los te koppelen van 'redactiekritiek', maar er niet in slaagde om een consistente grens te trekken en de concrete verschillen tussen deze twee activiteiten aan te geven. Hij stelde bovendien vast dat wat 19e-eeuwse exegeten verstonden onder 'historische kritiek' zo goed als geheel samenviel met Einleitungswissenschaft ('inleidingswetenschap', inclusief tekstkritiek), terwijl in de 20e eeuw veel onderzoekers 'bronnenkritiek' en 'literaire kritiek' (Literarkritik) als synoniemen gebruikten, hoewel anderen expliciet stelden dat er een verschil was.

Volgens A. van der Kooij (1996) is 'de ontstaansgeschiedenis van de bijbelboeken' 'het terrein van de literaire kritiek (in diachrone zin opgevat) en van de redactiekritiek', maar kan ook relevant zijn voor de tekstkritiek omdat zij zich moet afvragen welke versie van een bijbelboek zoals Jesaja zij nou eigenlijk precies probeert te reconstrueren: het originele (hoofdstukken 1–39), het voltooide (zodra hoofdstukken 40–66 eraan waren toegevoegd) of het pre-canonieke bijbelboek zonder latere 'afwijkende' of 'foutieve' lezingen (zoals het bestond vóór de proto-MT van circa 100 n.Chr.)?

Henk de Jonge (1997) identificeerde de historisch-kritische exegese zowel als een deel van de literatuurwetenschap als van de theologie. Hij merkte op dat de historisch-kritische exegese voortdurend 'evolueert' en dat hij er 'momenteel' 'zeven complexen van vragen' toe zou rekenen: Tekstkritiek en overleveringsgeschiedenis Literair-historische exegese ('wat wilde de auteur tegen de geadresseerden zeggen? Structuur, compositie, [genre]'.) Inleidingswetenschap ('tijd en plaats van ontstaan, relatie auteur-geadresseerden, echt of pseudepigraaf, oorspronkelijk een geheel of uit stukken samengesteld') Vorm-, bronnen-, traditie- en redactiekritiek (motief, bijdrage, sociaal-cultureel milieu en beïnvloeding van auteur) Traditiegeschiedenis; geschiedenis van het ontstaan van de christelijke theologie (waar komen theologische ideeën vandaan?) Geschiedschrijving van Israël, antiek jodendom en vroeg christendom, Leben Jesu-Forschung Canongeschiedenis en geschiedenis van de exegese Voor de praktische theologie zouden de eerste twee (tekstkritiek/overleveringsgeschiedenis en literair-historische exegese) het belangrijkst zijn, 'maar die behoeven van alle andere onderdelen steun. Tussen de diverse onderdelen bestaat in de praktijk een sterke wisselwerking.'

Henk van den Belt (2007) schreef: 'De redactiekritiek betreft de wetenschappelijke bestudering van de relatie tussen de tekst zoals die voor ons ligt en mogelijke oudere bronnen. Er is uiteraard geen waterdichte scheiding tussen tekstkritiek en redactiekritiek. De teksten zelf wijzen terug naar hun bronnen.'

Geschiedenis

De Bijbelwetenschap is al zo oud als de Bijbel zelf, maar de historisch-kritische exegese is een verworvenheid van de (vroeg)moderne tijd. Tot in de middeleeuwen werd men geacht de Bijbel alleen te bestuderen om daarmee het gezag van de Schrift, God en de heersende theologische doctrines te bevestigen en de wil van God beter te begrijpen. De scholastiek streefde ernaar om (schijnbare) tegenstrijdigheden in de Bijbel of tussen de Bijbel en de kerkvaders met elkaar te verzoenen. Het kritisch lezen van de Bijbel werd niet alleen niet op prijs gesteld, het was gevaarlijk omdat de kerken een ondermijning van hun gezag niet duldden en de overheid Bijbelkritische onderzoekers vervolgde wegens ketterij. Wie suggereerde dat bepaalde tegenstrijdigheden moeilijk of niet met elkaar te verzoenen waren, zoals Petrus Abaelardus die in Sic et Non (ca. 1125) stelde dat het Nieuwe Testament niet helemaal correct is overgeleverd door kopiisten en dat sommige handschriften corrupt waren, kon op strenge straffen rekenen.

Anders dan in de uitleg van de vroege kerk en de middeleeuwen, ziet de historisch-kritische benadering de uit te leggen tekst als ondergeschikt aan de geschiedkunde. Dit heeft te maken met de onderschikking van algemeen geldige waarheden aan de rede in de Verlichting.

Voorgeschiedenis Renaissance en Reformatie Door het renaissance-humanisme, dat de oudheid als toonaangevend zag, en door de Reformatie, die de Bijbel centraal zette, kreeg de bestudering van antieke teksten (waaronder de Bijbel) zeer belangrijke impulsen. De discussie over de Bijbel richtte zich in eerste instantie op de betrouwbaarheid van de Vulgata, de Latijnse Bijbelvertaling die voor de katholieken gezaghebbend was. Die was in de vierde eeuw door Hiëronymus van Stridon op last van Paus Damasus I opgesteld. Er waren toen vele van elkaar afwijkende Griekse en Latijnse varianten van het Nieuwe Testament bekend en Hiëronymus kreeg de opdracht een reconstructie te maken van het "ware" evangelie. Maar daarbij liet hij zich, volgens de protestanten, te veel leiden door de rooms-katholieke dogma's. Hiëronymus maakte een onderscheid tussen "geïnspireerde" teksten en "niet-geïnspireerde". Als criterium gold daarbij volgens hem de kerkelijke leer. Niet-geïnspireerde teksten, afwijkend van de kerkelijke leer, beschouwde hij als vervalsingen door ketters. Teksten die overeenkwamen met de kerkelijke leer, noemde hij geïnspireerd door God. Humanisten zoals Desiderius Erasmus en protestanten wilden terug naar de oerteksten van vóór de Vulgata.Bart D. Ehrman, Misquoting Jesus, The story behind who changed the Bible and Why. p. 101 vv. In 1517 publiceerde Erasmus als eerste een editie van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament (Novum Instrumentum omne).

Het zorgvuldige onderzoek naar de bronnen van het christendom onder de christenen, waar sommige (katholieke) humanisten al mee bezig waren, werd daarop aanvankelijk vooral een protestantse zaak. Het uitgangspunt van de protestanten was dat het geloof uitsluitend gebaseerd diende te worden op de Bijbel, sola scriptura, met uitsluiting van de apostolische traditie zoals die overgeleverd zou zijn binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Maarten Luther en Johannes Calvijn stelden dat alleen de Bijbel als betrouwbare bron kon dienen voor het ware geloof, en niet de autoriteit van Rome. De reformator Calvijn becommentarieerde bijna de hele Bijbel. Daarbij schuwde hij kritische inzichten niet, want hij meende bijvoorbeeld dat 2 Petrus niet door Petrus zelf geschreven kon zijn. De protestantse tekstkritiek leidde tot het zogenaamde historisch-kritische onderzoek. Het historisch-kritische onderzoek omvatte in de daaropvolgende eeuwen zeer uiteenlopende uitgangspunten, methoden en conclusies.

Spinoza thumb|Het Haagse portret van Baruch Spinoza, ca. 1665.