Graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen (Slot Siegen,Menk (2004), p. 193.Aβmann & Menk (1996).Glawischnig (1974) vermeldt geboren in Siegen. Alle oudere bronnen die een geboorteplaats vermelden, schrijven geboren in Dillenburg. 7 juni 1561Alle bronnen die een volledige geboortedatum vermelden, noemen deze datum. – aldaar,Lück (1981), p. 126.De overige bronnen die een overlijdensplaats vermelden, schrijven overleden in Siegen. 27 september 1623Op een na alle bronnen die een volledige overlijdensdatum vermelden, noemen deze datum. Alleen Glawischnig (1974) vermeldt de datum 7 oktober 1623. Het is niet duidelijk of de auteur bedoeld heeft om de door de andere bronnen vermelde datum om te rekenen naar de Gregoriaanse kalender, noch of die door de andere bronnen vermelde datum volgens de Juliaanse kalender is.), Duits: Johann VII. ‘der Mittlere’ Graf von Nassau-Siegen (officiële titels: Graf zu Nassau, Katzenelnbogen, Vianden und Diez, Herr zu Beilstein), was sinds 1606 graaf van Nassau-Siegen (een deel van het graafschap Nassau) en de stamvader van het Huis Nassau-Siegen, een zijtak van de Ottoonse Linie van het Huis Nassau. Hij was een van de belangrijkste militaire theoretici uit zijn tijd die voor veel vernieuwingen zorgde, en uitvindingen deed. Zijn Kriegsbuch bevatte alle militaire kennis van zijn tijd, maar ook veel nieuwe ideeën, die een essentiële bijdrage leverden aan de hervorming van het Staatse leger door zijn neef Maurits. Johan diende in het Staatse leger, was kolonel-generaal van de Palts en opperbevelhebber van het Zweedse leger. Zijn reputatie reikte tot ver buiten de grenzen van het Heilige Roomse Rijk.
Biografie miniatuur|links|Slot Siegen in 2011. Johan werd op 7 juni 1561 op Slot Siegen geboren als de tweede zoon van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote landgravin Elisabeth van Leuchtenberg.Alle bronnen die beide ouders vermelden, noemen deze ouders.
Johan bezocht eerst de gravenschool in Siegen en ging daarna – in 1576Dek (1970), p. 86. – samen met zijn drie oudste broers Willem Lodewijk, George en Filips en zijn neef, Maurits van Nassau, naar de Universiteit van Heidelberg, maar verliet deze op verzoek van zijn vader al het jaar daarop. Hij betreurde zijn vertrek geenszins, want hij vond ‘das Studieren nicht anmutig’.Lück (1981), p. 92. Johan werkte zich al vroeg in de administratie, financiën en militaire zaken van zijn vaders graafschap in.Glawischnig (1974).
Johan ‘de Oude’ had plannen om de financiën van het graafschap Nassau-Siegen te saneren door een rijk huwelijk van zijn zoon, maar toen Johan ‘de Middelste’ verklaarde dat hij zijn hart al geschonken had, deed de vader niet de minste poging om de politieke rede te laten zegevieren over de wens van de zoon. Dit spreekt voor de karakters van vader en zoon, die altijd uitstekend met elkaar konden opschieten en elkaar op de beste manier aanvulden. Door zijn huwelijk in 1581 met gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen (net als zijn grootmoeder gravin Juliana van Stolberg-Wernigerode weduwe van een graaf van Hanau-Münzenberg) versterkte Johan ‘de Middelste’ de verhoudingen binnen de Wetterauer Grafenverein en droeg zo – ook zonder wezenlijke financiële bijdrage – bij tot de versterking van het Huis Nassau.
Militaire carrière Bijdragen aan de militaire hervorming van zijn vader Johan beleefde zijn eerste militaire veldtocht onder paltsgraaf Johan Casimir in 1583,Volgens Dek (1970), p. 86 diende Johan al in 1578 in het leger van Johan Casimir van de Palts. waarvoor troepen werden verzameld in de omgeving van Siegen. Johan maakte toen kennis met de praktijk van huurlingenlegers, waarvan zijn vader hem in talloze gesprekken de nadelen had beschreven.Lück (1981), p. 92-94.
