thumb|Een homohuwelijk in Amsterdam in de eerste maand na legalisatie

Nederland stelde op 1 april 2001 het burgerlijk huwelijk open voor partners van hetzelfde geslacht. Sinds 10 oktober 2012 geldt dit ook voor Caribisch Nederland. In feite is er van een afzonderlijk "homohuwelijk" in Nederland geen sprake, juridisch gezien is het gewoon een huwelijk.

In de andere delen van het Koninkrijk der Nederlanden kunnen partners van hetzelfde geslacht vooralsnog niet met elkaar trouwen doordat het Koninkrijk geen gemeenschappelijk burgerlijk recht kent.

Europees Nederland Voorgeschiedenis Het 'homofielenhuwelijk' (zoals het toen heette) werd een publieke kwestie in de zomer van 1967, toen twee jongemannen tijdens een votiefmis in een Rotterdamse, rooms-katholieke kapel ringen uitwisselden.David Bos, 'De twee bruidegommen Harry en Jean-Marie lieten hun relatie 50 jaar geleden al zegenen, in een kerk', Trouw, 19 augustus 2017. Gearchiveerd op 8 februari 2018. Zie ook idem, “Equal rites before the law”: religious celebrations of same-sex relationships in the Netherlands, 1960s–1990s, Theology & Sexuality, 23(3), 188-208 https://doi.org/10.1080/13558358.2017.1351123 Eind 1969 pleitte de jonge Utrechtse boekhouder, publicist en activist Harry Thomas (naar eigen zeggen leider van de Nederlandse Homofielen Partij) voor 'wettelijke erkenning van de homofiele verbintenis'.Zie David J. Bos, "Voor de grote massa": Harry Thomas, De Homofielenpartij en het dito huwelijk. Tijdschrift voor Biografie, 4(3), 49-58. De homo-emancipatievereniging COC voelde daar niet voor; zij streefde naar gelijkberechtiging van verschillende soorten (huwelijkse en niet-huwelijkse, al dan niet monogame) relaties. In mei 1970 kondigde Thomas aan dat op zondag 28 juni zijn verhouding met zekere Alex Verhoeven zou worden ingezegend in een katholieke kerk in het midden van het land. Volgens hem zou de plechtigheid worden bijgewoond door een groot aantal priesters, predikanten en buitenlandse media, en was ook Kardinaal Alfrink uitgenodigd. Mede vanwege de verontwaardigde reacties van conservatieve katholieken won deze het advies in van de interkerkelijke, progressieve Centrale Pastorale Werkgroep Homofilie. Deze ontried het publiekelijk inzegenen van homoseksuele relaties (omdat dit een averechts effect zou kunnen hebben op de homo-emancipatie) maar vond dat pastors desgevraagd wel moesten meewerken aan plechtigheden in besloten kring. In de jaren zeventig en tachtig vonden die inderdaad geregeld plaats. (Eind 1970 bleek dat Thomas de aangekondigde plechtigheid -- alsook de Partij en waarschijnlijk ook zijn geliefde -- uit zijn duim had gezogen.)Bos, 'Voor de grote massa'; idem, 'Equal Rites Before the Law'; zie ook Tielman, Rob, Homoseksualiteit in Nederland, Meppel 1982, p. 199 e.v.

In 1986 besloot de Remonstrantse Broederschap om in haar nieuwe kerkorde, in plaats van een bepaling over huwelijksbevestiging, het volgende artikel op te nemen: ‘Twee mensen die ten overstaan van de Gemeente of haar vertegenwoordigers beloven in liefde en trouw het leven met elkaar te zullen delen, kunnen over hun aldus aangegaan verbond in een kerkdienst de zegenbede laten uitspreken.’ De Remonstranten zouden voortaan geen onderscheid meer maken tussen huwelijkse en niet-huwelijkse, heteroseksuele en homoseksuele relaties.Esther van der Panne, 'Mijn God trouwt ook homo’s', DNK: Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800, 44 (2021), 51-73. Zie ook: Wibren van der Burg, ‘The recognition of gay and lesbian relationships in the Dutch Remonstrant Church’,Vroom en Vrolijk 14 (2003) 19-21; Wouter Geurtsen, Annet Hofmeijer en Ton Zondervan, Homo of hetero, gezegend ben je! Remonstranten over huwelijk en andere relatievormen. Utrecht: Interfacultaire Werkgroep Homostudies, 1991.

