Adela van Hamaland (door sommigen ook wel Adela van Renkum genoemd) (ca. 950 - Keulen, ca. 1025?) was de oudste dochter van graaf Wichman IV van Hamaland en Liutgard van Vlaanderen. Zij verzette zich langdurig en met succes tegen de mate waarin haar vader het Stift Elten met zijn erfgoed had bedacht.

Adela en haar eerste echtgenoot Immed waren de ouders van onder anderen bisschop Meinwerk van Paderborn (1009-1016), Glismod en Emma van Lesum. In oktober 1016 had zij de hand in de geruchtmakende moord op de Saksische graaf Wichman van Vreden.

Afkomst Adela's moeder was Liutgard, dochter van Arnulf I, graaf van Vlaanderen (regeerde 918-964). Diens moeder Ælfthryth was een dochter van de Engelse koning Alfred de Grote van Wessex. Arnulfs grootvader Boudewijn I had in 862 Judith van West-Francië, de dochter van koning Karel de Kale geschaakt en gehuwd. Via haar moeder stamde Adela dus af van Karel de Grote én Alfred de Grote.

Echtgenoten en kinderen Uit het eerste huwelijk met Immed († vóór december 996) werden de volgende kinderen geboren: Diederik van Hamaland Meinwerk, bisschop van Paderborn (1009-1036), geboren vóór 979 Azela, kanonnikes te Elten Glismod, echtgenote van Adalbert van Oostenrijk Emma, gehuwd met de Billunger graaf Liudger (†1011) en bekend als weldoenster van de kerk te Bremen.Volgens Steinmetz; ook H.J. Freytag, Die Herrschaft der Billunger in Sachsen, Göttingen 1951 en H. Verdonk, De overlijdensdatum van Yolanda van Gelre, gravin van Henegouwen, in het Martyrologium Usuardi te Kamerijk, alsmede enkele andere opmerkelijke aantekeningen, Lelystad 1986, p. 1, 11

Diederik, de enige wereldlijke zoon waarvan we weten, moet haast wel gehuwd zijn geweest met een dochter van graaf Unruoch van Teisterbant en zo dat graafschap hebben verworven. Diederik is overleden op 7 april van 1017 of 1018. Hij liet enkel dochters na. Eén daarvan, Bava, huwde met Gerard Flamens en werd zo een voormoeder van het Gelderse gravenhuis in: BM Gelre, 2008, p. 28-48. Dit wordt echter weersproken, het zou een nog naamloos jonger zusje van Bava zijn die met Gerard Flamens trouwde in: Adel en ridderschap in Gelderland, p. 13-27 noot.4. Haar vermoedelijk oudere zuster Addela of Addila, vernoemd naar Adela 'van Hamaland', huwde met Godfried II hertog van Nederlotharingen (1012-1023). Dat huwelijk bleef kinderloos.

Adela bracht munten in omloop met 'Adela Comitissa' ('Gravin Adela') erop. Denkbaar is dat zij het grafelijk gezag heeft uitgeoefend tijdens de minderjarigheid van Diederik.

Haar tweede echtgenoot was Balderik van Duffelgouw. Balderiks oudste gedateerde vermelding als echtgenoot (maritus) van Adela dateert van 18 december 996Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I nr. 146.

Volgens Alpertus en de levensbeschrijving van Meinwerk was Balderik niet van dezelfde stand als Adela. Volgens Alpertus had Adela's zuster Liutgard zich heftig verzet tegen het huwelijk, dat pas doorgezet werd na haar overlijden. Balderik was Liutgards vazal geweest en had samen met Godizo van Aspel en Heimbach Adela's burcht platgebrand. Balderik overleed op 5 juni 1021.Hein H. Jongbloed, 'Wanburtich: Heinrichs II. Beteiligung an der Wahl von Kamba (1024)', Deutsches Archiv für die Erforschung des Mittelalters 62 (2006) noot 165 In een oorkonde van 1025 wordt hij postuum nog als graaf aangeduid. Bij zijn eerste gedateerde optreden, in december 996, was hij dat nog niet, kort daarna, in 1003, al wel. Een oorkonde van 1006 laat hem zien als graaf in Drenthe.

