De zorgverzekering of basisverzekering is een ziektekostenverzekering voor ingezetenen van Nederland, die verplicht is onder de Zorgverzekeringswet (Zvw, van kracht sinds 1 januari 2006). De zorgverzekering dekt noodzakelijke, op genezing gerichte, zorg.
Kenmerken van de zorgverzekering zijn de verzekerings- en acceptatieplicht. De verzekeringsplichtigen moeten zich verzekeren en de verzekeraars zijn verplicht iedereen die dat wil te accepteren. De overheid stelt de inhoud van de basisdekking vast. Voor volwassenen geldt sinds 1 januari 2008 een eigenrisicoregeling. In 2006 en 2007 gold een no-claimregeling.
Met de invoering van de zorgverzekeringswet kwam het onderscheid tussen particuliere ziektekostenverzekeringen en ziekenfonds te vervallen. Tevens kwamen de speciale regelingen voor ambtenaren te vervallen. Hiermee werd het mechanisme van marktwerking ook voor de zorgsector ingevoerd. Zorgverzekeraars concurreren om de gunst van de verzekerden en zorgverleners concurreren om via het proces van zorginkoop gecontracteerd te worden door de zorgverzekeraars.
Geschiedenis zorgverzekering
Het eerste arbeidersziekenfonds In 1741 werd De Timmermansbus opgericht, een Nijmeegse gildebus die later zou worden omgezet in een ziekenfonds. Door regelmatig een bedrag in de bus te doen konden deelnemers een beroep doen op de bus om de dokter te betalen als een van hen ziek werd. De Timmermansbus is een voorloper van de zorgverzekeraar VGZ.
In 1874 verzochten timmerlieden in Amsterdam, die waren aangesloten bij het door dokters gerunde 'Algemeen Ziekenfonds Amsterdam', om de contributiegelden die ze aan het AZA betaalden in de bouw van goedkopere arbeiderswoningen te steken.
De hooghartige doktoren uit die tijd waren niet gediend van dit verzoek en antwoordden 'dat de werklieden zich wat meer op hun werk, en wat minder op dagdieverij moesten toeleggen'. Dit gaf de doorslag tot de oprichting van het Algemeen Onderling Ziekenfonds Door en Voor Werklieden. De Amsterdamse timmerlieden gaven zo de aanzet tot de oprichting van talloze fondsen in Nederland, waarmee de arbeidersbeweging het lot van de 'verworpenen der aarde' wilde verbeteren. Deze onderlinge verzekeringen van arbeiders en vakbond worden een gezichtsbepalend deel van het ziekenfondswezen. Hier ontstond de ziekenfondsverzekering voor minder bedeelden.
Eerdere ziekenfondsen Vóór de oprichting van het bovengenoemde ziekenfonds waren er al andere ziekenfondsen. Het eerste initiatief komt uit dezelfde sector die nu weer het heft in handen neemt: de commerciële verzekeraars. De oude ambachtsgilden hebben hun ziekenkassen ('gildebussen'), maar de eerste echte ziekenfondsen worden al opgericht omstreeks 1780. Met deze fondsen richten verzekeringsmaatschappijen en particulieren zich op mensen die onder de belastinggrens vallen en die bij ziekte een beroep moeten doen op stedelijke of kerkelijke armenfondsen.
De medici waren niet altijd gelukkig met het beleid van de verzekeraars. Artsen en apothekers richtten daarom in 1846 het al eerder genoemde Algemeen Ziekenfonds Amsterdam op, dat zorgde voor een vrije artsenkeuze, betere honoraria en een inkomensgrens om voor de artsen de ziekenfonds- van de particuliere praktijk te scheiden.
Regeringsbemoeienis Vanaf 1900 richtten enkele werkgevers een eigen ziekenfonds voor het personeel op. Vanaf 1905 begint de regering zich met de ziekenfondsen te bemoeien. Een eerste initiatief van het kabinet-Kuyper in 1905 sneuvelt als gevolg van de vele belangen. De (later Koninklijke) Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde (K)NMG komt met eigen regelingen, zorgpakketten en contracten, waarmee de arme kant van Nederland zo goed en zo kwaad als het kan van basiszorg wordt voorzien.
Ziekenhuisopname zat toen nog niet in het pakket. Als iemand werd opgenomen, moest hij een beroep doen op de Armenwet. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was circa twee derde van de Nederlanders verzekerd.
