Sebastian Castellio, eigenlijk Sébastien Châtillon, ook wel genoemd Castellion, Châtellion of Châteillon (Saint-Martin-du-Frêne, 1515 - Bazel, 23 december 1563) was een Frans humanist en theoloog. Als verdediger van de geloofs- en gewetensvrijheid tegenover Johannes Calvijn ontwikkelde hij in zijn geschriften een theorie over tolerantie.
Levensbeschrijving Jeugd in de Jura Castellio werd in 1515 geboren in Saint-Martin-du-Frêne (bij Nantua) in het Hertogdom Savoye. In de streek hadden zich sinds de Middeleeuwen veel Waldenzen teruggetrokken. Zijn biograaf Hans Rudolf Guggisberg vermoedde dat Castellio in een Waldenzische traditie opgroeide.Guggisberg (1997), pagina 11–16. Castellio groeide op in een arm boerengezin. Hij noemde zijn vader religieus onontwikkeld. Over hoe hij met de protestantse leer in aanraking kwam, heeft hij zich volgens Guggisberg niet uitgelaten.
Aan de Universiteit van Lyon In 1535 ging Castellio studeren in Lyon, destijds een centrum van humanisme, waar ook Martin Luther veel aanhang had, relatief ongehinderd door de Franse regering en de Rooms-Katholieke kerk. Castellio leerde er aan het Collège de la Trinité Latijn, Grieks en Hebreeuws. Naast zijn moedertaal Frans sprak hij ook Italiaans en een beetje Duits.Hillar (2002) Als student in Lyon ergerde zich daarbij aan de kwaliteit van de Vulgaat. Hij nam zich voor om, zodra zich de gelegenheid zou voordoen, zelf de Bijbel in het Latijn te vertalen.
In januari 1540 vonden in Lyon op last van de Inquisitie de eerste ketterverbrandingen van hugenoten plaats. Deze deden hem besluiten om zich definitief tot de Reformatie te bekeren, zijn studie te beëindigen, de stad te verlaten en zich aan te sluiten bij Johannes Calvijn, die zich na zijn verbanning uit Genève had gevestigd in Straatsburg.
Met Calvijn in Genève thumb|Johannes Calvijn, Gravure naar een olieverfschilderij uit de Universiteitsbibliotheek van Genève. Al voor diens terugkeer naar Genève in 1541 regelde Calvijn voor Castellio een betrekking als rector aan de door Calvijn opgerichte Collège de Genève (een Latijnse school, thans Collège Calvin) en als predikant in Vandœuvres, vlak bij Genève. Diens nauwe band met Calvijn leverde Castellio veel gezag op in protestantse kringen in die tijd. In 1542 publiceerde Castellio tot enthousiasme van Calvijn zijn eerste boek: Dialogi sacri, een voor scholieren gedramatiseerde vertaling in het Frans en Latijn van Bijbelverhalen.
Al snel kreeg Castellio echter theologische en persoonlijke conflicten met Calvijn. Voltaire schreef over deze conflicten met Calvijn: "Men kan de kwaadaardigheid van deze tirannie afmeten aan de onderdrukking waaraan Castellio werd onderworpen onder verantwoordelijkheid van Calvijn - hoewel Castellio een veel groter geleerde was dan Calvijn, wiens jaloezie hem uit Genève deed verdrijven."Zweig (1936), pagina 89
Castellio werkte aan een Franse en Latijnse vertaling van de hele bijbel, maar dat lag bij Calvijn erg gevoelig. Zo was er een conflict over de vraag of het in het Frans en Latijn vertaalde Hooglied wel aan de scholieren mocht worden voorgelegd, omdat het als (te) erotisch getint werd beschouwd. Er speelde ook dat Calvijn al een Bijbelvertaling had omarmd van zijn neef, Pierre Olivetan. Calvijn schreef daarover aan een vriend: "Neem nou dat belachelijke opzetje van Sebastien. Ik moet er om glimlachen, maar tegelijkertijd maakt het mij boos. Drie dagen geleden vroeg hij mij toestemming om zijn vertaling van het Nieuwe Testament te mogen uitgeven."Zweig (1936), pagina 242
De conflicten tussen Castellio en Calvijn verergerden nog toen Castellio in een publieke bijeenkomst stelde dat de geestelijkheid moest ophouden met vervolging van degenen die er andere interpretaties van de Bijbel op na hielden. Hij vond dat de geestelijkheid niet moest pretenderen de waarheid in pacht te hebben. Ook over de leer van de predestinatie verschilden Calvijn en Castellio van opvatting. Calvijn wees vervolgens ook nog eens een verzoek van Castellio af om een beter betaalde betrekking als predikant.
