thumb|170px|Niccolò Machiavelli op een portret gemaakt door Santi di Tito.

Verhandelingen over de eerste tien boeken van Titus Livius (Italiaans: Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio) is een werk van de Florentijn Niccolò Machiavelli geschreven rond 1517 en postuum gepubliceerd in 1531. Het wordt algemeen beschouwd als een meesterwerk. De Verhandelingen geeft een zeer goed beeld van Machiavelli's politieke opvattingen.

Machiavelli wijdde zijn leven aan het Italiaanse vaderland. Hij wilde dat Italië opnieuw een groot en machtig rijk werd zoals in de tijd van de Romeinse Republiek. In zijn opvattingen moet de staat autoritair, repressief, radicaal, sluw, vechtlustig en meedogenloos zijn, want er loeren overal gevaren die de staat bedreigen. De arme en gezagsgetrouwe burgers moeten zich eendrachtig opofferen voor de grootsheid van het vaderland. Voor tirannie is echter geen plaats. Machiavelli, die vaak als een republikein beschouwd wordt,In de zin van een aanhanger van het Romeinse model van bestuur. toont zich in dit boek juist van zijn democratische kant en stelt maatregelen voor die de macht van de republikeinse aristocratische elite beperken ten gunste van het volk.In de Verhandelingen, 1519, geciteerd door , Machiavellian democracy, Cambridge University Press, 2011, p. 6. Binnen de staat gelden er wetten en instellingen en buiten de staat heerst de wet van de sterkste. In deze voortdurende strijd is er nood aan grote mannen om eeuwige roem te verwerven voor het vaderland.

Achtergrond thumb|170px|Titus Livius.

De geschiedschrijver Titus Livius (59 v.Chr. - 17 n.C.) leefde in de elitaire kringen rond keizer Augustus. Hij heeft ruim veertig jaar gewerkt aan Vanaf de stichting van de Stad (Latijn: Ab Urbe condita). In dit monumentale werk van 142 boeken beschreef Livius de Romeinse geschiedenis vanaf de stichting tot in zijn eigen tijd. Het werd gepubliceerd in groepen van tien boeken (decaden) en vijf boeken (pentaden). Slechts 35 boeken van Livius' tekst zijn bewaard gebleven; daaronder de boeken 1-10 over de jaren 753-293 v.Chr. en de boeken 21-45.

Machiavelli was van jongs af vertrouwd met het werk van Livius. Zijn Verhandelingen kregen hun definitieve gestalte van 1513 tot 1519, grotendeels na het schrijven van De vorst. Het referentiepunt van de Verhandelingen is de geschiedenis van de oude Romeinse Republiek zoals beschreven in de eerste tien boeken van Titus Livius. Machiavelli betrok echter ook de derde en vierde decade volop bij zijn betoog. Naast Livius wordt er nog verwezen naar Cicero, Sallustius, Tacitus, Vergilius, Thucydides, Herodotus, Dante en anderen. Machiavelli ging vrij om met zijn bronnen en kon radicaal van mening verschillen. Ook hij schreef 142 verhandelingen en die zijn verdeeld in drie boeken: over binnenlandse politiek, over buitenlandse politiek en over grote Romeinen.

Machiavelli droeg de Verhandelingen op aan Zanobi Buondelmonti en Cosimo Rucellai. Deze twee welgestelde Florentijnen organiseerden culturele bijeenkomsten in de tuinen van de adellijke familie Rucellai (Orti Oricellari) waarop de intellectuelen van de stad zich onderhielden over literatuur, kunst en politiek. Machiavelli circuleerde in dat milieu, kreeg ondersteuning van hen en beschouwde ze als zijn vrienden. Zijn vorig werk De vorst had Machiavelli nog opgedragen aan Lorenzo II de' Medici, maar dat heeft hem geen voordeel opgeleverd. In bedekte termen rekende hij hier af met Lorenzo. "Schrijvers zouden de vorst aan de schandpaal moeten nagelen vanwege een hele serie wandaden. Een eerlijk oordeel vereist waardering voor degenen die daadwerkelijk weten te regeren, niet voor degenen die daartoe de kans, maar niet de kunde hebben."