Stift Elten Adela's vader Wichman beschikte over de omstreeks 900 aangelegde ringwalburcht op de Eltenberg. De vroegtijdige dood van zijn zoontje, eveneens Wichman geheten, op 1 augustus 965 of 966 leidde tot de ombouw van de burcht Elten tot het latere stift.H.P.H. Jansen, 'Adela van Hamaland', in: Vrouwen in het Landsbestuur, 's-Gravenhage, 1982; Friedrich Wilhelm Oediger, 'Adelas Kampf um Elten', Annalen des historischen Vereins für den Niederrhein 155/156, 1954; een tekening van de familiebegraafplaats bij Jongbloed, Wichman, p. 34 Hij volgde daarbij het voorbeeld van onder anderen de Saksische markgraaf Gero, die in 959 zijn burcht in Gernrode in de Harz tot klooster liet verbouwen.Klaus Voigtländer, Die Stiftskirche zu Gernrode, Leipzig 1990

Keizer Otto I bezegelde op 29 juni 968 in Pistoia een oorkonde waarbij hij goederen, die Wichman tevoren van hem in leen hield, in eigendom overdroeg aan het stift Elten. Het ging daarbij om Urk, goed in Salland, bij Naarden en in Hamaland. Op 3 augustus 970 bevestigde Otto I te Bovino de schenking van zeventien hoven in Elten, Varnem, Voorthuizen, Emmerik, Kleverhamm, De Liemers, Rijnharen, Renkum, Bingerden, Groessen, Hoest, Duiven, Lienden, Leyla, Doornspijk, Thuli en Nestnachelt. Bovendien schonk hij de belastingopbrengst die Wichman tevoren in Noord-Groningen had geïnd. Hiervoor was Wichman IV persoonlijk naar Italië gereisd. Van de gelegenheid maakte hij gebruik om Elten ook onder pauselijke bescherming te stellen. Daarvoor moest het stift jaarlijks een pond zilver aan Rome afdragen.

Op 14 december 973 ondertekende keizer Otto II in Nijmegen een document, waarin hij het Stift Elten dezelfde rechten als de rijksstichten Quedlinburg, Essen en Gandersheim gaf, te weten vrije keuze van abdis en voogd. Elten kwam zo buiten het gezag van de gouwgraaf en onder de bescherming van de keizers te staan. Bij dezelfde gelegenheid schonk Otto II de Katentol aan de Stift Elten. Het stift verpachtte die tol later aan de stad Deventer.

In 973 wordt Adela's jongere zus Liutgard als eerste abdis van het stift vermeld. Wichman IV overleed op 20 juni van een jaar ná 974 als lekenbroeder van het klooster Mönchengladbach. Hij werd in Elten begraven. Bij opgravingen op de Elterberg in 1964-1965 is zijn graf niet teruggevonden, omdat het op enige afstand ten zuidoosten van het koor van de abdijkerk moet liggen, op een plek die de archeologen toen niet hebben aangegraven.

Erfenisstrijd De oorkonde van Otto III van 18 december 996, die te Nijmegen is uitgevaardigd en Balderik als echtgenoot van Adela noemt, laat weten dat nog bij leven van Adela's vader Wichman ruzie is ontstaan omdat Adela zich benadeeld achtte. Otto III slaagde er pas in om die kwestie in 996 uit de wereld te helpen.

Adela had bij haar huwelijk haar erfdeel, een derde van het familievermogen, als bruidsschat meegekregen. Vader Wichman had vervolgens het stift Elten ook met een derde van zijn bezit uitgerust én bovendien van de keizer de rijkslenen voor het stift losgekregen, terwijl Immed Wichmans graafschappen kon overnemen. Het laatste derde part had Wichman zelf behouden. Adela heeft zich waarschijnlijk benadeeld gevoeld doordat haar vader álle rijkslenen aan Elten had toegespeeld, waarvan de waarde hoger uitkwam dan de opbrengsten van Wichmans graafschappen die bij Immed belandden. Zij verlangde compensatie. Wichman wilde daar niks van weten. Toen de ruzie goed en wel aan de gang was, gooide Wichman nog eens olie op het vuur door het laatste derde part van zijn vermogen aan zijn dochter Liutgard over te doen, die het prompt aan het stift Elten doorgaf. Zo streek het stift ten slotte twee derde van het familievermogen op tegenover Adela één derde - nog daargelaten de bevoordeling met de rijkslenen. Adela slaagde erin om nog bij leven van Otto II die vermogensverdeling gecorrigeerd te krijgen, van twee derde om één derde naar half-om-half.

Maar Adela volhardde ook in haar eis om voor Eltens overbedeling met rijkslenen gecompenseerd te worden. Hiervoor legde ze beslag op goederen die door Otto II aan het stift Elten waren toegewezen. Of dat gebeurd is bij leven van haar zus Liutgard of pas na haar overlijden is niet vaststelbaar. Feit is dat Adela in 996 haar zin kreeg: zij kreeg de compensatie volgens een berekening van een speciale taxatiecommissie. Die compensatie bestond uit de hoven Rijnharen, Helikanbeli, Luithuizen en Reclo. Hierna moest ze wel de in beslag genomen goederen aan het stift teruggeven, volgens de al oudere herverdeling van Otto II: Elten, Arnhem en Voorthuizen bleven helemaal van het stift terwijl Emmerik, Renkum, Lienden, Rode, Olbergen, Aarlehoeven, Appelrebroec, Ter Honnepe, Eltingen, Delden, Velp, Drie, Arnhem, Putten, Herfeld, Malsme en Brummen half-om werden gedeeld.

