De AMC 35 was een Franse tank uit de Tweede Wereldoorlog die ook door België is ingezet.

Het type werd vanaf 1934 door Renault ontwikkeld uit de AMC 34 om te voorzien in de behoefte aan een snelle en goedbewapende middelzware cavalerietank, maar voor echte massaproductie afgewezen omdat het te onbetrouwbaar en licht bepantserd was. Door technologische en financiële problemen kwam de productie pas op gang in 1938 en bleef beperkt tot 59 exemplaren, waarvan tien voor België. De AMC 35 is een van de weinige Franse tanks van die periode die beschikte over een ruimere tweemanstoren.

Ontwikkelingsgeschiedenis Het Plan 1931 van de Franse Cavalerie voorzag in de bouw van een Automitrailleuse de Combat. Renault ontwikkelde volgens de daarin opgestelde specificaties de AMC 34. Nauwelijks was het prototype daarvan aan het leger afgeleverd, of op 26 juni 1934 werden de gestelde eisen gewijzigd: de AMC moest een snelheid halen van 50 km/u en een bepantsering hebben die antitankkanonnen kon weerstaan.

Renault keerde terug naar de tekentafel. Op 7 maart 1936 leverde hij een vernieuwd prototype af met het verzoek dit snel te behandelen: de AMC 34 was immers al in principe goedgekeurd en als dit nieuwe model aan de eisen voldeed, zou het in die goedkeuring moeten delen.

De materieelcommissie, de Commission de Vincennes, ging op 9 maart kijken. Bij het doornemen van de schriftelijke aanvraag was het haar al opgevallen dat het type een geheel nieuwe productiecode had: Renault ACG in plaats van Renault YR (Renault gebruikte nu een code met drie letters want men was door alle mogelijke combinaties van twee letters heen). Dit stemde al achterdochtig en inderdaad: hoewel het voertuig bij oppervlakkige beschouwing veel op de AMC 34 leek, leerde een nadere inspectie dat het in feite om een geheel nieuwe tank ging. Een volledig testprogramma werd bevolen. Hoewel bij het prototype al 500 km op de teller stond en Renault zelf dus kennelijk al uitgebreid getest had en mankementen had kunnen verhelpen, bleek het type zeer onbetrouwbaar.

Op 17 november werd het testen opgeschort. De commissie beval op dat moment aan het rijbereik te verbeteren tot 180 kilometer en de reminrichting en de loopwielen te versterken — en keurde dan het materieel alsnog goed. Deze verrassende uitkomst was een gevolg van het feit dat de Cavalerie, ervan uitgaand dat het materieel gewoon een verbeterde AMC 34 was, tijdens de Rijnland-crisis begin 1936 eerst al zeventien exemplaren besteld had en daarna deze bestelling uitbreidde naar vijftig, voldoende om een regiment mee uit te rusten. Op dat moment waren er nog zeer weinig moderne tanks in Frankrijk.

Politieke omstandigheden speelden ook een rol: de militaire tak van Renault werd in december 1936 door de nieuwe linkse regering van het Volksfront van Édouard Daladier genationaliseerd en hernoemd tot het staatsbedrijf AMX (Atelier d'Issy-les-Moulineaux). De productiecapaciteit mocht daarom niet onbenut blijven. De commissie legde zich hier met tegenzin bij neer — het materieel voldeed immers niet aan de eisen van snelheid en bepantsering — maar wees erop dat het aan te bevelen was voortaan een type echt te onderzoeken voordat men het bestelde.

Op 1 november 1938 werd het eerste serie-exemplaar afgeleverd van de AMC Renault modèle 1935.

Beschrijving thumb|350px|De in 2006 gerestaureerde AMC 35 in Saumur De AMC 35 komt met een breedte van 2,20 meter en een romphoogte van 1,55 meter in afmeting sterk overeen met de AMC 34; alleen is de romp verlengd naar 4,55 meter om er een Renault V-4 180pk-motor in onder te brengen met een cilinderinhoud van 11,08 liter die een snelheid mogelijk maakt van 42 km/u. De motor is een verkorte versie van de V-6 die voor de Char B1 bis gebruikt wordt. Omdat hij erg licht is, 1,3 kg/pk, probeerde Renault hem nog aan te bevelen als mogelijke vliegtuigmotor.

