Geoffrey Ernest ("Geoff") Duke OBE (St. Helens (Lancashire), 29 maart 1923 – Douglas (Man), 1 mei 2015) was een Brits motorcoureur en ondernemer. Hij werd twee keer wereldkampioen in de 350cc-klasse en vier keer in de 500cc-klasse.
Privéleven Geoff Duke was de zoon van een bakker. Zijn ouders waren er sterk op tegen dat hij ging motorrijden, nadat zijn oudere broer Eric bij een motorongeval met een 250cc-New Imperial zwaar gewond was geraakt. Desondanks kocht Geoff al in 1935 (toen hij twaalf jaar oud was) samen met twee vrienden voor tien shilling een 250cc-Raleigh uit 1923, even oud als hij zelf was. In 1939 kreeg Geoff echter een baan als telefoonmonteur waarvoor hij zijn eigen vervoer nodig had. Hij kreeg van zijn ouders toestemming om een tweedehands 175cc-DOT te kopen. In 1942 nam hij vrijwillig dienst en werd hij sergeant-instructeur bij het Royal Signals Motorcycle Display Team ("The White Helmets"), een vrijwilligerskorps van de Britse verbindingsdienst dat demonstraties met motorfietsen verzorgde. Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij eerst bij BSA en daarna trad hij in dienst van Norton, waar hij deel uitmaakte van het trialteam.
In 1951 trouwde hij met Patricia Reid. Ze kregen twee zoons. Patricia overleed in 1975. Geoff trouwde daarna met Dorothy Eagles, maar dit huwelijk hield niet lang stand. In 1978 trouwde hij voor de derde keer, met Daisy.
Zakenman Na zijn terugtreden uit de racesport werd Duke actief als zakenman op het eiland Man. Hij beheerde een motorzaak, een autogarage, enkele hotels en was van 1978 tot 1985 directeur van de Manx Line, een scheepvaartonderneming die de eerste roll-on-roll-off-veerdienst tussen Man en het Britse eiland onderhield. Om naar zijn werk te gaan gebruikte hij nog steeds de motorfiets. In 1981 werd hij ook directeur van Duke Video, dat door zijn zoon Peter was opgezet en dat videobanden en DVD's over races en bekende coureurs verkoopt. Dat bedrijf bestaat nog steeds.
Overlijden Geoff Duke woonde bij het West Baldwin Reservoir in het hartje van het eiland Man, maar overleed op 1 mei 2015 in het verpleeghuis Elder Grange in Douglas. In de week voor zijn begrafenis organiseerde zijn zoon Peter zijn laatste rit met een lijkwagen over de Snaefell Mountain Course. miniatuur|links|De lijkwagen van Geoff Duke bij de TT Grandstand, voor een laatste ronde over de Snaefell Mountain Course.
Amateurcarrière 1948-1949 Geoff Duke debuteerde in het najaar van 1948 met een 350cc-Norton 40M tijdens de Manx Grand Prix op het eiland Man, waar hij in de Junior Race uitviel. De Manx Grand Prix was meer op amateurs en beginnelingen gericht dan de "grote" Isle of Man TT. In 1949 keerde hij terug naar Man, in het voorjaar voor de 500cc-Clubmans Senior TT, die weliswaar tijdens de Isle of Man TT verreden werd, maar ook voor amateurs bedoeld was. Geoff won die Clubmans Senior TT met ruim twee minuten voorsprong. In het najaar won hij ook de Senior Race van de Manx Grand Prix voor Norton-rijder Cromie McCandless, maar in de 350cc-Junior Race waren de rollen omgedraaid en won McCandless voor Duke.
