Mohandas Karamchand Gandhi (Gujarati: મોહનદાસ કરમચંદ ગાંધી) (Porbandar, 2 oktober 1869 – New Delhi, 30 januari 1948), vaak Mahatma Gandhi (Gujarati: મહાત્મા ગાંધી) genoemd, was een Indiase jurist en politiek leider en sociaal hervormer, die nationaal en spiritueel leider van India werd rondom de dekolonisatie van voormalig Brits India.
Na een rechtenstudie in Engeland vertrok Gandhi naar Zuid-Afrika, waar hij zich voor de Indiase bevolkingsgroep inzette. Na terugkeer in India werd hij leider in de Indiase onafhankelijkheidsstrijd. Mahatma Gandhi was een van de grondleggers van de moderne staat India en voorstander van actieve geweldloosheid als middel voor revolutie.
Gandhi spande zich ook in voor verzoening tussen hindoes en moslims in India. Hij werd in 1948 in New Delhi vermoord door een extremistische hindoe. Zijn geboortedag wordt gevierd als Gandhi Jayanti. Bij Raj Ghat, een monument pal aan de rivier de Yamuna in New Delhi, wordt zijn favoriete lied Raghupati Raghava gezongen en wordt op de ouderwetse wijze katoen gesponnen.
Biografie Achtergrond
Gandhi werd geboren in Porbandar, een stad in de staat Gujarat, India. Hij was de zoon van Karamchand 'Kaba' Gandhi, die al sinds zijn 25ste (in 1847) de positie van diwan (minister-president) van de provincie Porbandar bekleedde, en ook zijn grootvader Uttamchand 'Ota' Gandhi had dat ambt een tijd uitgeoefend. Zijn moeder Putlibai was Kaba's vierde vrouw. Mohandas was haar vierde kind na een zoon Laxmidas, een dochter Raliat, en nog een zoon Karsandas. Hij had ook twee oudere halfzussen uit de eerste twee huwelijken van zijn vader.
Putlibai was een vroom aanhanger van het Vaishnava-hindoeïsme en het dorp was sterk beïnvloed door het jaïnisme. De Pranami-secte die ze aanhing bracht ook moslim-elementen in de eredienst; de Pranamitempel in Porbandar had geen iconen of afbeeldingen, alleen teksten uit Hindoegeschriften en uit de Koran.
Gandhi groeide op met het principe ahimsa (geen pijn doen aan alle wezens) en was vegetariër. De familie Gandhi behoorde tot de Bania-klasse, de derde laag in de Hindoe-klassenmaatschappij na de Kshatriya en de Brahmanen. Ze bestond vooral uit handelaars en geldleners. Ze was strenger vegetarisch dan zowel de hogere als de lagere kasten en aten vooral gierst en rijst naast verschillende soorten linzen. Ze vermeden het gebruik van tabak en alcohol.
Vroege jaren
In 1874 trok vader Kaba naar Rajkot om er koninklijk adviseur te worden. Twee jaar later promoveerde hij er tot diwan en vervoegde zijn gezin hem in die stad. Of Mohandas in Porbandar school heeft gelopen, is niet zeker, maar hij heeft dat zeker wel in Rajkot gedaan. In 1879 ging hij naar de Talukschool waar hij de vakken rekenkunde, Gujarati en geschiedenis en aardrijkskunde kreeg. Hij was slechts onregelmatig aanwezig en haalde middelmatige tot slechte resultaten. In 1880 slaagde hij voor het ingangsexamen van de Kattywar High School, waar hij naast hogergenoemde vakken ook Engels kreeg.
In 1881 verhuisde het gezin van een huurwoning naar een groot eigen huis. Mohandas' schoolprestaties waren ondermaats. In 1882 was zijn vader ziek en bleef hij vaak weg uit de school; hij nam ook niet deel aan het jaarexamen. Vanaf 1883 ging het beter: hij was regelmatig aanwezig en haalde gemiddeld 68% op het jaarexamen. Op het eindexamen in april 1884 daalde dat tot 58%. Zijn zuster zou later, als hij al beroemd was, tegen een Amerikaanse journalist beweren dat haar broer een goede leerling was en altijd als eerste eindigde, maar dat is in strijd met overgeleverde documenten.
