De Slag bij Ligny, gevochten op 16 juni 1815 in en rond Ligny, was een Franse overwinning onder keizer Napoleon I op een Pruisisch leger onder maarschalk Gebhard Leberecht von Blücher. Het was Napoleons laatste overwinning. Het grootste deel van het Pruisische leger overleefde de slag en speelde twee dagen later een cruciale rol in de Slag bij Waterloo.
Ligny, in de provincie Namen, was destijds een zelfstandige plaats. Tegenwoordig is het een deelgemeente van Sombreffe.
Prelude Na Napoleons terugkeer uit zijn ballingschap op Elba in maart 1815 besloten de geallieerden hem opnieuw ten val te brengen in de Zevende Coalitie. De Russen en Oostenrijkers stonden midden juni al aan de Rijn. Napoleon besloot de Britten en Pruisen in de Zuidelijke Nederlanden te verslaan voordat de geallieerde legers een gecoördineerde aanval op Frankrijk konden inzetten. De geallieerde troepen aan de Franse noordgrens waren ten behoeve van hun voedselvoorziening over een groot gebied verspreid en dus kwetsbaar voor een plotse geconcentreerde aanval. Het Pruisische Leger van de Nederrijn was in vier legerkorpsen uitgerekt tussen Bergen en Luik. Omdat Napoleon niet als nieuwe heerser erkend werd, was het formeel vrede tussen Nederland en Frankrijk.
left|thumb|Wellington belooft von Blücher te Brye hem te hulp te komen
In de nacht van 14 op 15 juni overschreed Napoleon, die zijn troepen van 11 mei af in het geheim bij Maubeuge had samengetrokken, met zijn leger de Nederlands-Franse grens en trok te Charleroi de Samber over. De plaats werd slechts licht verdedigd door een eenheid van het meest westelijke Pruisische Iste Legerkorps dat onder bevel stond van luitenant-generaal Hans Ernst Karl Graf von Zieten.
Von Zieten waarschuwde von Blücher. Hij kreeg bevel de Franse opmars te vertragen, terwijl hij zich in oostelijke richting terugtrok naar Ligny, conform een bestaand plan het Pruisisch leger daar te concentreren als Napoleon over Charleroi mocht oprukken. Tevens gaf von Blücher bevel het Pruisische IIe Legerkorps onder Georg Dubislav Ludwig von Pirch, gelegerd rond Hoei, en IIIe Legerkorps onder Johann von Thielmann, gelegerd in Namen, in westelijke richting naar Ligny op te laten trekken. Het Pruisische IVe Legerkorps onder Friedrich Wilhelm Bülow von Dennewitz gelegerd in Luik bleef te ver verwijderd om tijdens de slag een rol te spelen omdat Bülow in de middag van 15 juni een bevel van chef-staf August Neidhardt von Gneisenau negeerde om vast naar Hannuit op te rukken. Het bevel was namelijk niet door von Blücher ondertekend en von Gneisenau stond lager in anciënniteit. Het IVe Korps zou pas bij zonsopgang op de 16e vertrekken en had rond het middaguur Hannuit bereikt.
Napoleons plan was om op 15 juni door een snelle oostelijke beweging de Pruisen richting Luik op de vlucht te drijven. Waren de Pruisen in de avond van 16 juni in volle aftocht dan zou hij proberen de Britten bij Brussel te overvallen door een onverwachte opmars in de nacht van 16 op 17 juni. Nog in de ochtend van 16 juni ging hij ervan uit dat deze opzet gelukt was en dat nog maar een klein zetje nodig was om de volgens zijn schatting veertigduizend Pruisen bij Fleurus tot de aftocht te dwingen. Het Pruisische concentratieplan was hem in wezen dus ontgaan. Hij verwachtte ook geen serieuze tegenstand voor zijn linkerflank bij Quatre-Bras en zijn troepen daar werden niet speciaal versterkt omdat ze toch niet verder mochten oprukken dan Genepiën om de Britten niet voortijdig weg te jagen. Napoleon verwachtte op 16 juni nergens echt slag te hoeven leveren. Belangrijke eenheden werden daarom in reserve gehouden zonder dat ze duidelijke bevelen hadden welke flank ze moesten versterken, moesten ze onverhoopt toch worden ingezet.