Profcarrière
1950 Het was Norton wel duidelijk dat Geoff Duke zich op de 60km-lange Snaefell Mountain Course goed thuisvoelde en daarom werd hij in het seizoen 1950 opgenomen in het fabrieksteam. Daardoor kwam hij ook in het wereldkampioenschap wegrace uit. Zijn prestaties in de Manx Grand Prix en de Clubmans Senior TT waren ook ruim voldoende om te promoveren naar de Isle of Man TT. Norton had haar eencilinder Norton Manx-fabrieksracers flink onder handen genomen. De motoren hadden een korte slag gekregen en het garden gate frame was vervangen door het door Rex- en Cromie McCandless ontwikkelde dubbel wiegframe, waarvoor Harold Daniell de naam "Featherbed" bedacht. Hoewel Duke al 27 jaar oud was, was hij jong vergeleken met zijn teamgenoten Artie Bell (36), Harold Daniell (41) en Johnny Lockett (35). In het seizoen 1949 was Norton verslagen door AJS in de 500cc-klasse en door Velocette in de 350cc-klasse, maar in 1950 kwam de tegenstand van de viercilinder Gilera 500 4C en opnieuw van Velocette. In de Junior TT eindigde Duke als tweede, ruim een minuut achter teamgenoot Artie Bell, maar in de Senior TT kwam hij 2½ minuut eerder dan Bell over de finish. Hier kwamen de Gilera's echter niet aan de start en Velocette-coryfeeën Bob Foster en Reg Armstrong vielen uit. In de 350cc-race van de Grand Prix van België werd Duke derde achter Bob Foster en Artie Bell. In de 500cc-race ging het mis toen alle Norton-fabrieksrijders moesten opgeven door bandenproblemen en Umberto Masetti met zijn Gilera de 500cc-race won, nadat Duke wel de snelste ronde had gereden. Tot overmaat van ramp raakte Artie Bell zodanig gewond dat hij nooit meer zou kunnen racen. In de 350cc-race van de TT van Assen werd Duke tweede achter Bob Foster. In de GP van Zwitserland werd hij in de 350cc-race derde en in de 500cc-race vierde, in beide gevallen als beste Norton-coureur. In de Ulster Grand Prix won Duke de 500cc-klasse, maar hij kon niet in de 350cc-klasse starten omdat die tijdens dezelfde race verreden werd. Tijdens de GP des Nations won Geoff Duke beide klassen, waardoor hij ook beide klassen als tweede in het wereldkampioenschap wegrace afsloot.
1951, eerste en tweede wereldtitel In het seizoen 1951 was Geoff Duke waarschijnlijk de enige fabriekscoureur voor Norton. Het team sloeg de Spaanse Grand Prix echter over en ook in de GP van Zwitserland scoorde Duke door een defecte ontsteking geen punten. Daarna kwam het seizoen voor Duke echter pas goed los. In de Junior TT werd hij de eerste rijder die een ronde boven de 90 mijl per uur reed en hij brak ook het racerecord. Ook in de Senior TT brak hij het ronderecord en het racerecord. In de GP van België kwam pas de eerste confrontatie met de Italianen van Gilera en Moto Guzzi en Duke won zowel de 350- als de 500cc-race waardoor hij in beide klassen aan de leiding van de WK-stand kwam. In de TT van Assen won hij zijn derde 500cc-race op rij. Alfredo Milani bracht de spanning in de 500cc-klasse tijdens de GP van Frankrijk weer wat terug doordat Duke slechts vijfde werd, maar Duke won wel de 350cc-race. Tijdens de Ulster Grand Prix stelde Duke beide wereldtitels zeker door beide klassen te winnen. De GP des Nations was daardoor nog slechts een formaliteit, waarin Duke slechts enkele punten hoefde te scoren om de 500cc-constructeurstitel voor Norton veilig te stellen.
1952, derde wereldtitel Het seizoen 1952 werd geopend met de GP van Zwitserland, waar veel rijders last hadden van de lage benzinekwaliteit. Daardoor viel Geoff Duke uit in de 500cc-race nadat hij aan de leiding lag, maar ook zijn teamgenoot Reg Armstrong viel stil. Een andere teamgenoot en vriend van Geoff Duke, Dave Bennett, verongelukte tijdens deze race. Duke won wel de 350cc-race. Ook in de TT van Man won hij de 350cc-race en viel hij in de 500cc-race uit door een defecte koppeling. In de TT van Assen won hij ook de 350cc-race, maar in de 500cc-race werd hij tweede achter Umberto Masetti (Gilera). Precies hetzelfde gebeurde in de GP van België, waardoor Duke met vier 350cc-overwinning al zeker was van een nieuwe wereldtitel. Hij had twee jaar achter elkaar alle 350cc-GP's gewonnen waaraan hij deelnam. Zijn seizoen eindigde hier echter. Bij een niet-WK-race raakte hij gewond waardoor hij zijn seizoen moest afsluiten.