Niet een Nederlands kabinet maar de Duitse bezetter heeft uiteindelijk een algemeen en verplicht ziekenfonds ingevoerd. In 1941 nemen zij het ziekenfondsenbesluit, waardoor alle werknemers onder een bepaalde loongrens (de ziekenfondsgrens) verplicht lid worden. Het ziekenfonds werd gebaseerd op de Duitse Krankenkasse. 'Na de bevrijding worden de zorgpakketten sterk uitgebreid. In de beginjaren, tot 1960, zijn de ziekenfondsboden het gezicht van de ziekenfondsen. De boden legden de contributies op en zorgden voor uitbetaling aan de artsen. Na 1960, met de komst van de giro en de afschaffing van het loonzakje, verdwijnen de boden. Langzamerhand fuseren de aanvankelijke tweehonderd kleine ziekenfondsen tot enkele tientallen aan het begin van de 21e eeuw.
Nadat de oorlog beëindigd was, duurde het tot 1965 vooraleer de politiek erin slaagde een eigen wettelijke regeling te ontwikkelen: de Ziekenfondswet. Deze wet werd op 1 januari 1966 ingevoerd. De Ziekenfondswet regelde de zorg in natura en werd daarmee de eerste zorgverzekeringswet. Twee jaar later volgde de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het daarmee ingevoerde stelsel komt al snel onder druk door de snelle stijging van de kosten. Die kostenstijging is de aanleiding tot tal van overheidsmaatregelen om de kosten te beheersen.
Hervormingen In 1974 lanceerde staatssecretaris Hendriks van Volksgezondheid de gedachte van een volksverzekering tegen ziektekosten voor de hele Nederlandse bevolking.
Op verzoek van het tweede kabinet Lubbers was de commissie Dekker ingesteld, vernoemd naar haar voorzitter, Philipstopman Wisse Dekker. In 1987 bracht deze commissie een rapport uit inzake de structuur en financiering van de gezondheidszorg. Het rapport heette: Bereidheid tot verandering. Het voorstel-Dekker hield in, een basisverzekering voor alle Nederlanders waarin 85 procent van de bestaande voorzieningen werden ondergebracht.Witness Seminar 'Getuigen van vier decennia stelselwijzigingen in de zorg', Kenniscentrum Historie Zorgverzekeraars
Staatssecretaris Simons nam in 1989 de basisprincipes uit het plan-Dekker in grote lijnen over in zijn nota 'Werken aan zorgvernieuwing' ('plan-Simons'). Maar begin jaren negentig mislukte zijn poging om een basisverzekering in te voeren.Hans Simons, activiteiten als bewindspersoon: Nota 'Werken aan zorgvernieuwing', Europa Nu
Minister Borst blies het plan voor een basisverzekering in 2001 nieuw leven in met haar nota Vraag aan bod.
Voortbouwend op de plannen van zijn voorgangers diende minister Hoogervorst in 2004 een volledig uitgewerkt wetsvoorstel Zorgverzekeringswet bij de Tweede Kamer in. Hij verdedigde dit wetsvoorstel met succes in het parlement. De nieuwe wet trad op 1 januari 2006 in werking. Met de Zorgverzekeringswet kwamen ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden onder dezelfde paraplu. Zowel de ziekenfondsen als de particuliere ziektekostenverzekeraars gingen verder onder de naam zorgverzekeraar.