De Britten en Pruisen hadden al in mei besloten om elkaars legers te ondersteunen. De commandant van het Engels-Nederlandse leger, de hertog van Wellington, verwachtte echter een schijnaanval bij Charleroi en de echte aanval bij Gent. Op 15 juni geloofde hij daarom de eerste berichten over een groot Frans offensief niet en hij begon zijn troepen pas in de nacht van 15 op 16 juni te concentreren in zuidoostelijke richting. Hij bracht in de late ochtend van 16 juni von Blücher een bezoek bij Brye en beloofde dat, als hij niet bij Quatre-Bras werd aangevallen, hij von Blücher te hulp zou komen. Hij stelde voor dat hij eerst naar Charleroi op zou rukken en dan Napoleon van achteren aan zou vallen. Von Gneisenau wees dit echter af omdat het te lang zou duren. Hij suggereerde dat de Britten de Fransen direct op hun linkerflank bij Ligny zouden aanvallen. Wellington zegde dit toe, de verwachting uitsprekend nog die middag in het gevechtsverloop te kunnen ingrijpen. In feite waren zijn troepen daartoe nog lang niet in staat. Het is een twistpunt onder historici of hij alleen een slecht beeld had van de positie van zijn eenheden — of wellicht opzettelijk de situatie te gunstig voorstelde uit angst dat de Pruisen anders zouden terugtrekken. Tevens adviseerde hij von Blücher om diens infanterie achter de heuvelruggen terug te trekken, om minder blootgesteld te staan aan het Franse artillerievuur. Von Gneisenau antwoordde hierop kortaf: "onze mannen zien de vijand liever recht in het gezicht".
Opstelling thumb|upright=1.35|Illustratie van de Slag bij Ligny
Het Pruisische opperbevel had in de ochtend van de 16e grote bedenkingen bij de hele operatie. Men had geen goed gezicht op de posities van de Franse eenheden en verwachtte door de volledige Franse strijdmacht aangevallen te zullen worden waarvan men de sterkte op grond van spionageberichten op 130 000 man schatte. Volgens het oorspronkelijke plan had men daar zo'n 115 000 man tegenover kunnen stellen maar het te laat komen van het IVe Korps verminderde dat met 32 000 man. Wellingtons toezegging was dus een hele geruststelling. De hele dag zou men menen tegenover een grote Franse numerieke overmacht te staan. Bülows eigenwijsheid beroofde de Pruisen van de kans op een grote overwinning want het Franse leger bij Fleurus telde in feite maar 65 000 man. De Pruisen hadden ernstige rekruteringsproblemen gehad. Door de vele oorlogen was de eigen bevolking leeggebloed. Men moest een beroep doen op jonge dienstplichtigen en slechtere troepen van de Landwehr. Er was een poging gedaan manschappen uit andere gebieden in te lijven doch met maar weinig succes. Von Blücher had achtduizend Saksen naar huis moeten sturen toen die aan het muiten sloegen bij het bericht dat de helft van het Koninkrijk Saksen bij het Congres van Wenen aan Pruisen werd toegedeeld. Rijnlanders, die bijna twintig jaar Frans staatsburger waren geweest, bleken politiek erg onbetrouwbaar te zijn. Daarentegen bestonden de meeste Franse troepen uit veteranen met veel gevechtservaring, ten dele afkomstig uit de tweehonderdduizend krijgsgevangenen die de geallieerden in 1814 hadden vrijgelaten.
thumb|upright=1.35|Kaart van de omgeving van de slag
De Pruisische opstelling was bedoeld om de slechtere kwaliteit van hun troepen te compenseren. In het open veld was de kans groot dat die in een vuurgevecht het onderspit zouden delven, vooral bij beweeglijke manoeuvres. Daarom werden ze opgesteld bij de beek van de Ligne waarvan het water en de steile oevers een aanval konden breken. Aan de beek lagen vele kleine dorpjes. In de huizen daarvan had men schietgaten gemaakt en de toegangswegen waren gebarricadeerd. Zo ontstond een sterke verdedigende positie. Het nadeel was wel dat de concentratie troepen kwetsbaar was voor Frans artillerievuur. Ze gedekt achter de heuvelruggen opstellen in een reverse slope-tactiek zoals Wellington voorstelde, was echter geen optie: dat vergde een tactische kundigheid en flexibiliteit die de Pruisen simpelweg niet bezaten.