1953, vierde wereldtitel Geoff Duke was tot dit moment fabrieksrijder bij Norton. Hij verdiende er als monteur en testrijder tien Pond per week, zijn prijzengeld en af ten toe een kleine bonus. Het veel hogere startgeld ging naar Norton Motors Ltd. Duke was dan ook niet erg tevreden en begin 1953 kon hij zich als autocoureur bij het Aston Martin team van David Brown voegen. Hij reed de Aston Martin DB3 samen met Peter Collins in de 12 uren van Sebring, waar ze aan de leiding gingen tot Duke een ongeval kreeg. Brown moest opbieden tegen Gilera, waar Piero Taruffi sterk aandrong op het aantrekken van Duke en uiteindelijk ging Duke naar Italië. Norton verloor ook Dickie Dale en Reg Armstrong aan Gilera. In de TT van Man kwam Duke ten val, maar hij won de TT van Assen. In de GP van België reed hij de snelste ronde, maar viel hij uit. Duke won ook de Franse Grand Prix, maar Reg Armstrong, die nog geen enkele race gewonnen had, stond nog steeds aan de leiding van het WK. Dat bleef zo nadat Duke in de Ulster Grand Prix tweede werd achter Ken Kavanagh. In de GP van Zwitserland nam Duke de leiding in het wereldkampioenschap over en na zijn overwinning in de GP des Nations was hij zeker van de wereldtitel. +De mislukte "Ton" 345px|center Na de derde ronde van de Senior TT van 1955 ontstond enige tijd grote euforie toen bekend werd dat Geoff Duke met de Gilera 500 4C als eerste de "Ton" (100 mph) over een ronde gereden had. Na de wedstrijd werd het nagerekend en gecorrigeerd naar 99.97 mph. Hoe belangrijk de Ton was bleek toen het publiek hevig protesteerde en er zelfs een maandenlange discussie ontstond over de correctie van de tijd van Duke. Uiteindelijk werd de hele Snaefell Mountain Course nagemeten en toen bleek ze zelfs nog iets korter te zijn dan de officiële 37¾ mijl. Daarmee stond vast dat Geoff Duke de Ton nog niet gehaald had (97,93 mph). +De Geoff Duke Special miniatuur|345px|center In 1954 ontwikkelden Bert Hopwood en Doug Hele een 250cc-racer voor BSA, de BSA MC1. Ze wisten Geoff Duke zover te krijgen de machine te testen. Met 35 pk was de motor even sterk als die van de NSU Rennmax en sterker dan de Moto Guzzi Bialbero 250. Er was nog veel te verbeteren, zoals de remmen en de powerband, maar het frame voldeed goed. BSA was echter bang voor gezichtsverlies en zette de machine onder de naam van het niet meer bestaande merk Rudge in. Bovendien moest Hele garanderen dat Duke met de MC1 een internationale race op Silverstone zou winnen. Die garantie kon Hele niet geven, waarop het project werd beëindigd. Het management was ook niet gelukkig met het feit dat Geoff Duke de machine had ingeschreven voor de Lightweight 250 cc TT van 1955 onder de naam "GDS" (Geoff Duke Special). De pers ontdekte al snel dat het om een BSA ging, terwijl het project nog geheim was. De wedstrijd ging voor Duke niet door.
1954, vijfde wereldtitel In het seizoen 1954 was Gilera beducht voor de nieuwe Moto Guzzi viercilinder en Franco Passoni hing op advies van Geoff Duke de motor 7½ cm lager in het frame. Er werd geëxperimenteerd met de vogelbekstroomlijn en aan het einde van het seizoen reed Duke voor het eerst met een druppelstroomlijn. De Gilera 500 4C was op die manier nog steeds veel te sterk voor de tegenvallende Moto Guzzi en de grootste tegenstand kwam uiteindelijk van Ray Amm met de Norton Manx. Duke leidde de GP van Frankrijk, maar werd door motorproblemen slechts als twaalfde geklasseerd. Tijdens de TT van Man werd hij tweede achter Ray Amm. De overwinning van Amm werd tevergeefs aangevochten door Gilera omdat de race na vier ronden werd afgebroken toen Duke al een pitstop had gemaakt en Amm nog niet. Daarna won Duke vijf races op rij, waardoor hij opnieuw wereldkampioen werd.
1955, zesde wereldtitel In het seizoen 1955 won Geoff Duke zijn laatste wereldtitel. Daar speelden de gebeurtenissen tijdens de TT van Assen een rol bij. Duke viel tijdens de GP van Spanje uit door ontstekingsproblemen, maar hij won de Franse Grand Prix voor zijn stalgenoten Libero Liberati en Reg Armstrong. Vervolgens won hij de TT van Man met een nieuw ronderecord van 97,93 mijl per uur en de GP van Duitsland. In de Grand Prix van België reed hij de snelste ronde, maar viel hij uit, net als zijn naaste belager, teamgenoot Reg Armstrong.
Rijderstaking in Assen (Meest waarschijnlijke gang van zaken, opgetekend door Otto Kuipers in Het Motorrijwiel 2015 nr. 138, o.a. na gesprekken met coureur Jack Ahearn.)