De Verhandelingen zijn tevens een politiek manifest met hetzelfde maatschappelijk doel als De vorst. Machiavelli wilde de grootsheid van het Italiaanse vaderland in ere herstellen en hoopte dat er ooit iemand zijn roeping zou verderzetten. "Een goed mens heeft de taak om het goede dat hij niet heeft kunnen verwezenlijken, aan anderen door te geven, opdat van de vele talentvolle mensen die er zijn een enkeling die meer dan anderen door de Hemel is gezegend, dit goede tot werkelijkheid maakt."

De universele principes van de staat Machiavelli ging op zoek naar de universele principes van de staat. Hij formuleerde algemene regels waaraan een universele geldigheid toegekend werd. De menselijke natuur is door de eeuwen heen gelijk gebleven, de mens wordt altijd beheerst door dezelfde verlangens en daardoor komt hij altijd tot dezelfde gebeurtenissen. Uit de studie van het verleden blijken de fundamentele regels van de politiek en maatschappij. Het liet hem toe om lessen te trekken, gebeurtenissen te voorspellen en maatregelen te nemen. Voor een Italiaan lag het voor de hand om Rome als richtsnoer te nemen. De Romeinse Republiek had een expliciete voorbeeldfunctie voor het heden. "Rome had de kwaliteiten en de structuur om een groot rijk te worden. Als ze de juistheid en het nut van de organisatorische principes van de oudheid zouden inzien, zouden ze inzien wat de juiste manier is om een staat machtig te maken en een groot rijk op te bouwen."

De geschiedenis van de Romeinse Republiek Volgens de legende werd Rome gesticht in 753 v.Chr. door Romulus. Deze al dan niet mythische figuur wordt beschouwd als de eerste in een reeks van zeven koningen. In 509 v.Chr. kwam de monarchie ten val toen de laatste koning Tarquinius Superbus vermoord werd, "omdat hij een tiranniek bewind gevoerd had". Machiavelli prijst de moordenaar Lucius Junius Brutus als de vader van Romes vrijheid. Zo ontstond er een staat met twee consuls en een senaat. Toen de adel dacht zijn wil te kunnen dicteren, kwam het volk in opstand. De adel zag zich gedwongen het volk zijn deel van de macht te geven. Daarom werd in 494 v.Chr. het volkstribunaat ingesteld. De volkstribunen kregen grote bevoegdheden om de belangen van het volk te verdedigen. Vanaf dat moment spreekt men van de Romeinse Republiek. Rome werd de onbetwiste heerser in het Middellandse Zeegebied. Het is deze periode in de Romeinse geschiedenis tussen grofweg 500 en 150 v.Chr. die voor Machiavelli een voorbeeldfunctie heeft. "De Romeinse Republiek profiteerde van de kwaliteiten van eminente personen en groeide geleidelijk toe naar het toppunt van zijn macht. "

In de Romeinse Republiek was er een voortdurende strijd tussen de adel en het volk. "De eindeloze twisten in Rome waren niet schadelijk, maar juist heilzaam voor de Republiek, omdat ze uit goede bedoelingen voortkwamen." "Ze hebben geleid tot wetten en instellingen waarmee de vrijheid gebaat was." "De twisten liepen zelden uit op verbanning en hoogst zelden op bloedvergieten." Enerzijds "was de macht van de volkstribunen in Rome groot en tevens onontbeerlijk, want anders had de heerszucht van de adel niet beteugeld kunnen worden", maar anderzijds "toen de gezagsuitoefening van de tribunen een agressief karakter gekregen had, zou dat schadelijke gevolgen hebben gehad voor Romes vrijheid, wanneer de adel zich niet tegen de heerszucht van de tribunen verdedigd had." Dus "had het volk in Rome evenveel macht als de adel. De adel en het volk hielden elkaar in evenwicht. "Rome werd, althans tussen de verjaging van de koningen en de tijd van Marius en Sulla, nooit door een burger van zijn vrijheid beroofd."

