De etiketteringstheorie of labelingtheorie stelt dat afwijkend of deviant gedrag niet voortkomt uit de handeling, maar uit hoe anderen op de handeling reageren. Dit kan vervolgens de persoon in kwestie beïnvloeden, waarop deze het gedrag gaat herhalen, iets wat ook bekendstaat als het thomas-theorema. De definitie van de situatie is daarmee van invloed op de betekenis die wordt gegeven aan al het handelen.
De etiketteringstheorie richt zich niet op het afwijkend gedrag zelf, maar op de neiging van meerderheden om minderheden, of diegenen die worden gezien als afwijkend van standaard culturele normen, negatief te etiketteren. De theorie houdt zich bezig met hoe de zelfidentiteit en het gedrag van individuen wordt bepaald of beïnvloed door termen die gebruikt worden om ze te beschrijven of te classificeren, en wordt geassocieerd met het concept van een zichzelf waarmakende voorspelling (self-fulfilling prophecy) en stereotypering.
De handeling zelf noemde Lemert de primaire deviantie, de reactie daarop door de betrokken persoon de secundaire deviantie. Deze secundaire deviantie draagt bij tot het stigma dat de persoon vervolgens krijgt, wat de zichzelf waarmakende voorspelling in de hand werkt.
De theorie is nauw verwant aan interactionistische en sociale constructietheorieën. De etiketteringstheorie werd gedurende de jaren zestig ontwikkeld waarbij Outsiders van Howard Becker extreem invloedrijk was. De theorie was populair gedurende de jaren zestig en zeventig, en sommige aangepaste versies van de theorie zijn doorontwikkeld en tegenwoordig nog steeds populair. Ongewilde beschrijvingen of categorieën – incluis termen die gerelateerd zijn aan afwijking, invaliditeit of diagnose van een geestelijke ziekte – zouden kunnen worden afgewezen omdat dat vooral “etiketten” zijn, waarbij vaak gepoogd wordt in plaats daarvan een meer constructief taalgebruik te gebruiken.
Theoretische basis De etiketteringstheorie vindt haar basis in Suicide, een boek geschreven door de Franse socioloog Émile Durkheim, die tot de conclusie kwam dat criminaliteit niet zozeer een overtreding was van strafbaar gestelde gedragingen, maar veeleer een fenomeen dat de samenleving tot woede drijft. Hij was de eerste die suggereerde dat “afwijkend etiketteren” aan die functie voldeed, en hij was de eerste die suggereerde dat afwijkend etiketteren voldeed aan de behoefte van de samenleving dat gedrag te controleren.
George Herbert Mead stelde dat het zelf sociaal geconstrueerd is en gereconstrueerd wordt door de interacties die elke persoon heeft met de gemeenschap. De etiketteringstheorie suggereert dat mensen etiketten krijgen overeenkomstig hoe anderen naar hun neigingen en gedragingen kijken. Elk individu is bewust van hoe ze worden beoordeeld door anderen, omdat hij of zij heeft geprobeerd veel verschillende rollen en functies te belichamen in sociale interacties. Elk individu heeft de reacties van degenen die aanwezig zijn kunnen peilen.
Theoretisch gezien bouwt dit een subjectieve voorstelling van het zelf. Maar wanneer anderen de realiteit van het leven van die individu binnendringen, representeert dit objectieve gegevens die wellicht een herevaluatie van die voorstelling vereisen, afhankelijk van de autoriteit van het oordeel van de anderen. Familie en vrienden oordelen wellicht anders dan vreemden. Meer sociaal representatieve individuen zoals politieagenten of rechters zijn misschien in staat meer globaal gerespecteerde oordelen te maken. Als afwijking een mislukking is om te conformeren aan de regels zoals ze gezien worden door het grootste deel van de groep, dan is de reactie van de groep het geven van een etiket aan de persoon. Een etiket waaruit blijkt dat de persoon hun sociale of morele gedragsnormen heeft overtreden. Dit is de kracht van de groep: het aanduiden van inbreuken op hun regels als afwijkend, waarbij de persoon anders behandeld wordt afhankelijk van de ernst van de inbreuk. Hoe differentiëler de behandeling, hoe meer het zelfbeeld van de individu wordt aangetast.