De productieversie heeft een vergrote brandstofvoorraad die een bereik mogelijk maakt van 160 kilometer. Het loopwerk heeft per zijde vijf loopwielen waarvan de voorste en de achterste vier per paar geveerd worden door een horizontale springveer in rubber gegoten. Het lijkt daarmee op dat van de Renault R35. De bepantsering is ten opzichte van de AMC 34 verhoogd naar 25 mm. De romp is geklonken maar het productiemodel gebruikt ook bouten. Het gewicht is 14,5 ton samen met de toren.

Het prototype was voorzien van een tweemans APX2-toren, uitgerust met een 25 mm SARF-vestingkanon: een verkorte versie van het antitankkanon, dat ontwikkeld is voor gebruik in kazematkoepels (RF = Region Fortifiée). De bouw van fortificaties kreeg echter voorrang — bij de AMX 34 leidde dat ertoe dat de Cavalerie eerst APX1-torens installeerde en de tanks in Marokko maandenlang rond liet rijden zonder enige bewapening — en uiteindelijk rustte men de koepel uit met een SA 35 47mm-kanon met een munitievoorraad van 96 granaten.

De APX2 is een ingewikkelde min of meer achthoekige afgeschuinde constructie bestaande uit gegoten delen die ten dele gelast en ten dele samengeklonken zijn. De commandant-lader zit links, achter de 7,5 mm Reibel-mitrailleuse, de schutter rechts. Achteraan bevindt zich een dubbelluik. De AMC 35 was daarmee de enige Franse tank na de Char 2C die géén eenmanskoepel had; het enorme tactische belang daarvan werd toen nauwelijks onderkend.

Productie en export Frankrijk was echter in zekere zin niet het eerste land dat de Renault ACG bestelde. België had namelijk op 13 september 1935 25 rompen van een "tweede serie", een verbeterde versie, van de AMC 34 besteld. Daarbij was men afgegaan op ontwerptekeningen die later de basis zouden vormen van de AMC 35. In het Belgische contract was bedongen dat de levering van drie exemplaren per maand in oktober 1935 van start zou gaan. Die maand startte Renault inderdaad een productielijn op — maar die betrof de oorspronkelijke AMC 34: tot het leveren van verbeterde voertuigen was hij helemaal niet in staat. Daarbij had Renault geen zin te veel te investeren in wat vermoedelijk erg kleine productieseries zouden blijven; van de AMC 34 zou het Franse leger geen voertuigen nabestellen.

Ook in 1936 bleef iedere levering uit. In juni van dat jaar kregen de nieuwe Belgische minister van landsverdediging Henri Denis en zijn vaste defensiecommissie van motorisering via de Belgische militaire attaché in Parijs ook nog eens verontrustende berichten over de eerste proefnemingen met het nieuwe type: het zou te traag zijn en te zwaar.

Tegen het eind van dat jaar leverde de splitsing tussen AMX en Renault nieuwe vertragingen op: Louis Renault probeerde zo veel mogelijk activa, waaronder onderdelen voor de tankproductie, aan het oude bedrijf toe te delen en de meeste passiva aan AMX.

Op 3 juni 1937 was Denis de zich voortslepende problemen meer dan zat: hij eiste dat het prototype naar België verzonden zou worden, hetgeen op 4 juni inderdaad gebeurde. Dit voertuig, met serienummer 803, was uitgerust met een tweepersoons APX2-toren: daarvan hadden de Belgen er namelijk al op 12 september 1935 25 apart besteld bij Batignolles-Châtillon voor 70 000 Belgische frank per stuk; de rompen kostten 360 000 Franse frank, gelijk aan de prijs die de Franse regering betaald had voor de AMC 34. De toren had nog geen bewapening en er werd snel een Belgisch FRC 47-mm kanon ingebouwd voor schietproeven.

Het prototype, dat nog niet verbeterd was volgens de aanwijzingen van de Commission de Vincennes, werd daarna beproefd bij de 2e Lansiers. Tijdens deze testen voldeed het type redelijk maar toen het tussen 23 en 27 augustus deelnam aan manoeuvres in de Ardennen met de Ardense Jagers bleek het niet in staat zonder storingen in heuvelachtig terrein te kunnen opereren.