Strijd aan de Nederrijn In het Nederrijnse gebied fungeerde een rijksambtenaar met de titel prefect, die belast was met de grensverdediging van het rijk in zijn gebied. Dat gold met name de kustverdediging tegen de Noormannen. Die prefect had ook gezag over de graven in zijn ambtsgebied en stond dus net een stukje hoger in rang dan die graven. Toen de prefect Godfried medio juli 1012Hein H. Jongbloed, "Cold case' Upladen (oktober 1016), Godfrieds prefectuur tussen grote politiek en dynastieke competitie (850-1101)', en 'Vier "Xantener" Gottfriede (c. 905-1018), Königsverwandtschaft und Reichspolitik am Beispiel des ersten Niederlotharingischen Herzogshauses (959-1012)', Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 11 (2008) 7-68 resp. 12 (2009) 40-75 stierf, volgde zijn gelijknamige zoon hem op, hoewel hij volgens Alpertus voor het ambt niet geschikt was en volledig afhankelijk was van zijn zwager Wichman van Vreden, gehuwd met de dochter van de oude Godfried.

Adela had in stilte de prefectuur toegedacht aan haar tweede echtgenoot Balderik, oomzegger van Godfried en volle neef van diens zoon. Waarschijnlijk was dat het 'plan' dat volgens Alpertus van Metz ten grondslag lag aan haar huwelijk met Balderik. Die had in 1006 (of 1009?) zijn oom Godfried al eens vervangen als bevelhebber tegen een invallend Noormannenleger dat Tiel in brand had gestoken. Toen Wichman de opvolging van de oude Godfried door diens zoon in goede banen had geleid, vertrok hij naar Rome op pelgrimstocht. Dat had hij beter niet kunnen doen: Balderik toog op sterke aandrang van Adela naar koning Hendrik II en haalde die over om hem, Balderik, als prefect aan te stellen.

In 1015 nam Gerhard, een vazal van Balderik die naar Wichman was overgelopen, Balderik gevangen en vroeg een losgeld. Wichman en bisschop Ansfried van Utrecht bemiddelden. De laatste kreeg daarop van Adela goederen in Lienden, Oosterbeek, Hemert en Brummen. Balderik kwam vrij en stichtte uit vreugde daarover in Zyfflich een klooster.

In oktober 1016 werd Wichman van Vreden vermoord. Hij en Balderik hadden zich eind 1015 verzoend. Toen Balderik een keer bij Wichman had gedineerd, deed Wichman zijn gast uitgeleide tot aan Balderiks burcht Upladen. Balderik noodde hem toen voor een tegenbezoek uit en Wichman stemde toe. Toen hij weer van Upladen vertrok, werd hij overvallen en gedood door een ridder en een vrije boer. Volgens Alpertus en Thietmar van Merseburg zouden deze twee in opdracht van Adela gehandeld hebben.

Dit was aanleiding voor bisschop Adelbold II van Utrecht, hertog Bernhard II van Saksen en andere magnaten om het beleg voor Upladen te slaan. Balderik was op tijd daaruit weggekomen naar Keulen en Adela verdedigde met haar vrouwen de burcht. Toen ook de keizer zelf arriveerde, wist zij een vrije aftocht te bedingen. De burcht werd daarop met de grond gelijk gemaakt.

Balderik moest zich in maart/april 1018 op de Rijksdag in Nijmegen verantwoorden en werd daar door de keizer verstoten. Een paar maanden later, in juni 1018, werd hij volgens Thietmar van Merseburg weer met de keizer verzoend. Het kan dan niet anders of hij heeft de keizer weten te overtuigen van zijn onschuld aan de moord, waarvoor hij dan wel de schuld aan Adela heeft moeten toeschuiven. Thietmars aansluitende woorden dat 'de heilige belofte werd vergeten', duidt erop dat Balderik Adela heeft verstoten of misschien wel finaal van haar gescheiden is. Adela's vermogen is geheel of gedeeltelijk geconfisqueerd. Een deel ervan zien we vermoedelijk terug in de schenking die in 1025 door koning Koenraad II aan een zekere Werner werd gedaan. Mogelijk hebben ook de bisschop van Utrecht en de abdij Abdinghof geprofiteerd.