Discriminatie is het maken van onderscheid. In beginsel is dit een neutrale, breed toepasbare term, waarvan de betekenis in de 20e eeuw echter is verschoven naar: het achterstellen van individuen of groepen, op basis van kenmerken die niet relevant zijn in een gegeven situatie. Agirdag, O. (2020). Onderwijs in een gekleurde samenleving. EPO

In juridische zin is discriminatie het onrechtmatig onderscheid maken tussen mensen of groepen, oftewel het niet gelijk behandelen van gelijke gevallen, bijvoorbeeld bij sollicitaties op de arbeidsmarkt. Discriminatie kan zowel bedoeld als onbedoeld gebeuren.van de Vrede, W. (2021): 'Impliciete discriminatie over het hoofd gezien' in Vakbl Soc Werk 22, 17–19

Begripsbepaling De moderne betekenis van discriminatie verwijst naar het, zonder rechtvaardiging, anders behandelen van mensen of (minderheids)groepen vanwege bijvoorbeeld afkomst, politieke of religieuze overtuigingen, sociale gewoonten, sekse, seksuele geaardheid, taal, handicap, leeftijd. Deze vormen van discriminatie staan haaks op het grondbeginsel dat alle mensen gelijkwaardig zijn.

Discriminatie komt voort uit expliciete of impliciete stereotypen, vooroordelen en lage verwachtingen, die al dan niet bewust in daden worden omgezet. Discriminatie kan als persoonlijke en als geïnstitutionaliseerde discriminatie voorkomen.

Ook de weigering om naargelang de behoefte (bijvoorbeeld door een handicap) doeltreffende aanpassingen te verrichten, terwijl deze aanpassingen geen onevenredige belasting vormen, kan opgevat als een vorm van discriminatie.

Discriminatie beperkt degene die het overkomt in de ontplooiingsmogelijkheden, zoals deelname aan het openbaar leven, het recht van vrije vestiging, het volgen van onderwijs, het uitoefenen van een beroep.

Ethische uitwerking Dat discriminatie ethisch niet te verantwoorden is, lijkt vanzelfsprekend. Toch is het niet duidelijk of elke vorm van onderscheid tussen mensen, zelfs als deze negatieve effecten veroorzaakt, een moreel ongeoorloofde vorm van discriminatie is.

Vanuit een ethische dimensie gaat het om het verantwoorden of het moreel gegrond is om op basis van kenmerk X persoon A en B op een verschillende manier te behandelen.

Het gelijkheidsbeginsel, zoals beschreven door Aristoteles in zijn Ethica Nicomachea, stelt dat gelijke casussen een gelijke behandeling vereisen. Dat zit impliciet in de maatschappelijke en juridische definitie van discriminatie vervat, waarin gesproken wordt van "ongelijke behandeling". Volgens een fundamentele regel uit de oordeels-leer zijn er drie logische mogelijke om discriminatie te beschrijven: Alle persoonlijke kenmerken kunnen dienen als moreel geldige redenen om mensen te onderscheiden. Dit past bij de oorspronkelijke of bredere definitie van discriminatie (onderscheid), maar sluit niet aan bij de huidige maatschappelijke en juridische definitie. Daarnaast zou die omschrijving geen ethische reflectie vereisen. Geen enkel persoonlijk kenmerk kan dienen als moreel geldige reden om mensen te onderscheiden. Hoewel dit het grondbeginsel is van de mensenrechten, sluit dit niet aan bij de specifieke definities die verwijzen naar kenmerken die niet relevant zijn in een gegeven situatie. Die omschrijving zou eveneens de morele dimensie van discriminatie irrelevant maken. Sommige persoonlijke kenmerken kunnen dienen als moreel geldige redenen om mensen te onderscheiden. Hoewel die definiëring aansluit bij de alledaagse definitie, is dit niet genoeg om te oordelen over welke kenmerken moreel gezien geldige reden zijn. Aan de hand van het antidiscriminatieprincipe kunnen we die kenmerken omschrijven als legitiem en belangrijk in een bepaalde situatie. Het beginsel van de relevantie. Er bestaat geen systematische manier om ethisch te oordelen over de morele geldigheid en de (on)gelijkheid van gevallen bij het onderscheiden van mensen op basis waarvan de discriminatie wordt gedefinieerd. De reden hiervoor is dat dit afhangt van de manier waarop ethisch geoordeeld wordt over de relevantie van enerzijds de kenmerken die als legitiem en belangrijk worden geacht en anderzijds in welke gevallen er een (on)gelijkheid wordt aangeduid. Het oordelen over de relevantie zal afhangen van de achtergrond theorie, en die hun normatieve premissen, voor elk van deze drie criteria: ethische dimensie en de achtergrond theorie(en) die aan de ene kant de legitimiteit en belang van bepaalde kenmerken omvat en aan de andere kant op basis waarvan de (on)gelijkheid tussen gevallen wordt onderscheiden.