De meeste van zijn sociale contacten behoorden tot zijn eigen subkaste Modh Bania. Bij zijn klasgenoten waren Bania van andere subkasten en enkele Brahmanen. Zijn beste vriend was de oudere moslimjongen Sheikh Mehtab, die hij had leren kennen via zijn oudere broer Karsandas en die na een paar keer zakken in Mohandas' klas was beland.
left|thumb|Gandhi en zijn vrouw Kasturba(1902)
Op zijn dertiende, vermoedelijk in 1883, werd Kasturba Makharji aan hem uitgehuwelijkt. Mohandas was tevoren al twee keer verloofd, maar telkens was het meisje overleden voor het huwelijk kon worden voltrokken. Gandhi zou het kinderhuwelijk, destijds en ook nu nog veel voorkomend in India, later in zijn werken bekritiseren. Hij verklaarde ook dat hij erg verliefd was op zijn kindbruid.
Kasturba kwam uit een Bania-familie in Porbandar. Ze was de dochter van Makanji Kapadia, een rijke handelaar in stoffen en katoen. Ze verhuisde naar het huis van de Gandhis enkele maanden na het huwelijk.
In 1885 overleed zijn vader Kaba. Enkele weken later had Kasturba een miskraam. Mohandas haalde dat jaar goede schoolresultaten met een onverwachte uitschieter in wiskunde. In december 1886 promoveerde hij naar de zevende en hoogste graad van de school. In 1887 slaagde hij voor het strenge zogeheten Matriculatie-examen in Ahmedabad.
Gandhi was een middelmatige student aan de Universiteit van Bombay. In 1888 kreeg hij op zijn negentiende de mogelijkheid rechten te studeren aan het University College London. Engeland viel hem erg tegen, want hij kon er bijna niet vegetarisch eten en er werd ook veel alcohol gebruikt in zijn omgeving. Gandhi sloot zich aan bij de Vegetarian Society en begon een regionale afdeling.
In 1891 voltooide Gandhi zijn studie en keerde terug naar India. Zijn advocatenkantoor had weinig succes en in 1893 nam hij in Natal in Zuid-Afrika aangeboden werk aan.
Gandhi in Zuid-Afrika De periode in Zuid-Afrika was zeer belangrijk voor zijn latere vorming. Hij werd in Pietermaritzburg vanwege zijn huidskleur uit de trein gezet omdat hij weigerde met zijn eersteklaskaartje in de derde klas te gaan zitten. Er was ook racisme in Engeland geweest, maar daar werd hij toch vaak als lid van de elite gezien. In Zuid-Afrika werd hij echter vaak als uitschot behandeld. Deze harde confrontatie zorgde ervoor dat hij anders naar de wereld ging kijken.
thumb|Gandhi in Zuid-Afrika(1895) Gandhi begon zich te bemoeien met rechtszaken die draaiden om de burgerrechten van Indiase immigranten. Al snel groeide hij uit tot prominent voorvechter van de rechten van de Indiase minderheid. Gandhi stond op het punt terug te keren naar India toen hij in de krant las dat Indiërs het recht om te stemmen zouden verliezen. In 1894 was hij medeoprichter van de Natal Indian Congress. In 1896 keerde hij kort terug naar India om zijn vrouw en kinderen te bezoeken. Bij terugkeer in Zuid-Afrika, in januari 1897, probeerde men hem te vermoorden.
In september 1906, tijdens een bijeenkomst in Johannesburg, introduceerde Gandhi de satyagraha (trouw aan de waarheid) en zette hij zijn plannen om over te gaan tot vreedzaam protest uiteen. Gandhi riep het volk op zich te verzetten tegen de pasjeswetgeving, maar er mocht geen geweld worden gebruikt en niet eens worden gescholden. In de zeven jaar die hier op volgden werden duizenden in elkaar geslagen, gevangengezet en vernederd, maar er werd van de kant van de Indiërs geen geweld gebruikt. Het publiek in Zuid-Afrika begon meer en meer sympathie te krijgen voor Gandhi en uiteindelijk was generaal Jan Christian Smuts gedwongen om met Gandhi te onderhandelen.
In 1914 besloot Gandhi terug te keren naar India. Voor zijn verdienste voor de ambulances in Zuid-Afrika ontving Gandhi de exclusieve Kaisar-i-Hind van de Britse Onderkoning van India.
