De Libanese Burgeroorlog (Arabisch: الحرب الأهلية اللبنانية , Al-Ḥarb al-Ahliyyah al-Libnāniyyah) was een burgeroorlog in Libanon van 13 april 1975 tot 13 oktober 1990 die resulteerde in de dood van ongeveer 250.000 mensen. Ten gevolge van deze burgeroorlog sloegen bijna één miljoen mensen uit Libanon op de vlucht.

Voor de oorlog was Libanon een land waarin vele geloven samenleefden: de soennieten en christenen leefden voornamelijk in de kustplaatsen en de sjiieten zaten vooral in het zuiden en in de Bekavallei. Daarnaast leefden er ook druzen en christenen in de Libanese bergvlaktes. De regering indertijd stond onder grote invloed van de maronitische christenen. Religie en politiek waren sinds de tijd dat Libanon een mandaatgebied was van Frankrijk (die duurde vanaf 1920 tot 1943) sterk met elkaar verweven. De opbouw van het parlement bevoordeelde de christenen, die hierdoor meer te zeggen kregen dan andere landgenoten. Hiertegenover stond dat Libanon een steeds grotere groep moslims huisvestte en veel pan-Arabieren en mensen met een links gedachtegoed tegenhanger waren van de westers georiënteerde regering. De vestiging van de staat Israël en het feit dat honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen naar Libanon kwamen tijdens de emigratiestromen van 1948 en 1976 droegen er aan bij dat de moslimgemeenschap de grootste geloofsgroep van Libanon werd. De Koude Oorlog had bovendien ook een sterke invloed op de breuk tussen geloofsgemeenschappen. De Koude Oorlog was sterk verbonden met de polarisatie in Libanon en de politieke crisis van 1958, aangezien de maronieten het Westen goedgezind waren, terwijl de pan-Arabieren, aan de kant van Arabische landen, o.a. Egypte stonden die de Sovjet-Unie steunden.

Toch was het conflict niet geheel sektarisch van aard; in de burgeroorlog ontstonden talrijke allianties en tegenallianties, waarbij ook vaak mensen die dezelfde religie deelden of juist van ideologie verschilden de wapens tegen elkaar opnamen: "Arabische nationalisten die een bondgenootschap met Syrië vormden, vochten tegen Arabische nationalisten die een bondgenootschap met Irak hadden. Beschermers van de politieke status quo en supporters van de Palestijnse bevrijding vochten een oorlog uit, fascisten en socialisten voerden oorlog tegen elkaar, mensen die politieke sektarisme steunen of bestreden vochten tegen elkaar, kapitalisten en communisten vochten tegen elkaar. Christenen vochten tegen Christenen en Moslims vochten tegen Moslims voor redenen variërend van ideologie tot de winstmarges van afpersing en militie " taxatie" van gebieden onder hun controle."

Gevechten tussen de maronieten en Palestijnse strijdkrachten (voornamelijk de PLO) begonnen in 1975, toen socialisten, pan-Arabieren en islamitische groepen in Libanon een alliantie sloten met de Palestijnen. Tijdens deze gevechten waren de bondgenootschappen onvoorspelbaar veranderlijk. Bovendien kwamen andere landen, zoals Israël en Syrië ook in de burgeroorlog terecht en vochten ieder mee met de vechtende groep die zij goedgezind waren.

In 1989 werd het Vredesakkoord van Taif getekend en dit werd officieel het begin van het einde der gevechten. In januari 1989 begon een commissie, aangesteld door de Arabische Liga, oplossingen voor het conflict te formuleren. In maart 1991 werd de amnestiewet aangenomen; dit hield in dat ieder die politieke misdaden begaan had tijdens de burgeroorlog niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. In mei 1991 werden alle groepen ontwapend, op Hezbollah na. Na de oorlog hielden de spanningen tussen de soennieten en de sjiieten aan.

Achtergronden Globaal kan worden gesteld dat onder de moslimbevolking van Libanon in de beginjaren 70 van de 20e eeuw een groeiende onrust ontstond. Bij de onafhankelijkheid van Libanon in 1943 werd namelijk bepaald dat de christenen de helft van de parlementszetels zouden krijgen, alsmede belangrijke posities mochten innemen, zoals het presidentschap en het opperbevelhebberschap van het Libanese leger. De zetelverdeling en verdeling van machten was gebaseerd op de laatste volkstelling uit 1932, toen de christelijke bevolking (zelf absoluut ook geen homogeen blok) uit 55% van de bevolking bestond. Gemakshalve werd hierbij geen rekening gehouden met het feit dat dit percentage gedurende het dekolonisatieproces sterk aan het afnemen was. Er gingen steeds meer stemmen op om het politieke stelsel te herzien, iets waar de christelijke minderheid weinig voor voelde.