Toen volkstribuun Tiberius Sempronius Gracchus in 133 v.Chr. de lex agraria (akkerwet) nieuw leven inblies, kwam het al eeuwen sluimerende conflict tussen adel en volk over het grondbezit tot uitbarsting. Het eerste hoofdartikel bepaalde dat een burger niet meer dan een bepaalde hoeveelheid grond mocht bezitten; het tweede dat de veroverde grond onder het Romeinse volk verdeeld diende te worden. De akkerwetgeving trachtte het grootgrondbezit te beperken en het stadsproletariaat betere perspectieven te bieden. Het merendeel van de adel kon daardoor zijn bezit niet meer vergroten en zou zelfs afstand moeten doen van grond. De wet stuitte op sterke weerstand van de adel. "Als deze wet in Rome ter sprake werd gebracht, raakte de stad in rep en roer. Het was onverstandig, want de macht van de tegenstanders van Romes vrijheid was ondertussen verdubbeld. Als het ging om politieke functies gaf de Romeinse adel het volk altijd zijn zin, maar als het ging om bezit, verdedigde hij zich zo hardnekkig dat het volk tot ondermijnende activiteiten overging."

De strijd tussen adel en volk leidde tot clanvorming. Ze besloten beiden om het lot in eigen handen te nemen en kozen een leider om voor hun belangen op te komen. Het volk schaarde zich voor meerdere jaren achter Marius en de adel achter Sulla. De magistraten stonden machteloos, want geen van beide partijen had nog vertrouwen in hen. Het volk stuurde als eerste aan op een confrontatie en op een breuk met de bestaande orde. Men greep naar de wapens en bloed begon er te vloeien. Er brak een burgeroorlog uit die zeer bloedig was en waarin de kansen regelmatig keerden. Uiteindelijk won de adel. Machiavelli heeft het over de "ondermijnende activiteiten van Marius en Sulla".

Deze sentimenten staken later de kop weer op in de tijd van Julius Caesar en Pompeius. Caesar had de leiding over de volkspartij en Pompeius over die van de adel. Caesar won de oorlog, trok alle macht naar zich toe en werd de eerste tiran van Rome dat zo voorgoed zijn vrijheid verloor. Machiavelli oordeelt heel negatief over Julius Caesar: "Caesar richtte zijn land te gronde en verdient verachting. Een samenzwering tegen het vaderland." Vanaf dat moment is Rome niet langer een staatkundig model voor Machiavelli. In de keizertijd met steeds verdorvener keizers verliest Rome zijn voorbeeldfunctie.

"Men ziet dat twee zaken tot de ondergang van de Romeinse Republiek geleid hebben: ten eerste de twisten die het gevolg waren van de Akkerwet, en ten tweede de verlenging van het oppercommando." "Het Romeinse volk was niet tevreden met het volkstribunaat en wilde meer politieke functies en bezit. Dat betekende de totale ondergang van Romes vrijheid."

De stichting van een staat De stichter van een staat moet streven naar absolute macht. Een radicale hervorming van een staat is enkel mogelijk als ze wordt opgezet en uitgewerkt door één man die alle macht naar zich toetrekt. Als het resultaat goed is, zal niemand hem een verwijt kunnen maken. Een enkel persoon is geschikt om iets op te bouwen, maar de consolidatie moet hij toevertrouwen aan een grote groep mensen. "Mijn conclusie is dat een staat door een enkele persoon moet worden opgezet." De stichters van een republiek of rijk kunnen onsterfelijke roem verwerven. "Rome had het grote geluk eerst een zeer manhaftige en krijgszuchtige koning te hebben." Anders was de stad een prooi geworden voor haar nabuursteden.

Een gemengde staat voor de adel en het volk Staten ondergaan een cyclische evolutie van zes fasen waarbij een staatsvorm maar korte tijd in stand blijft en onvermijdelijk afglijdt naar zijn tegenpool. Monarchie, aristocratie en democratie zijn de drie goede staatsvormen; tirannie, oligarchie en anarchie zijn de drie slechte staatsvormen. Steeds in deze volgorde: een monarchie vervalt gauw tot tirannie, een aristocratie tot oligarchie en een democratie glijdt af naar anarchie tot men wederom een vorst aanstelt. Een staat zou deze kringloop steeds opnieuw kunnen maken, als ze niet opgeslokt werd door een beter georganiseerde nabuurstaat. Rome heeft die fatale cyclus doorlopen. Eerst monarchie, aristocratie, dan een gemengde republiek, uiteindelijk een instortend keizerrijk. Machiavelli vond de theorie van de eeuwige kringloop niet uit; het werd al gehuldigd door Aristoteles, Polybios en Cicero.