Von Blücher had het Ie Korps van het Pruisische leger opgesteld langs de Ligne. De dorpjes Wagnelee, Saint-Amand en Ligny waren alle versterkt door Pruisische troepen. Het IIIde korps onder von Thielmann dekte een (te) ver uitgespreide linkerflank. Met alleen verdedigen kon men echter geen overwinning behalen. Ten westen van de vallei lag een open vlakte. Het oorspronkelijke plan was om hierover met een plots opduikend IVe Korps de Fransen in de linkerflank aan te vallen. Nu dat korps ontbrak, werd die taak aan Pirchs IIe Korps gegeven dat daartoe achter het Ie Korps werd opgesteld. Dat betekende wel dat de verdedigingslinie verzwakt moest worden. De reserveopstelling van het IIe Korps, direct achter het eerste, zou het voor de Fransen zeer moeilijk maken op dit punt een beslissende doorbraak te bewerkstelligen.
Von Blüchers staf had van de molen bij Brye af een goed uitzichtpunt, evenzo gebruikte Napoleon de molen bij Fleurus, te Naveau, als uitzichtpunt. Ze lagen op ongeveer drie kilometer afstand van elkaar. Een schilderij van de slag toont typisch minstens één molen. Napoleon overzag de slag met een grote telescoop die een speciale page steeds met zich meedroeg. Zijn genie timmerde in korte tijd een brede reling om het molenlichaam waar de keizer op kon staan.
Napoleon leidde de slag vanuit Fleurus, waar hij het Gardekorps concentreerde. Hij gaf aan maarschalk Emmanuel de Grouchy het bevel de Pruisen te verdrijven met de twee legerkorpsen die uit het zuiden gearriveerd waren: het Franse IIIe Korps onder Dominique Vandamme stond met 17 000 man tegenover St. Amand, het IVe Korps onder Étienne Maurice Gérard tegenover Ligny. Napoleons plan was een frontale aanval, terwijl de cavalerie van de Grouchy de Pruisische linkerflank zou omsingelen en oprukken naar Sombreffe. De frontale aanval paste bij de vooronderstelling dat de Pruisen toch al van plan waren terug te trekken. Napoleon had ten westen van Fleurus drie cavaleriedivisies geplaatst. Bij een sterke Pruisische verdediging konden die de beekstelling aan de westkant omvatten, over de open flank oprukkend. Maar daartoe hadden ze geen bevel gekregen: ze werden in reserve gehouden voor de nachtaanval richting Brussel.
Rond 11:00 kreeg Napoleon te horen dat het aantal Pruisen weleens een stuk hoger zou kunnen liggen dan de oude schatting van veertigduizend. Men zag grote eenheden uit het oosten toestromen. De grotere massa troepen schiep de gelegenheid een fors deel van het Pruisische leger in één klap uit te schakelen. Napoleon besloot de cavalerieaanval aan de oostkant te vervangen door een omvatting uit te voeren door de Keizerlijke Garde, 18 600 man sterk. Hij besefte dat het nuttig kon zijn de ontsnappingsroute naar het noordwesten af te snijden. De enkele cavaleriedivisie van Jean Domon die op de linkerflank opereerde was daartoe onvoldoende. Om 14:00 zond hij via chef-staf maarschalk Nicolas Jean-de-Dieu Soult een bevel naar maarschalk Michel Ney, de commandant van de observatiemacht die aan de linkerflank de Britten moest afdekken, om zo spoedig mogelijk het kruispunt van Quatre-Bras te nemen en dan meteen naar het oosten te zwenken in de rug van de Pruisen. Ney kon pas in de avond arriveren; mochten de Pruisen dan al verslagen zijn, zou hij beter Napoleon afwachten om gezamenlijk naar Brussel op te rukken. Het bevel was door Soult geformuleerd en is vaak bekritiseerd om de onduidelijkheid ervan. Het gaf Ney geen enkele indicatie van de urgentie van een westelijke omvatting en vroeg hem te voorspellen wanneer de vijandelijke nederlaag een feit was.
De veldslag thumb|upright=1.35|De opstelling bij het begin van de slag
Napoleon begon zijn aanval tussen 14:30 en 15:00 uur. Om 14:30 werden door de artillerie van de garde drie schoten afgevuurd als teken dat de slag was begonnen. Hij beval het IIIe Korps onder Vandamme en enkele gedetacheerde eenheden van het IIe Korps om Saint-Amand, een dorpje van enkele boerderijen aan te vallen. Het IVe Korps kreeg als taak om Ligny zelf aan te vallen. Zo zouden ze een concentrische aanval uitvoeren op de saillant gevormd door de bocht in de Lignebeek.
Inleidende aanvallen St. Amand