In 1543 sloeg de Pest toe in Genève. Castellio was de enige geestelijke die de zieken bezocht. Calvijn en diens kring van bestuurders en predikanten hielden zich er verre van en verlieten de stad. Calvijn rechtvaardigde zich hier later voor: hij was onmisbaar; hulp aan een deel van de kerkelijke gemeenschap zou leiden tot verzwakking van de gemeenschap als geheel."Zweig (1936), pagina 234 Castellio uitte geen kritiek op de uitwijk van Calvijn, maar wel op de lafheid van diens predikanten. Dit leverde hem in 1544 een aanklacht op bij de Raad van Genève, omdat Castellio de eenheid van de predikanten in diskrediet zou hebben gebracht. Castellio legde zijn ambt neer, voordat de Raad zich over de klacht kon buigen. Op 30 mei 1544 werd hij officieel van zijn taken ontheven.
Calvijn schreef voor Castellio een getuigschrift, waarin hij verwees naar diens onjuiste theologische opvattingen, over het Hooglied en over de Hellevaart van Christus. En in een brief aan Guillaume Farel, een dag later, noemde hij Castellio een schismaticus.Stückelberger (1939), pagina 97.
Hoogleraar in Bazel Vervolgens vertrok Castellio in 1544 met zijn echtgenote en zijn schare kinderen naar Bazel. Het lukte hem niet om een aanstelling als predikant te verwerven. De jaren die volgden sleet hij met zijn gezin in diepe armoede. De gewezen rector van Genève en een van de grootste geleerden van zijn tijd moest van deur tot deur gaan, bedelend om een stuk brood. Zweig speculeerde dat zijn onmin met de machtige Calvijn Castellio in de weg zat bij het vinden van een betrekking. De toorn uit Genève werd gevreesd.Zweig (1936), pagina 337 Bij gebrek aan een vast inkomen nam hij zijn toevlucht tot losse opdrachten, variërend van het uitgraven van sloten tot het geven van privélessen. Ook kon hij de geleerde drukker/uitgever Johannes Oporinus af en toe assisteren als corrector.
Op 13 oktober 1546 schreef hij zich in aan de Universiteit van Bazel. Op 1 augustus 1553 behaalde hij er de graad van magister artium, waarna hij nog hetzelfde jaar werd aangesteld als hoogleraar Oudgrieks. Hij gaf er werken uit van Xenophon, Homerus en andere Griekse schrijvers, alsmede middeleeuwse devotiewerken als de mystieke Theologia Deutsch en De imitatione Christi van Thomas a Kempis.
De kwestie Servet thumb|left|Michael Servet met op de achtergrond de brandstapel De Spaanse arts en theoloog Michael Servet was een eminent geleerde die vanwege zijn anti-trinitarische denkbeelden vervolgd werd door zowel de rooms-katholieke kerk als door de reformatoren. Daarnaast was ook zijn standpunt met betrekking tot de kinderdoop voor de (niet-religieuze, dat wil zeggen: niet zijnde de kerk, Genève was een zelfstandige stad) autoriteiten niet bepaald rustgevend. De standpunten van de wederdopers hadden immers in onder andere Münster (zie ook Jan van Leiden) voor grote, bloedige onlusten gezorgd en behelsden veel meer dan enkel religieuze overwegingen. Servat plaatste zich met zijn ideeën dus op één lijn met deze groep.
Servet was door de katholieke autoriteiten als ketter veroordeeld, maar ontsnapte – voordat zijn vonnis kon worden voltrokken – uit de gevangenis van Vienne.
In 1553 publiceerde Servet anoniem het boek Restitutio Christianismi (Herstel van het christendom). Daarin bekritiseerde hij Calvijn en diens Institutie. Servet wilde niets weten van drie personen binnen de Godheid, maar sprak van drie krachten. Al op 3 februari 1546 schreef Calvijn aan Guillaume Farel dat hij het voornemen had Servet te laten ombrengen, zodra hij daar de gelegenheid voor zou hebben.
Op zondag 13 augustus 1553 woonde Servet in Genève een dienst bij die door Calvijn werd geleid. Daar werd Servet herkend. Calvijn gaf hem aan bij het stadsbestuur en drong erop aan Servet te laten arresteren.