Als bijkomende oorzaak kan tevens de destabiliserende factor van de PLO worden genoemd. De PLO vluchtte sinds de Zwarte September van 1970 uit Jordanië en vond met name in Libanon onderdak. Vanuit Zuid-Libanon begon de PLO met aanvallen op het noorden van Israël. De aanwezigheid van de PLO zorgde hierdoor voor een constante dreiging van vergeldingsacties door het Israëlische leger.

Chronologisch verloop van de oorlog

13 april 1975 Gevechten tussen de PLO en de falangistische partij Kataeb verspreidden zich in delen van Beiroet, voornamelijk in de binnenstad, die geheel verwoest werd en het ontstaan van de zogenaamde 'groene lijn', die Beiroet in twee delen splitste; het westelijke islamitische deel en het oostelijke christelijke deel. Aan beide zijden werden veel milities gevormd en honderden burgers werden vermoord of gegijzeld. De regering raakt verdeeld en het leger splitst zich op in meerdere delen. De milities nemen veel taken van de staat over. januari 1976 Het bloedbad van Karantina en het bloedbad van Damour vinden plaats. mei 1976 Elias Sarkis wordt gekozen tot president. de zomer van 1976 Het bloedbad van Tel al-Zaatar vindt plaats. Het Syrische leger intervenieert voor de eerste keer. oktober 1976 De Arabische Liga werkt met succes samen om een wapenstilstand te bereiken tussen de strijdende partijen. februari-maart 1978 De honderddaagse oorlog begint en de wapenstilstand eindigt. De VN zendt hierop troepen naar Libanon. Ondertussen worden de strijdende partijen (de christenen en de moslims) ieder gesteund door buitenlandse machten. februari 1979 De Iraanse Revolutie vindt plaats, die de sjiitische bewegingen in Libanon aanmoedigt te radicaliseren. juli 1980 Bashir Gemayel, leider van de Kataebpartij, verenigt de strijdkrachten van alle christelijke milities. Hij richt een nieuwe politieke partij op, de Libanese Strijdkrachten. de zomer van 1982 Zowel de invasie van Israël in Libanon als het beleg van Beiroet vindt plaats. Bashir Gemayel wordt op 23 augustus tot president gekozen en 14 september vermoord, 2 dagen later gevolgd door de bloedbaden in Sabra en Shatila. De Israëliërs trekken zich uiteindelijk terug. Amin Gemayel wordt tot president gekozen. april 1983 De aanslag op de Amerikaanse ambassade in Beiroet vindt plaats. zomer 1983 De Bergoorlog begint. oktober 1983 De aanslag op de internationale vredesmacht in Beiroet vindt plaats. februari 1984 Het Libanese leger wordt verdreven uit West-Beiroet. Het had na de terugtrekking van Israël in heel Beiroet de macht overgenomen. Het leger werd beschuldigd van partijdigheid ten opzichte van de Libanese krachten en massale arresten. Amal en de Druzische Progressieve Socialistische Partij nemen de macht over in West-Beiroet. Multinationals trekken zich terug uit Libanon. februari 1985 De Israëliërs trekken zich terug uit Sidon, maar blijven aanwezig in het zuiden. Het gewapend verzet tegen de Israëliërs wordt heviger, voornamelijk door Hezbollah.