Daarnaast is er ook de ethische vraag die ontstaat bij het opstellen van een wettelijk kader rond discriminatie en die aansluit bij het recht en de vrijheid van individuen om moreel ongeoorloofd te handelen. Dit betekent dat het afbakenen van wat we beschouwen als moreel ongeoorloofd handelen losstaat van de vraag welke van die moreel ongeoorloofde handelingen wettelijk verboden moeten/kunnen worden.

Belangenconflict In een belangenconflict tussen duidelijk gescheiden groepen (bijvoorbeeld rokers versus niet-rokers) is de grens tussen een discriminerende (benadelende) inperking van de zelfbeschikking en de bescherming van anderen een afweging die voortdurend opnieuw moet worden gemaakt. Ook aangaande de godsdienstvrijheid, schoolplicht en (de beperking van) vrije godsdienstuitoefening op school spelen dergelijke belangenconflicten.

Discriminatiegronden thumb|Discriminatie op basis van seksuele geaardheid thumb|Discriminatie op basis van religie in Saoedi-Arabië Er kan worden gediscrimineerd op basis van:Unia. Wat is discriminatie?. over discriminatiegronden Afkomst (racisme) nationaliteit regionialiteit etniciteit Gender genderrollen (seksisme) genderidentiteit waaronder transseksualiteit (Binair geslachtsmodel) Seksueel gedrag en seksuele geaardheid (heteroseksisme/heteronormativiteit) Functiebeperkingen/handicap (validisme) Godsdienst/religie of levensbeschouwing Taal (taaldiscriminatie) dialect sociolect Kinderwens en ouderschap zwangerschap Leeftijd (leeftijdsdiscriminatie) Status sociale klasse (klassisme) sociaal-economische status kastenstelsel subcultuur (bijvoorbeeld punk, hippie, gothic) geboorte Persoonlijk kenmerk naam uiterlijk fysieke kenmerken (aangeboren of voorval) esthetische kenmerken (persoonlijke keuze) Gezondheidstoestand genetica Vermogen (economisch) Burgerlijke staat Samenstelling van het gezin Politieke/syndicale overtuiging Scholingsgraad (verdringing van lageropgeleiden door hogeropgeleiden bij laaggeschoold werk) Andere sociale factoren

Discriminatie door associatie Discriminatie door associatie treedt op wanneer iemand wordt geassocieerd met een ander persoon, die een afwijkend kenmerk vertoont. Vaak betreft het dan een kind van een derde, met bijvoorbeeld een uitgesproken handicap. De wetgeving in de meeste landen stelt deze vorm van discriminatie gelijk aan rechtstreekse discriminatie, " Questions and Answers About the Association Provision of the Americans with Disabilities Act wat ook door rechtspraak bevestigd wordt.Werkgever veroordeeld voor "discriminatie door associatie", Deredactie.beHandicap dochter is geen reden voor ontslag"

Bij een juridische klacht over deze vorm van discriminatie moeten drie elementen worden aangetoond: De discriminatie die betrokkene ondervindt De associatie tussen de betrokkene en de derde persoon die anders is Het oorzakelijk verband tussen het anders zijn van die derde en de ondervonden discriminatie; dit is in een rechtzaak vaak moeilijk aan te tonen.

