Bevolkingsbeheersing is het onder controle houden van de bevolkingsomvang en samenstelling. Dit kan betrekking hebben op zowel groei als daling. De eventueel gevolgde bevolkingspolitiek is afhankelijk van de voorziene gevolgen van een groei of daling. Enerzijds laat de bevolkingsgroei de sociale en ecologische druk toenemen, anderzijds betekent het economische groei en politieke macht.

Op dit laatste lag de nadruk onder het mercantilisme. In de achttiende eeuw kwam er echter ook aandacht voor de negatieve kanten van de bevolkingsgroei. In West-Europa begon rond 1750 de demografische transitie. Dankzij betere landbouw- en veeteeltmethoden en nieuwe voedingsgewassen namen de opbrengsten sterk toe en kon een groeiende bevolking gevoed worden. Dankzij onder meer de sanitaire revolutie en de verlaging van de huwelijksleeftijd versnelde na 1800 de groei nog. Malthus voorzag dat de bevolkingsgroei exponentieel zou verlopen en de landbouwproductie lineair, met een catastrofe tot gevolg. Uiteindelijk kwam het echter niet zover door verbeterde landbouwtechnieken en wist de landbouwproductie zelfs de nog veel sterkere bevolkingsgroei van de tweede helft van de twintigste eeuw bij te benen. Volgens Ester Boserup was bevolkingsgroei zelfs een stimulans voor agrarische intensivering.

De nadruk lag dan ook tot in de twintigste eeuw op bevolkingsgroei zoals onder Hitler en Stalin. Na 1950 leek de groei in een aantal landen echter zo groot dat men daar overging tot maatregelen om de groei te beperken. In India werden burgers na 1952 aangemoedigd om de gezinsgrootte te beperken. In de jaren 1970 kwam het zelfs tot gedwongen sterilisatie, maar door de grote tegenstand werd dit weer afgeschaft. Hoewel men de bevolkingsgroei tot een derde van die in 1952 had weten terug te brengen, was de bevolking in de jaren negentig toch verdubbeld en wordt verwacht dat India over niet al te lange tijd China inhaalt als land met het grootste aantal inwoners. In China werd men al vanaf 1970 aangemoedigd om laat te trouwen en niet meer dan twee kinderen te krijgen, terwijl in 1979 de eenkindpolitiek werd ingevoerd. Tussen 1970 en 2000 daalde het geboortecijfer met twee derde, sneller dan ooit in de geschiedenis.

In landen met een beperkte groei of zelfs krimp gold een tegenovergestelde politiek. Zo werd in veel Europese landen en Japan kinderbijslag ingevoerd.

Theorievorming over bevolkingsbeheersing bij jager-verzamelaars thumb|Bevolkingsgroei en voedselproductie volgens Boserup en volgens Malthus Er zijn verschillende benaderingen om de beperking van de bevolkingsgroei te verklaren. Malthusianen zien de limieten aan de voedselproductie als de grens van de bevolkingsgroei, terwijl volgens boserupianen de bevolkingsdruk juist een stimulans is om de voedselproductie te verhogen. In deze discussie zijn demografen veelal malthusianen, terwijl antropologen Malthus nauwelijks noemen.Most demographers assume that this balance of births and deaths was Malthusian, with mortality holding down fertility’s potential for population growth. Most anthropologists rarely mention Thomas Robert Malthus (1766–1834) except to claim that premodern man was sufficiently resourceful to bypass his constraints. (2007): p. 24