De etiketteringstheorie houdt zich over het algemeen niet bezig met de normale rollen die onze levens definiëren, maar met de heel speciale rollen waarin de samenleving voorziet voor afwijkend gedrag, genaamd afwijkende rollen, stigmatische rollen of sociaal stigma. Een sociale rol is een set van verwachtingen die we hebben over een gedraging. Sociale rollen zijn nodig voor de organisatie en het functioneren van welke samenleving of groep dan ook. We verwachten van de postbode bijvoorbeeld zich te houden aan bepaalde gefixeerde regels over hoe hij zijn werk doet. “Afwijking” betekent voor een socioloog niet moreel verkeerd, maar veeleer betekent het gedrag dat wordt veroordeeld door de samenleving. Afwijkend gedrag kan zowel criminele als niet-criminele activiteiten inhouden.
Onderzoekers concludeerden dat afwijkende rollen sterk onze perceptie beïnvloeden van diegenen aan wie deze rollen zijn toegeschreven. Afwijkende rollen beïnvloeden ook hoe de afwijkende persoon zichzelf en zijn relatie met de samenleving ziet. De afwijkende rollen en de etiketten die daaraan vast zitten functioneren als een vorm van sociaal stigma. Altijd inherent aan de afwijkende rol is de toebedeling van een bepaalde vorm van “vervuiling” of verschil die de geëtiketteerde persoon als anders dan anderen markeert. De samenleving gebruikt deze stigmatische rollen om afwijkend gedrag te controleren en te limiteren: “Als jij doorgaat met dit gedrag, word je een lid van die groep mensen.”
Of een inbreuk op een gegeven regel gestigmatiseerd wordt is afhankelijk van de betekenis van de moraal of andere leerstelling die het representeert. Overspel bijvoorbeeld, zou beschouwd kunnen worden als een inbreuk op een informele regel. Of het zou gecriminaliseerd kunnen worden afhankelijk van de status van het huwelijk, moraliteit, en religie binnen de gemeenschap. In de meeste westerse landen is overspel niet gecriminaliseerd. Het etiket “overspelige” opplakken zou misschien wat ongelukkige consequenties kunnen hebben maar die zijn over het algemeen niet ernstig. Maar in sommige islamitische landen is zina gecriminaliseerd en bewijs van buitenhuwelijkse activiteit kan leiden tot ernstige consequenties voor alle betrokkenen. Stigma is meestal het resultaat van wetten bepaald tegen het gedrag. Wetten die slavernij beschermen of die homoseksualiteit onwettig maken, zullen bijvoorbeeld na verloop van tijd afwijkende rollen vormen die gelinkt zijn aan die gedragingen. Degenen aan wie die rollen zijn toegeschreven zullen worden gezien als minder menselijk en minder betrouwbaar. Afwijkende rollen zijn de bronnen van negatieve stereotypes, die op hun beurt geneigd zijn om de afkeuring van het gedrag door de samenleving te ondersteunen.
George Herbert Mead Een van de grondleggers van het sociaal interactionisme, George Herbert Mead, richtte zich op de interne processen van hoe de geest een zelfbeeld construeert. In Mind, Self and Society (1934) toonde hij aan hoe kinderen eerst personen en later dingen leren kennen. Volgens Mead is het denken zowel een sociaal als een pragmatisch proces, gebaseerd op het model van twee personen die discussiëren hoe een probleem op te lossen. Ons zelfbeeld is in feite geconstrueerd door ideeën die we hebben over hoe we denken dat anderen over ons denken. We lachen om hen die zichtbaar met zichzelf praten, maar zij hebben enkel nagelaten te doen wat de rest van ons doen wanneer we intern praten met onszelf. Menselijk gedrag is volgens Mead het resultaat van echte en denkbeeldige meningen die gecreëerd zijn door de sociale interactie die conversatie is.