Gandhi in India thumb|Mohandas Gandhi(1915) In 1915 keerde Gandhi terug naar India en werd ingewerkt in de politiek door Gopal Krishna Gokhale, de leider van de Congrespartij. Gandhi stichtte een ashrama (hindoeïstische gemeenschap) in Ahmedabad, de Sabarmati Ashram. In 1918 leidde hij een grootschalige burgerlijke ongehoorzaamheidsbeweging in Champaran, waar de boeren gedwongen werden om indigo te verbouwen. Hij begon de dorpen te reorganiseren en scholen en ziekenhuizen te bouwen. De autoriteiten arresteerden Gandhi, met massale protesten door honderdduizenden tot gevolg. Gandhi werd vrijgelaten en leidde een proteststaking tegen landeigenaren. Gandhi kwam als overwinnaar uit de strijd. Rond deze tijd kreeg hij de bijnamen Bapu (vader) en Mahatma (grote ziel), waarmee hij al in Zuid-Afrika was aangeduid.Gandhi, Rajmohan (2006) p. 172: "... Kasturba would accompany Gandhi on his departure from Cape Town for England in July 1914 en route to India. ... In different South African towns (Pretoria, Cape Town, Bloemfontein, Johannesburg, and the Natal cities of Durban and Verulam), the struggle's martyrs were honoured and the Gandhi's bade farewell. Addresses in Durban and Verulam referred to Gandhi as a 'Mahatma', 'great soul'. He was seen as a great soul because he had taken up the poor's cause. The whites too said good things about Gandhi, who predicted a future for the Empire if it respected justice. (p. 172)"
In 1919 werd de Rowlatt-wet van kracht die de overheid in staat stelde om mensen zonder rechtszaak in de gevangenis te zetten. Gandhi en de Congrespartij organiseerden massale protesten. Alle steden en dorpen staakten en de overheid besloot de noodtoestand uit te roepen. In Punjab vond tijdens een vreedzaam protest de Slachting van Amritsar plaats waar volgens officiële bronnen 379 burgers door het leger werden gedood. Andere bronnen houden het op meer dan 1000 slachtoffers. Deze slachting veroorzaakte een enorm trauma in het land en woede en geweld konden niet worden onderdrukt.
Gandhi zond uit protest zijn in Zuid-Afrika toegekende Kaisar-i-Hind terug aan de Brits-Indische regering.
Gandhi bekritiseerde beide partijen, zowel de Britten alsook het geweld van de Indiërs, en hield een zeer emotionele toespraak waarin hij zei dat alle geweld kwaad is. De Indiërs moesten niet schuldig worden aan haat jegens Britten. Hij besefte dat onafhankelijkheid de enige oplossing was en ging streven naar zelfbestuur.
In april 1920 werd Gandhi voorzitter van de in 1916 door Dr. Annie Besant opgerichte All-India Home Rule League en eind 1921 werd hij voorzitter van de Congrespartij. Gandhi vond dat onafhankelijkheid een van de doelen in het partijprogramma moest worden en begon zijn geweldloze platform uit te breiden met de swadeshi – boycot van buitenlandse goederen, Britse in het bijzonder.
Als voorbeeld nam hij kleding en hij riep iedereen op zelf garen te spinnen, stof te weven en kleding te maken. Bovendien vond Gandhi dat vrouwen ook een rol moesten vervullen in de onafhankelijkheidsbeweging. Het protest richtte zich uiteraard niet alleen op de kleding maar op een grootschalige burgerlijke ongehoorzaamheid tegen de Britse bezetting. De campagne kende succes, maar in februari 1922 ging het mis in Chauri Chaura toen daar geweld werd gebruikt. Gandhi, die zeer strikt in zijn geweldloze overtuiging was, riep op tot beëindiging van de campagne. Ironisch genoeg werd Gandhi zelf gearresteerd wegens aanzetting tot rebellie. Gandhi werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. In februari 1924 werd hij vervroegd vrijgelaten.
Tijdens de afwezigheid van Gandhi was de Congrespartij in tweeën gesplitst. Ook de samenwerking tussen moslims en hindoes, die in het begin heel hecht was, begon scheuren te vertonen. Gedurende de jaren 1920-1929 bleef Gandhi meestal op de achtergrond en hield hij zich vooral bezig met het op één lijn krijgen van de Swaraj-Partij en het Indiaas Nationaal Congres. In december 1928 trad hij weer op de voorgrond.
De Britse autoriteiten probeerden een commissie voor een grondwetswijziging in te stellen, maar die bestond uitsluitend uit Britten. Gandhi riep op tot een boycot van de Indiase politiek. Tevens stelde hij dat als de Britten India niet een "dominion"-status (gedeeltelijke autonomie) zouden geven, de massale protesten zouden terugkeren en er dan volledige onafhankelijkheid zou worden geëist. 26 januari 1930 werd door het Indisch Nationaal Congres uitgeroepen tot dag van onafhankelijkheid voor India. Deze wordt nog elk jaar gevierd.
thumb|Gandhi tijdens de zoutmars