In de jaren tachtig zag de jurist Jan Wolter Wabeke juridische mogelijkheden om het burgerlijk huwelijk ook voor personen van gelijk geslacht mogelijk te maken. Hij nam hierover contact op met Henk Krol en in 1988 begon de stichting Vrienden van de Gay Krant, een campagne voor de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor homoseksuele mannen en vrouwen.10jaarhomohuwelijk.nl: Geschiedenis Er werd een proefproces aangespannen en uiteindelijk erkende de meervoudige kamer van de Amsterdamse rechtbank in 1989: "Nergens in de wet staat dat het huwelijk alleen bedoeld is voor een man en een vrouw, maar dat neemt niet weg dat de wetgever het huwelijk wel degelijk bedoeld heeft voor een man en een vrouw".

Toen in 1994 het eerste paarse kabinet aantrad, hadden inmiddels 100 gemeenten een voorlopig trouwregister geopend. Staatssecretaris van Justitie Elizabeth Schmitz zou nog vier jaar nodig hebben om met een voorstel voor een wettelijke relatieregeling te komen: per 1 januari 1998 konden zowel hetero's als homo's een geregistreerd partnerschap sluiten. Dit schiep echter geen afstammingsrelaties (zodat de mannelijke partner de kinderen van de vrouwelijke partner apart moet erkennen om juridisch vader te worden), maar wel als een huwelijk aanverwantschap met de "schoonfamilie". De ontbinding van een geregistreerd partnerschap is veel eenvoudiger dan de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. De overige rechtsgevolgen zijn identiek aan die van een huwelijk.

Sinds 2001 kan een geregistreerd partnerschap omgezet worden in een huwelijk. Destijds kon een huwelijk op eenvoudig verzoek omgezet worden in een geregistreerd partnerschap. Dit laatste werd weleens toegepast als twee huwelijkspartners op een snelle manier willen echtscheiden (een zogenoemde flitsscheiding): het huwelijk werd dan omgezet naar een geregistreerd partnerschap en dat partnerschap werd snel ontbonden. Sinds 2009 is de omzetting van huwelijk naar geregistreerd partnerschap niet meer mogelijk.

Paren van gelijk geslacht konden dus al kiezen voor een wettelijk geregelde samenlevingsvorm die in de meeste opzichten gelijkwaardig is aan het huwelijk. Toch is ervoor gekozen om ook het huwelijk open te stellen voor twee vrouwen of twee mannen, volgens het meerderheidsstandpunt in het rapport uit oktober 1997 van de Commissie Openstelling huwelijk. Het uitgangspunt van gelijke behandeling is daarbij doorslaggevend geweest.

Het huwelijk heeft voor veel mensen een bijzondere waarde en symboliek en de wens kan bestaan om juist op die manier een relatie te bevestigen. Er werd door de meerderheid van de commissie geen overwegende reden aanwezig geacht om paren van hetzelfde geslacht van die mogelijkheid uit te sluiten. Daarbij moet bedacht worden dat het in Nederland een misdrijf is om een kerkelijk huwelijk in te zegenen als dat niet vooraf is gegaan door een burgerlijk huwelijk.

In 1998 kwam er een tweede paarse kabinet en de nieuwe staatssecretaris Job Cohen loodste het wetsvoorstel voor openstelling van het burgerlijk huwelijk door het parlement. In de Tweede Kamer stemden 109 Kamerleden voor het wetsvoorstel: PvdA (met uitzondering van Apostolou), VVD, D66, GroenLinks, SP en Verburg, Dankers en Wijn (CDA). 33 leden stemden tegen: CDA (met uitzondering van de drie voorgenoemde), RPF, SGP en GPV. In de Eerste Kamer stemden PvdA, VVD, D66, GroenLinks en de SP voor, en CDA, RPF, SGP en GPV tegen. De wet die dit regelt trad op 1 april 2001 in werking. Dit was wereldwijd de allereerste legalisatie van een huwelijk tussen twee partners van hetzelfde geslacht.