Johan hield zich vanaf 1584 bezig met het versterken van de verdedigingswerken van Nassau en de Dillenburg. Bij de militaire hervorming van Johan ‘de Oude’, vooral diens invoering van de algemene dienstplicht, zorgde Johan ‘de Middelste’ voor een betere opleiding. Uitgaande van het besef dat men de dienstplichtige onderdanen niet hulpeloos naar de slachtbank mocht leiden, zorgde hij voor een degelijke opleiding van de manschappen onder de wapenen. Hij bestelde uniforme geweren van hetzelfde kaliber voor hen, zodat de een de ander kon helpen met kogels. En hij creëerde uniforme kleding, zich er duidelijk van bewust dat de mannen zich in dat uniform soldaat zouden voelen. Uniformen en uniforme bewapening waren iets geheel nieuws voor die tijd. De Siegerländer Landesausschluß droeg een bruine hoed met een veer en een blauwe voering, een geel lederen of linnen wambuis, een rode overjas met een blauwe voering en een witte kraag. Broeken en kousen waren blauw. Dit uniform kwam overeen met het kostuum dat reeds in 1481/82 voor de mannen van het schuttersgilde van Siegen uit de Nederlanden was aangeschaft.Lück (1981), p. 94.
Voor het trainen met het geweer vond Johan de dril uit. De manschappen stonden welwillend tegenover deze maatregel, omdat zij zelf zagen hoe zij door voortdurende oefening een enorme tijdwinst behaalden in het hanteren van wapens en daardoor een grote voorsprong hadden op hun tegenstanders. Tegen de algemene dienstplicht is in de Nassause stamlanden, en vooral in het eerst getroffen Siegerland, nooit enig protest gerezen, want de strijd van de graven voor de vrijheid van de Nederlanden beschouwde de bevolking ook als hun eigen strijd. Zij deelden met de landsheer de bijbels gefundeerde overtuiging van het recht van deze opstand tegen de verkrachting van lichaam en ziel.
miniatuur|Het Beleg van Groenlo in 1597. Uit de Spieghel ofte afbeeldinghe der Nederlandtsche Geschiedenissen, 1613. In Staatse dienst Verhoudingsgewijs laat, namelijk pas in 1592, betrad Johan het Nederlandse oorlogstoneel. Daar woonde hij de belegeringen van o.a. Steenwijk en Coevorden bij.Dek (1968), p. 234.Blok (1911), p. 1221. Met prins Maurits had hij eerder een band als broer dan als neef, omdat zij hun jeugd samen hadden doorgebracht in Dillenburg en Siegen. Toen Johan hem en zijn broer Willem Lodewijk zijn aantekeningen met zijn gedachten over een militaire opleiding liet zien, werd dat ‘nun wol im anfang ein solches veracht und für Superfluum gehalten’. Spoedig echter moest Maurits inzien dat de Ausschußmänner uit het graafschap Nassau-Siegen en de gelijk opgeleide boeren uit het Westerwald beter waren dan de Nederlandse soldaten. Onmiddellijk werd de aanpak van Johan in alle garnizoenen van de verenigde provincies ingevoerd. Een nieuw type mortier dat door Johan was uitgevonden, samen met de bijbehorende brandkogels, die hij beide in Siegen had laten gieten, werd in 1597 uitgeprobeerd bij het beleg van Groenlo en had een verwoestend effect.
Militair theoreticus Johan zette zijn gedachten op papier wanneer ze bij hem opkwamen: onder de titels Observationes, Landesrettungswerk, Memorial, Discours, enz. Samen vormen zij een Kriegsbuch dat alle militaire kennis van die tijd weerspiegelt, maar vooral een schat aan geheel nieuwe ideeën bevat, van de kunst van grote vestingwerken tot de meest voordelige inrichting van een ‘geheime kamer’. Zijn militaire geschriften legden de grondslag voor de overmacht van het Staatse leger en vormden zo een essentiële bijdrage tot de overwinning. Ze werden in 1973 opnieuw uitgegeven.Zie: Johan was een van de belangrijkste militaire theoretici uit zijn tijd en zijn reputatie reikte tot ver buiten de grenzen van het Heilige Roomse Rijk.