Volgens Boserup is de push van bevolkingsgroei de impuls tot agrarische intensivering, terwijl malthusianen een de pull van hogere welvaart als drijfveer zien van verhoogde voedselproductie. De mechanismes achter de lage bevolkingsgroei moeten volgens Boserup dan ook ergens anders gezocht worden.The neo-Malthusian school has resuscitated the old idea that population growth must be regarded as a variable dependent mainly on agricultural output. I have reached the conclusion [...] that in many cases the output from a given area of land responds far more generously to an additional input of labour than assumed by neo-Malthusian authors. If this is true, the low rates of population growth found (until recently) in preindustrial communities cannot be explained as the result of insufficient food supplies due to overpopulation, and we must leave more room for other factors in the explanation of demographic trends [...] —medical, biological, political, etc.—which may help to explain why the rate of growth of population in primitive communities was what it was. (1965): The Conditions of Agricultural Growth. The Economics of Agrarian Change Under Population Pressure, George Allen & Unwin

Antropologische traditie Het idee dat vroege samenlevingen die zich in erbarmelijke omstandigheden op de rand van hongersnood bevonden, werd invloedrijk door Herbert Spencer die in 1864 Principles of Biology publiceerde. Deze staat zou resulteren in een malthusiaans evenwicht waarbij de beperkingen van de voedselproductie de bevolkingsgroei remde.

Alexander Carr-Saunders stelde in 1922 in The Population Problem op basis van antropologische observaties van moderne jager-verzamelaars dat er juist sprake was van gezonde samenlevingen in evenwicht. Carr-Saunders baseerde zich vooral op Edwin Cannan die in Wealth uit 1914 stelde dat er een optimale bevolkingsdichtheid was waarbij het inkomen per capita maximaal was. (1914): Wealth. A Brief Explanation of the Causes of Economic Welfare, P. S. King & Son Het evenwicht werd daarbij bewaard door seksuele onthouding post partum, langdurige borstvoeding, oorlogvoering, verwaarlozing van kinderen, abortus en kindermoord. In moderne samenlevingen van jager-verzamelaars werd dit veel minder aangetroffen, aangezien het sterftecijfer hier veel hoger lag door contact met de westerse wereld en bevolkingsbeheersing los werd gelaten.

De methodes van bevolkingsbeheersing die Carr-Saunders had genoemd, vormden de basis van onderzoek dat daarna volgde. Uit onderzoek bij jager-verzamelaars die relatief weinig contact met het westen hadden gehad zoals Eskimo's en Aborigines, bleek dat er nauwelijks aanwijzingen waren voor gebruik van anticonceptie en abortus. Abortus bleek zeer moeilijk en risicovol in deze samenlevingen. Dit gold ook voor onderzoek van Edward Moffat Weyer bij de Eskimo's die in plaats daarvan wel infanticide en het doden van ouderen, senilicide, en zwakkeren zag. (1932): The Eskimo. Their Environment and Folkways, Yale University Press Hij zag geen groepsdruk, maar vooral individuele of gezinsbeslissingen op basis van de beschikbaarheid van levensbehoeften. Raymond Firth kwam met zijn onderzoek naar de Tikopia nog het dichtst in de buurt van de door Carr-Saunders beschreven samenleving. (1936): We, the Tikopia. A Sociological Study of Kinship in Primitive Polynesia, George Allen & Unwin