De oorlog van de kampen vindt plaats. oktober 1985 Een poging tot moord wordt gepleegd op de leider van Hezbollah, Mohammad Hussein Fadlallah. juni-december 1987 Rashid Karami wordt vermoord op 1 juni 1987. De eerste Intifada vindt plaats en in Libanon groeit de woede tegen Israël. Honderden Libanezen en Palestijnen worden gevangen gehouden door Israël. september 1988 Amir Gemayels presidentiële termijn loopt af en hij benoemt de bevelhebber van het leger, generaal Michel Aoun, tot minister-president. 14 maart 1989 Generaal Aoun verklaart de oorlog aan de Syrische aanwezigheid in Libanon. Na zeven maanden van beschietingen wordt er een wapenstilstand bereikt door bemiddeling van de Arabische Liga. oktober-november 1989 Het vredesakkoord van Taif wordt gesloten. René Moawad wordt tot president gekozen en wordt zeventien dagen daarna vermoord. Vervolgens wordt Elias Hrawi gekozen. Generaal Aoun maakt bekend dit presidentschap niet te erkennen. 30 januari 1990 Hevige gevechten beginnen tussen het Libanese leger, dat nog steeds onder Generaal Aouns leiding staat, en de Libanese Strijdkrachten. Daarnaast vinden er gevechten plaats tussen Amal en Hezbollah en wordt het verzet tegen de Israëlische bezetting voortgezet. Ook blijft Israël al het verzet vergelden. 13 oktober 1990 Generaal Aoun wordt gedwongen om het presidentiële paleis te verlaten en gaat in ballingschap. Het bloedbad van 13 oktober vindt plaats. Selim Ahmed al-Hoss claimt de macht in Libanon, op het door Israël bezette gebied na. De gewapende strijdkrachten worden verenigd onder een centrale leiding. 24 december 1990 Een nationale verzoening wordt afgekondigd onder het leiderschap van Omar Karami. Het Vredesakkoord van Taif wordt voor het eerst echt in de praktijk gebracht. 26 augustus 1991 Het parlement neemt een amnestiewet aan. zomer van 1992 De eerste parlementsverkiezingen in twintig jaar vinden plaats.

Escalatie Algemeen wordt 13 april 1975 als het begin gezien van de Libanese burgeroorlog, die zou duren tot 1990. Op de morgen van die dag werd een aanslag gepleegd op de leider van de falangisten, een christelijke beweging onder leiding van Pierre Gemayel, waarbij vier mensen omkwamen. De falangisten vermoedden dat Palestijnse fracties achter deze aanslag zaten en vielen in reactie hierop een bus met Palestijnen aan waarbij 26 mensen omkwamen. De volgende dag braken er verscheidene gevechten uit tussen Palestijnse en falangistische milities. Het Libanese leger kwam voor de moeilijke keuze te staan: dient het Palestijnse geweld te worden aangepakt of moeten juist de falangisten worden ingetoomd? Welke beslissing men ook zou nemen, het zou verdeeldheid hebben gezaaid in het leger wegens de sterk toegenomen animositeit tussen moslims en christenen.

Ook in politiek opzicht braken er roerige tijden aan. De toenmalige premier Rashid el Solh en zijn gehele kabinet trad af en werd opgevolgd door Rashid Karami. De president, de pro-Syrische christen Suleiman Franjieh, bleef wel aan en wilde zich herkiesbaar stellen, ondanks vele oproepen om af te treden.

In de daaropvolgende maanden breidden de gevechten zich uit naar andere regio’s van het land en werden meerdere milities bij de strijd betrokken. Ruwweg ontstonden twee groeperingen: het Libanese Front, gericht op handhaving van de status quo, en de Libanese Nationale Beweging, gericht op het moderniseren van de politieke machtsverhoudingen. Het Libanese Front bestond met name uit christelijke facties, terwijl de Libanese Nationale Beweging werd gevormd door Palestijnse milities, aangevuld met de Druzen van Kamal Jumblatt.

Tegen het einde van 1975 had geen van de partijen een overwicht bereikt en talloze staakt-het-vurens werden telkens verbroken. Syrië begon zich te roeren als vredestichter aan het begin van 1976, toen bleek dat de schermutselingen van april 1975 een langdurige en bloedige wending hadden genomen.

Inmenging door PLO thumb|De situatie in 1976 thumb|Fatah-strijders in Beiroet, 1979 In januari 1976 werd onder Syrische invloed een nieuw staakt-het-vuren bedongen, maar een complicerende factor was een verhevigde uitbraak van gewelddadigheden tussen het Libanese Front en de Libanese Nationale beweging. De eerste viel een Palestijns vluchtelingenkamp in Oost-Beiroet aan, Tell Zatar. Dit kamp lag als een moslimenclave in het overwegende christelijke Oost-Beiroet en was een doorn in het oog van de christenen. Tevens werd een andere moslimwijk in Oost-Beiroet, Karantina, met de grond gelijk gemaakt waarbij vele doden vielen, onder wie talloze onschuldige burgers.