Opperbevelhebber van het Zweedse leger Op het grote operatieterrein van de contrareformatie had koning Sigismund III, de katholieke Wasa, Polen en Zweden in zijn hand verenigd. Diens oom, de calvinistische hertog Karel van Södermanland leidde de oppositie tegen Sigismund. Johan vond het een zaak voor protestanten om Karel te ondersteunen. Daarom reisde hij, met toestemming van de Wetterauer Grafenverein, naar het strijdtoneel in Lijfland. Eerst bezocht hij echter zijn broer Willem Lodewijk in Friesland, en pas toen ook deze het plan goedkeurde en Johan Nassau onder de hoede van zijn broer wist, begaf hij zich naar Karel, die hij op 16 juli 1601 in Pernau ontmoette. Karel bood Johan onmiddellijk het opperbevel aan,Volgens Dek (1970), p. 86 en Dek (1968), p. 234 werd Johan door Karel benoemd tot veldmaarschalk. Volgens Lück & Wunderlich (1956), p. 32 en Vorsterman van Oyen (1882), p. 115 benoemde Karel Johan tot generaal en veldmaarschalk. Glawischnig (1974) en Joachim (1881), p. 266 vermelden net als Lück (1981), p. 95 geen rang, maar alleen dat het ging om het opperbevel. dat hij ‘trotz der geringen Lusten’ aannam, maar slechts voor de duur van drie maanden, want het Zweedse leger verkeerde in een meer dan slechte staat. Het voetvolk bijvoorbeeld was zo miserabel bewapend, dat Johan karren met spijkers erop bedacht en onmiddellijk liet maken, die voor de infanterie uit werden voortgeduwd en een grote bescherming tegen de aanvallende cavalerie bewezen te zijn. Dergelijke spijkerkarren werden decennialang bewaard in het arsenaal van Siegen.Lück (1981), p. 95.
Na drie maanden, waarin Johan verschillende schermutselingen had gewonnen en veel materiaal van de Polen had buitgemaakt, maar het beleg van Riga niet tot een goed einde had kunnen brengen, smeekte Karel hem om in Lijfland te blijven en het opperbevel te blijven voeren. Johan liet zich overhalen. Onmiddellijk daarna brak zo'n felle koude uit dat binnen zes weken 40.000 mensen doodvroren en verhongerden, waaronder 4500 van de 6000 voetsoldaten uit Nassau. En weer, na drie maanden, werd Johan overgehaald om te blijven. Toen werden echter door eerst de invallende dooi en daarna een muiterij alle militaire operaties tenietgedaan. Johan schreef tevergeefs om geld te krijgen om de troepen te betalen. Hij had zijn kettingen en juwelen al lang verpand voor soldij. Uiteindelijk nam hij echt afscheid. Karel stelde voor de reis naar Lübeck een Zweeds oorlogsschip ter beschikking, dat wegens hevige stormen lange tijd op Bornholm moest blijven. Johans soldij van 18.000 gulden was 29 jaar later nog steeds niet door de Zweden betaald.
En toch had de zware noordse reis Johan iets goeds gebracht. Hij ontmoette de jongste dochter van hertog Johan van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg (een broer van koning Frederik II van Denemarken) en trouwde in 1603 met haar, hoewel hij al een zoon had die een jaar ouder was dan deze Margaretha. Johans eerste vrouw was al in 1599 overleden.
In dienst van de Palts In 1599 bood keurvorst Frederik IV van de Palts Johan het ambt van kolonel-generaal aan om de landverdediging te reorganiseren. In 1610 was Johan aanvoerder van de unietroepen van de Palts.
Toen de Opper-Palts (waar zijn moeder vandaan kwam) bedreigd werd, was het feit dat Johan met dertien vaandels ruiterij en zes vaandels voetvolk klaarstond op de Neidenauer Heide voldoende om de vijand, het Passau-Leopoldinische volk, van een aanval af te houden. Na dit korte optreden in de Opper-Palts bereidde de stad Neurenberg hem een ontvangst ‘wie sonst nicht leichthin geschieht und nur Wenigen widerfährt’.Lück (1981), p. 99.
In 1621 organiseerde hij de landverdediging van de Palts tegen de Spanjaarden onder Ambrogio Spinola. De Spaanse druk op Nassau dwong hem echter tot voortijdige terugtrekking en liet zo zijn levenswerk mislukken.
miniatuur|links|Graaf Johan VII van Nassau-Siegen. Anoniem portret, 1611, Siegerlandmuseum, Siegen. Voorvechter van de protestantse eenheid