De Belgen besloten bijna de hele order te annuleren ten gunste van de Renault R35, maar beperkten zich in september tot het schrappen van de zeven voertuigen die voor de Ardeense Jagers bestemd waren geweest; men zou nu slechts voor iedere cavaleriedivisie van het Corps de Cavalerie negen voertuigen aanschaffen.

Echter, ook deze tanks verschenen niet want de serieproductie bleef nog steeds uit. De introductie in België stuitte daarbij op politieke weerstand. De connectie met Frankrijk zag men ter rechterzijde als een gevaarlijke ondermijning van de neutraliteit; links meende dat men alleen puur defensieve wapens moest aankopen. In december volgde dus alsnog een volledige annulering; op 15 maart 1938 werd besloten een contractuele boete van vier miljoen Franse frank te betalen en het overschot, met een tegenwaarde van vijf miljoen Franse frank, te besteden voor een extra aanschaf van veertien T.13 tankjagers.

Deze uitkomst lokte echter een reactie van de Franse regering uit: België was in een tijd van snel oplopende internationale spanningen een belangrijke potentiële bondgenoot en het moest voorkomen worden dat de indruk gewekt werd dat Frankrijk die voor vier miljoen het schip in had laten gaan. Men besloot er letterlijk van te maken wat ervan te maken viel: volgens een opgave van Renault op 20 januari 1938 was er op dat moment voor 75 voertuigen materiaal gekocht, waren daar voor 65 à 70 voertuigen onderdelen van gemaakt en was er voor 45 à 50 voertuigen een begin gemaakt van assemblage.

Onder druk van de regering werd op 21 april 1938 een akkoord gesloten: België zou voor zijn vier miljoen alsnog tien voertuigen krijgen (inclusief het al geleverde prototype) plus vijf collecties reserveonderdelen, acht volledige pantsersets en nog eens 18,9 ton aan losse pantserplaten; van het restant zouden dan nog 25 voertuigen voor Frankrijk zelf gemaakt worden, voor een totaal van 35 voertuigen. Op 15 juni werd te Brussel tussen België en Renault het nieuwe contract hiervoor getekend met als clausule dat alle tien tanks voor 31 juli 1938 geleverd zouden zijn. Op 6 mei had Renault namelijk gevraagd aan de Belgische order prioriteit te mogen geven; de Cavalerie, die toen allang blij was voorlopig van het materieel af te zijn — men wilde namelijk alleen de veel beter gepantserde SOMUA S35 voor de gemechaniseerde lichte divisies gebruiken — stemde toe dat de eerste negen tanks aan België geleverd werden. Op 2 juni hield het Franse ministerie van defensie echter vast aan een op 21 april overeengekomen volgorde: steeds eerst zeven tanks voor Frankrijk gevolgd door drie voor België.

Voorlopig had België dus nog niets want het opstarten van het productieproces verliep zéér traag. Het bovengenoemde exemplaar van 1 november 1938 was het eerste van de productieserie. Dezelfde week legde men de laatste hand aan drie voertuigen die voor België bestemd waren en een speciale Belgische commissie inspecteerde die op 8, 9 en 10 november, waarna een staking opnieuw roet in het eten gooide.

Op 21 december berichtte Renault dan toch eindelijk klaar te zijn voor de verzending maar de Belgen vertrouwden het niet en inspecteerden de voertuigen voor de tweede maal op 25 januari 1939; op 15 februari bevestigde Brussel de acceptatie en op 30 maart passeerden drie tanks, serienummers 806, 814 en 817, per spoor de Frans-Belgische grens. De tweede partij van drie, nummers 807, 823 en 833, werd in mei verstuurd; de derde, nummers 831, 832 en 833 op 7 augustus. Dezelfde maand werd het prototype gereviseerd weer naar België verzonden.

In de tweede helft van 1937 werden de eerste APX2-torens geproduceerd; Batignolles-Châttillons hield vast aan de oorspronkelijke order van 25 voor België. Tien daarvan gingen in 1938 naar AMX dat ze op de tanks monteerde en zo verantwoordelijk was voor de eindassemblage — dat was toen de gebruikelijke rolverdeling tussen het oude moederbedrijf en de genationaliseerde tak.