Nederland kent geen apart homohuwelijk, oftewel een huwelijksvorm die uitsluitend gericht is op twee personen van hetzelfde geslacht. Het burgerlijk huwelijk is juridisch gezien voor alle combinaties van partners (man-man, man-vrouw en vrouw-vrouw) hetzelfde.

Juridisch De Nederlandse Wet van 21 december 2000 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht (Wet openstelling huwelijk), ingegaan op 1 april 2001, heeft Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (over personen- en familierecht) gewijzigd, met als voornaamste wijziging de toevoeging van de bepaling in artikel 30: Een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van gelijk geslacht.Het eerste lid van artikel 31, "Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.", is gehandhaafd, maar betekent slechts "Om een huwelijk te mogen aangaan moet een persoon de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt."

Er is dus voor gekozen om het bestaande burgerlijk huwelijk, dat voorheen alleen openstond voor personen van verschillend geslacht, open te stellen voor gelijkgeslachtelijke stellen. Het Nederlandse huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen heeft dan ook in beginsel dezelfde condities en rechtsgevolgen als het huwelijk tussen een vrouw en een man: De voorwaarden en regels voor het aangaan, sluiten en beëindigen zijn dezelfde; De verplichtingen en rechten van de echtgenoten ten opzichte van elkaar zijn dezelfde.

Er zijn echter twee belangrijke verschillen: Een huwelijk tussen twee vrouwen of twee mannen schept geen afstammingsrelatie met de kinderen van de echtgenoten, een huwelijk tussen een vrouw en een man vaak wel; de mannelijke echtgenoot wordt namelijk van rechtswege juridisch vader van de tijdens het huwelijk geboren kinderen van zijn vrouw (ook al is hij niet de biologische vader), maar de vrouwelijke echtgenoot wordt niet van rechtswege juridisch moeder van de kinderen van haar vrouw - zij is echter wel stiefouder (en heeft dus een onderhoudsplicht en mag geen later huwelijk aangaan met het kind) en kan daarnaast als zodanig bij de rechter om het gezag over de kinderen verzoeken. Als haar partner de enige juridische ouder is, hebben beiden van rechtswege het gezamenlijk gezag. Ook de mannelijke echtgenoot is op dezelfde wijze stiefouder van de kinderen van zijn man. Pas als de stiefouder het kind adopteert, ontstaat tussen beiden een afstammingsrelatie. Het kind heeft in dit geval dan twee juridische vaders (en geen juridische moeder meer: de adoptie snijdt deze band door) of twee juridische moeders. Een vrouw kan geen kind van een andere vrouw erkennen. De erkenning in het buitenland van een huwelijk tussen twee vrouwen of twee mannen kan (en zal meestal) problemen geven. De heersende leer in de rechtsstelsels van de meeste landen beschouwt dit soort huwelijken als absoluut nietig. Een uitzondering vormen Aruba, Curaçao en Sint Maarten die deel uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden en volgens het Statuut elkaars akten (dus ook de huwelijksakte) dienen te erkennen, ook al kennen zij zelf het homohuwelijk niet.

Binnen de Europese Unie gaan steeds meer stemmen op om legaal gesloten homohuwelijken (zoals van Nederland, België, Spanje) over en weer te erkennen. Ook is het niet noodzakelijk zo dat een Nederlands homohuwelijk dat in een ander land niet als dusdanig wordt erkend, daar helemaal geen rechtsgevolgen heeft: de Duitse Bundesfinanzhof (oppergerecht in fiscale zaken) heeft bijvoorbeeld een huwelijk tussen twee Nederlandse vrouwen als "Eingetragene Lebenspartnerschaft", dus als een soort geregistreerd partnerschap erkend. Een geregistreerd partnerschap tussen twee partners van hetzelfde geslacht geeft in het algemeen echter minder problemen waar het gaat om de erkenning van de relatie. Veel landen die een huwelijk tussen twee mannen of vrouwen niet erkennen, erkennen namelijk wél een geregistreerd partnerschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.