Voornaamste vormen in de praktijk Arbeidsmarktdiscriminatie Bij discriminatie op de arbeidsmarkt worden bepaalde groepen, zonder rechtvaardiging, minder vaak uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek of minder aangeworven. Zo is er wetenschappelijk bewijs voor discriminatie op grond van afkomst, geslacht, geaardheid, godsdienst, handicap en leeftijd. Een sollicitant met een Vlaams klinkende achternaam heeft bijvoorbeeld 25 procent meer kans om te worden uitgenodigd voor een sollicitatie.

Woningmarktdiscriminatie Bij discriminatie op de woningmarkt worden bepaalde groepen, zonder rechtvaardiging, minder vaak uitgenodigd voor een woningbezichtiging in verband met huur of koop.

Onderwijsdiscriminatie Bij onderwijsdiscriminatie krijgt een leerling minder onderwijskansen, door vooroordelen of verwachtingen op basis van irrelevante eigenschappen, zoals sociaal economische status, (etnische) identiteit en gender.

Onderwijsdiscriminatie beïnvloedt de schoolprestaties, de schoolloopbaan en daarmee de arbeidskansen. Ondervonden discriminatie gaat samen met meer wangedrag, demotivatie en slechtere schoolprestaties.D'hondt, F., Eccles, J. S., Van Houtte, M., & Stevens, P. A. (2016). The attitude-achievement paradox in Belgium: An examination of school attitudes of ethnic minority students. Acta Sociologica, 59(3), 215-231

Onderwijsdiscriminatie kan op verschillende manieren impact veroorzaken.

Een eerste voorbeeld is het beïnvloeden van de doorstroommogelijkheden door een al dan niet bindend advies van de klassenleraar of het lerarenteam. In Vlaanderen worden allochtone jongeren meer dan dubbel zo vaak naar het buitengewoon onderwijs verwezen als autochtone jongeren.OECD (2004). How student performance varies between schools and the role that socio-economic background plays in this. In OECD (2004), Learning for tomorrow’s world – First results from PISA 2003. p. 186 ev

Daarnaast krijgt onderwijsdiscriminatie ook invloed op de persoon in kwestie via selffulfilling prophecy. Vooroordelen worden in bepaalde handelingen omgezet zoals discriminatie en worden daardoor geïnternaliseerd door de persoon in kwestie. Deze persoon gaat zich dus gedragen naar de verwachtingen.van der Linden, M. (2014): 'Ervaren discriminatie en de schoolprestatie van niet-westerse allochtone scholieren', Universiteit Utrecht, 8–17

Positieve discriminatie Positieve discriminatie is discriminatie die de persoon of groep die gediscrimineerd wordt bepaalde voordelen opbrengt. Positieve discriminatie is in het internationaal recht ook de enige vorm van discriminatie die wordt gedoogd. Ook roepen sommige organisaties als de VN op om tijdelijk bijzondere maatregelen te treffen die gericht zijn op versnelling van feitelijke gelijkstelling van mannen en vrouwen, zonder dat beschouwd wordt als discriminatie, ook al zou dit in normale omstandigheden wel zo worden gezien.

Juridisch België

De definitie van discriminatie in de Belgische grondwet is zowel algemener – er worden geen voorbeelden gegeven – als beperkter van aard – de rechten en vrijheden worden slechts aan Belgen toegekend, niet aan ieder die in België verblijft.

Nederland

Een algeheel verbod op discriminatie geeft artikel 1 van de Nederlandse Grondwet. Dit artikel luidt:

Belangrijk voor het bepalen of een gemaakt onderscheid al dan niet discriminatie inhoudt, is de omschrijving in artikel 90quater van het Nederlands Wetboek van Strafrecht:

Discriminatie in beroep of bedrijf wegens ras (waaronder ook huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming), godsdienst, levensovertuiging, geslacht, hetero- of homoseksuele gerichtheid of lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap is strafbaar als overtreding. Indien dit opzettelijk gebeurt op basis van ras geldt dit als misdrijf.

In artikel 137d lid 1 Sr. is strafbaar gesteld hij/zij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.

Ook het zich opzettelijk beledigend uitlaten over een groepen mensen op basis van hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap is strafbaar als misdrijf.