Marshall Sahlins ging in 1966 in tegen het tot dan toe populaire idee dat jager-verzamelaars continu op de rand van verhongering verkeerden, zoals Melville Herskovits nog stelde in 1952.Thus food, to a South African Bushman or a native of Tierra del Fuego, who lives always in a state of potential hunger, is always of maximum value, since it is essential to the maintenance of life itself. (1952): Economic Anthropology. A Study in Comparative Economics, Alfred A. Knopf Sahlins draaide het om en stelde juist dat de jager-verzamelaars een overvloedige welvaart kenden en zo de oorspronkelijke welvaartssamenleving vormden, waarbij een beperking van de bevolkingsgroei essentieel was om die welvaart te behouden. Onder meer infanticide, senilicide en seksuele onthouding tijdens de borstvoedingsperiode zouden de beperkende methodes zijn.[...] The terms are, cold-bloodedly: diminishing returns at the margin of portability, minimum necessary equipment, elimination of duplicates, and so forth – that is to say, infanticide, senilicide, sexual continence for the duration of the nursing period, etc., practices for which many food-collecting peoples are well known. The presumption that such devices are due to an inability to support more people is probably true – if "support" is understood in the sense of carrying them rather than feeding them. The people eliminated, as hunters sometimes sadly tell, are precisely those who cannot effectively transport themselves, who would hinder the movement of family and camp. Hunters may be obliged to handle people and goods in parallel ways, the draconic population policy an expression of the same ecology as the ascetic economy. More, these tactics of demographic restraint again form part of a larger policy for counteracting diminishing returns in subsistence. A local group becomes vulnerable to diminishing returns – so to a greater velocity of movement, or else to fission – in proportion to its size (other things equal). Insofar as the people would keep the advantage in local production, and maintain a certain physical and social stability, their Malthusian practices are just cruelly consistent. Modern hunters and gatherers, working their notably inferior environments, pass most of the year in very small groups widely spaced out. But rather than the sign of underproduction, the wages of poverty, this demographic pattern is better understood as the cost of living well. (1972): Stone Age Economics, Aldine de Gruyter, p. 34 Hoewel er op die welvaart later het nodige werd afgedongen, zochten anderen hierna ook naar alternatieve mechanismes.

Robert Sussman stelde dat de sterke bevolkingsgroei tijdens het neolithicum geen gevolg was van een grotere voedselproductie, maar slechts een correlatie. Sussman zag op basis van observaties bij gorilla's dat de langdurige afhankelijkheid van zuigelingen een lange geboorte-interval (birth spacing) tot gevolg had, dat diende als beperkingsmechanisme. De sedentaire levensstijl tijdens het neolithicum zou een kortere geboorte-interval hebben toegelaten. (1972): 'Child Transport, Family Size, and Increase in Human Population During the Neolithic' in Current Anthropology Vol. 13, No. 2, p. 258-267

Marvin Harris stelde in 1977 ook dat infanticide een belangrijke rol speelde.Our stone age ancestors were thus perfectly capable of maintaining a stationary population, but there was a cost associated with it – the waste of infant lives. This cost lurks in the background of prehistory as an ugly blight in what might otherwise be mistaken for a Garden of Eden. (1977): Cannibals and Kings. Origins of Cultures, Random House, p. 25

Fekri Hassan volgde Sussman in diens methodiek, maar zag de geboorte-interval niet als het werkzame mechanisme. Ook zag hij mobiliteit niet als bepalende factor van de geboorte-interval. Hassan zag kinderdoding, overlijden tijdens zwangerschap, oorlogsvoering, sterfte door omgevingsgevaren en een hogere natuurlijke sterfte als oorzaak. (1973): 'On Mechanisms of Population Growth during the Neolithic' in Current Anthropology Vol. 14, No. 5, p. 535-542 Given certain assumptions, inferences can also be made about birth rates, population growth rates, and population size. Conditions of high pre-adult and adult mortality, late age at nubility, and long childspacing periods did not inhibit the potential for great population increases among prehistoric groups. The use of population controls, direct or indirect, must have been common to maintain a balanced population. (1981): Demographic Archaeology, Academic Press

Kim Hill en Ana Magdalena Hurtado bestudeerden de Aché die nauwelijks contact hadden met de buitenwereld, waarin zij verschillen van de !Kung. De Aché maakten een snelle bevolkingsgroei door en hadden een hogere gewelddadige sterfte dan de !Kung en ook infanticide kwam hier vaker voor. De groei zou een reactie zijn op een eerdere achteruitgang na strijd met een andere groep en een zaagtandmodel zou hier van toepassing zijn. Alleen zou een onveranderde bevolkingsgrootte op de lange termijn alleen mogelijk zijn met hogere sterftecijfers dan ooit waargenomen. Daarmee was de hunter-gatherer population paradox weer terug.Hill, K.; (1996): Ache Life History. The Ecology and Demography of a Foraging People