De gemeenteraad van Genève, verantwoordelijk voor de rechtspraak in de stad, vroeg Vienne op 21 augustus van 1553 om afschriften van de bewijsstukken tegen Servet. Vienne verlangde onmiddellijke uitlevering van Servet. De gemeenteraad van Genève stelde Servet toen voor de keus: óf terugkeren naar Vienne óf in Genève blijven om de uitkomst van de rechtszaak af te wachten.
De gemeenteraad overlegde vervolgens met een viertal bondgenoten. De beslissing van de gemeenteraad van 25 oktober 1553 op basis van die reacties luidde als volgt: 'De hoge heren hebben, na ontvangst van de meningen van de kerken van Bazel, Bern, Zürich en Schaffhausen over de affaire-Servet, genoemde Servet ertoe veroordeeld naar Champey te worden gevoerd om aldaar levend te worden verbrand.'
Calvijn stelde voor deze doodstraf door de brandstapel om te zetten in terechtstelling door het zwaard, hetgeen echter niet gebeurd is. Calvijn heeft Servet nog meerdere malen opgezocht in de gevangenis waar hij wachtte op zijn executie. Servet werd op 27 oktober 1553 levend verbrand op de brandstapel.
De veroordeling door de gemeenteraad heeft verbazing gewekt bij tijdgenoten. Wolfgang Musculus schreef dat hij dacht dat Servet duidelijk baat verwachtte te hebben bij de vijandschap van de gemeenteraad jegens Calvijn. Gelet ook op Servets keuze om Genève te verkiezen boven Vienne.
De terechtstelling van Michael Servet was het begin van een hevige polemiek tussen Calvijn en Castellio over tolerantie en over de rol van de overheid in religieuze aangelegenheden.
Castellio, die Servets werken niet eens gelezen had, reageerde in december van hetzelfde jaar met het anoniem gedrukte Historia de morte Serveti en schreef een antwoord op Calvijns apologie met de uitgave van De haereticis, an sint persequendi („Over de ketters, of zij vervolgd moeten worden“), een bundeling van teksten waarin Johannes Chrysostomus, Augustinus van Hippo, Martin Luther (Over het wereldlijke gezag, in hoeverre men die gehoorzaamheid schuldig is), Erasmus en zelfs Calvijn zelf (Commentaar op Seneca's De Clementia uit 1532) zich tegen de doodstraf voor ketters uitspraken. In zijn pleidooi voor religieuze tolerantie beriep hij zich op Luther. Castellio schreef de inleiding tot het werk zelf, maar onder het pseudoniem Martinus Bellius en droeg het werk op aan Christoph, hertog van Württemberg. Het werd een hele polemiek met Calvijn en Beza, waarop Castellio in 1554 wederom een publicatie uitbracht: Contra Libellum Calvini. In deze publicatie bestreed Castellio het recht van de wereldlijke macht om afwijkingen in de kerkelijke leer met geweld te bestrijden. Het geschrift bevatte Castellio's bekendste citaat: Hominem occidere non est doctrinam tueri sed hominem occidere. (Een mens doden betekent niet een leer verdedigen, het betekent een mens doden.) —Sebastian Castellio, Contra libellum Calvini
Castellio betoogde dat Christus ons geen absolute waarheid heeft onderwezen, maar de liefde. De kerk mag tegen afwijkende opvattingen alleen het door Paulus beoogde wapen inzetten, namelijk overreding. Het maakt ook geen goede indruk op Turken en Joden als diegenen die de naam van Christus bekennen, door Christenen zelf met vuur, water en zwaard en zonder mededogen, omgebracht worden en wreder worden behandeld dan dieven en struikrovers.Geciteerd door Guggisberg (1997), pagina 97–98. Castellio verwees ook nog naar Jezus' parabel van het "Onkruid onder het tarwe" (Matteüs 13:24-30,37-43). Christenen mogen het laatste oordeel niet eigenmachtig vellen. Hiermee onderscheidt de gereformeerde kerk zich niet van de katholieke Inquisitie.
Voor zover Calvijn en Castellio nog door een deur konden, was dat nu voorgoed verleden tijd. Calvijn noemde Castellio een "werktuig van Satan" en verbood diens Bijbelvertaling.
De laatste jaren thumb|Sebastian Castellio (1515-1563)