Bij de invoering van het nieuwe zorgstelsel in 2006 stapte 19,1% van de Nederlanders over naar een andere verzekeraar. Daarna bleef de verwachte marktwerking uit en viel het aantal jaarlijkse overstappers terug tot 4%. De laatste jaren lijkt er weer enige beweging in de markt en stijgt het aantal overstappers licht.Jaarlijkse overstapmonitor Independer.nl
thumb|150px|De toenmalig minister van VWS Hans Hoogervorst wordt gezien als de geestelijk vader van het nieuwe zorgstelsel
Het huidige Nederlandse zorgverzekeringsstelsel De Nederlandse Grondwet stelt: De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid
De Nederlandse staat heeft gekozen voor een systeem dat bedoeld is om medische zorg voor iedereen financieel bereikbaar te maken. Het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel bestaat sinds 2015 uit twee volksverzekeringen en twee decentrale regelingen: Wet langdurige zorg (Wlz) Zorgverzekeringswet (Zvw) Een deel van de langdurige zorg is gedecentraliseerd naar de gemeenten: Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo2015) Jeugdwet
De Wlz regelt de zorg voor mensen die 24 uur per dag toezicht nodig hebben, op medisch, geestelijk of lichamelijk gebied. De Wlz wordt uitgevoerd door de Zorgkantoren. De grootste zorgverzekeraar in een bepaald gebied is concessiehouder, en krijgt daarmee de plicht voor het uitvoeren van de Zorgkantoorfunctie. De verzekeraar zelf verdient hier niets aan, maar levert er ook niet op in: alle kosten voor het uitvoeren van de Zorgkantoorfunctie worden betaald uit de Wlz. Cliënten kunnen kiezen voor zorg in een instelling of zorg thuis. Zorg thuis kan geleverd worden vanuit een instelling of door de cliënt zelf geregeld worden via een persoonsgebonden budget.
De Zorgverzekeringswet bepaalt dat elke Nederlands ingezetene verplicht verzekerd is op de basisverzekering, welke kosten de basisdekking vergoedt en waaraan de verzekeraars moeten voldoen. In een aparte wet, de Wet op de zorgtoeslag, wordt geregeld dat de overheid bijdraagt in de premies voor ingezetenen met een laag inkomen.
De Wet maatschappelijke ondersteuning regelt dat mensen gecompenseerd worden voor hun beperking zodat ze ongehinderd kunnen deelnemen aan de maatschappij. Dit kan in de vorm van ondersteuning, huishoudelijke hulp, beschermd wonen, mobiliteitshulpmiddelen of aanpassingen aan de woning. Hoe de ondersteuning geregeld wordt, is ter beoordeling van de gemeente. De Jeugdwet zorgt voor preventie, ondersteuning bij opvoeding en problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid van kinderen tot 18 jaar.
Verzekeringsplicht Alle Nederlands ingezetenen zijn verplicht zich te verzekeren. Met Nederlands ingezetenen worden gelijkgesteld: Niet-ingezetenen werkzaam in buitenland bij Nederlandse overheidsinstelling Niet-ingezetenen met dienstbetrekking in Nederland Bemanning van schepen en vliegtuigen met Nederlandse thuishaven
Bij grensarbeiders kan daardoor worden gesteld dat de verzekeringsplicht samenhangt met het land waar belasting wordt betaald.
Vrijgesteld van de verzekeringsplicht zijn gemoedsbezwaarden en militairen in actieve dienst. Iemand die verzekeringsplichtig wordt, is verplicht zich binnen vier maanden te verzekeren.
Meerderjarigen moeten zichzelf verzekeren, alsmede hun minderjarige kinderen. De systematiek van de wet voorziet dus niet in het verzekeren van kinderen van minderjarige ouders. In ziekenhuizen moeten deze daarom "pro Deo" behandeld worden.
Gemoedsbezwaarden
Een gemoedsbezwaarde is iemand die, vaak vanuit religieuze overwegingen, principieel tegen het afsluiten van verzekeringen is. Deze persoon kan van de minister van Financiën ontheffing krijgen van de verzekeringsplicht. Naast de zorgverzekering is dit onder meer ontheffing voor de WA-dekking van de autoverzekering en sociale verzekeringen, zoals de kinderbijslag, AOW en WIA. De gemoedsbezwaarde moet aantonen dat hij geen enkele verzekering heeft afgesloten.
Militairen Het ministerie van Defensie betaalt de medische kosten van militairen. Hierdoor zijn zij vrijgesteld van de verzekeringsplicht. Voor militairen is er voor de zorg gerelateerde kosten de Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK)Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht die door het ministerie van Defensie belast is met de uitvoering van de Ziektekostenverzekering Krijgsmacht.
Onverzekerd Wanneer niet wordt voldaan aan de verzekeringsplicht dan is de onverzekerde een boete verschuldigd van 130% van de nominale premie (richtpremie, vastgesteld door ministerie) over de onverzekerde periode.
Ook achteraf kan een verzekerde een boete opgelegd krijgen als blijkt dat hij gedurende een bepaalde tijd onverzekerd is gebleven.
Acceptatieplicht