Frank Tannenbaum Frank Tannenbaum wordt gezien als de grootvader van de etiketteringstheorie. Zijn Crime and Community (1938), die de sociale interactie beschrijft waar het om criminaliteit gaat, wordt beschouwd als een centrale fundering van moderne criminologie. Terwijl de crimineel weinig of niet verschilt van anderen als het gaat om de aanvankelijke impuls eerst een misdaad te begaan, neemt sociale interactie gecontinueerde handelingen voor zijn rekening die een patroon van belangen ontwikkelen welke van belang zijn voor sociologen.
Tannenbaum introduceerde als eerste het idee van ‘etikettering’. Terwijl hij studies met delinquente jongeren uitvoerde, concludeerde hij dat een negatief etiket of label vaak bijdroeg aan verdere betrokkenheid bij delinquente activiteiten. Dit aanvankelijke etiketteren kan er toe leiden dat het individu het etiket aanneemt als zijnde het een deel van zijn/haar identiteit. Het cruciale argument van Tannenbaum is dat hoe groter de aandacht wordt gevestigd op het etiket, hoe waarschijnlijker het is dat de persoon zich identificeert met het etiket.
Kerry Townsend schrijft als volgt over de revolutie in de criminologie veroorzaakt door Tannenbaums werk:
“De wortels van Frank Tannenbaums theoretische model, ook wel bekend als de “dramatisering van het kwaad” of etiketteringstheorie, komt bovendrijven halverwege en aan het einde van de jaren dertig. Gedurende deze periode, had de wetgeving van de ‘New Deal’ het leed van de Grote Depressie niet verslagen, en hoewel afnemend, duurde de immigratie naar de Verenigde Staten voort (Sumner, 1994). Het sociale klimaat bestond uit desillusie over de regering. De klassenstructuur bestond uit cultureel isolement; er was nog geen sprake van culturele relativiteit. ‘De hardnekkigheid van de klassenstructuur, ondanks de welzijnshervormingen en de controle over de grote zakenwereld, was onmiskenbaar.’ De Positivistische School van het criminologische denken domineerde nog steeds, en in veel staten was de sterilisatiebeweging in opkomst. De nadruk op biologisch determinisme en interne verklaringen van criminaliteit was de kracht die voorrang kreeg in de theorieën van de vroege jaren dertig. Deze dominantie van de Positivistische School veranderde in de late jaren dertig met de introductie van conflict en sociale verklaringen van misdaad en criminaliteit …”
“Een van de centrale leerstellingen van de theorie is het aanmoedigen van het eind van het etiketteringsproces. In de woorden van Frank Tannenbaum, “om eraan te ontsnappen is een weigering om het kwaad te dramatiseren nodig”, het justitiële apparaat probeert dit te doen door middel van ‘diversion programs’. De groei van de theorie en haar huidige toepassing, zowel praktisch als theoretisch, leveren een solide fundering voor een voortgezette populariteit.”
Edwin Lemert Het was de socioloog Edwin Lemert (1951) die het concept van “secundaire deviantie” introduceerde. De primaire deviantie is de ervaring die verbonden is aan het openlijke gedrag, bijvoorbeeld een drugsverslaving, en de praktische vragen en consequenties die daaraan verbonden zijn. Secundaire deviantie is de rol die wordt gecreëerd om met de veroordeling door de maatschappij van dat gedrag om te gaan.
Tezamen met andere sociologen van zijn tijd zag hij hoe alle deviante handelingen sociale handelingen waren als gevolg van een samenwerking van de maatschappij. Bij het studeren van drugsverslaving, zag Lemert een heel sterke en subtiele kracht aan het werk. Naast de fysieke verslaving aan de drug en alle economische en sociale ontwrichting die het veroorzaakte, was er een intens intellectueel proces aan het werk wat betreft de eigen identiteit van de persoon en de rechtvaardiging van het gedrag: “Ik doe deze dingen omdat ik nu eenmaal zo ben.”