miniatuur|Kerkdienst in de dorpskerk van Doornspijk Dit artikel behandelt religie in Nederland.
Geschiedenis Prehistorie en Oudheid miniatuur|Votiefsteen aan Nehalennia 150-250 n.Chr. De oudste gegevens over de belijdenis van een religie door de inwoners van (een deel van) de streken die nu overeenkomen met Nederland, zijn afkomstig van de Romeinen. In tegenstelling tot wat antieke bronnen lijken te suggereren, vormde de Rijn weliswaar de grens van het Romeinse Rijk, maar zeker niet de grens tussen woongebieden van Kelten en Germanen; zo leefden er Germanen ten zuiden hiervan (Germani cisrhenani) en veel plaatsnamen en archeologische vondsten wijzen daarnaast op de aanwezigheid van Kelten in het noorden. Tussen deze "Keltisch-Germaanse volkeren" en later ook met de Romeinse veroveraars (romanisering) moet een sterke culturele uitwisseling hebben plaatsgevonden. Zo is te zien dat de polytheïstische stammen elkaars goden en verhalen overnamen, afkomstig uit zowel de Germaanse, de Keltische als later ook de Romeinse mythologie. Goden als Nehalennia, Hludana en Sandraudiga zijn van inheemse (Keltische) oorsprong, de Germanen hebben goden als Wodan, Donar en Frigg (zie ook Freya) meegenomen, en bijvoorbeeld Jupiter, Minerva en Venus zijn door de Romeinen ingevoerd. Tacitus beschreef ook de scheppingsmythe van Mannus, de oermens waaruit alle Germaanse stammen zouden zijn voortgekomen. De Kelten en Germanen in de Lage Landen hadden zeer waarschijnlijk ook boomheiligdommen, naar het voorbeeld van de Oudnoordse Yggdrasil en de Saksische Irminsul en Donareik in het huidige Duitsland; tempels kwamen vermoedelijk pas met de Romeinen en zijn nog bewaard gebleven in bijvoorbeeld Empel en Elst.
Middeleeuwen 180px|miniatuur|Vroeg-christelijke grafstenen (5e-6e eeuw), oostcrypte St-Servaaskerk, Maastricht
Van de 4e tot de 6e eeuw n.Chr. vond de Grote Volksverhuizing plaats, waarbij de kleine Keltisch-Germaans-Romeinse stammen in de Lage Landen geleidelijk werden verdrongen door drie grote Germaanse volksstammen: de Franken, de Friezen en de Saksen. Omstreeks 500 gingen de Franken, aanvankelijk woonachtig tussen de Rijn en de Somme, massaal (gedwongen door hun koning Chlodovech) over op het christendom. Een groot deel van het gebied ten zuiden van de Maas behoorde vanaf de vroege middeleeuwen tot 1559 tot het aartsdiakonaat Kempenland, dat onderdeel was van het bisdom Tongeren-Maastricht-Luik. Vanuit de centra van dat bisdom, achtereenvolgens de steden Tongeren, Maastricht en Luik, werd waarschijnlijk dit deel van Nederland gekerstend. Volgens de traditie werd de eerste bisschop van Maastricht, Servatius, in 384 hier begraven, hoewel pas vanaf bisschop Domitianus (ca. 535) vaststaat dat deze te Maastricht zetelde. De oudste getuigenissen van christelijk leven in Nederland zijn een vijftal grafstenen met christelijke symbolen uit de 5e en 6e eeuw, die in en om de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht zijn aangetroffen. (2015): 'Kerk en cultuur in de Vroege Middeleeuwen'. In: Paul Tummers e.a. (red.), Limburg. Een geschiedenis. Deel 1 (tot 1500), p. 188. LGOG, Maastricht. . Dat niet alle Maastrichtenaren christen waren, blijkt uit de vondst van honderden Merovingische graven met bijgaven op het Vrijthof, een aanwijzing voor niet-christelijke begravingstradities. (2011): A cultural perspective on Merovingian burial chronology and the grave goods from the Vrijthof and Pandhof cemeteries in Maastricht (proefschrift), pp. 7-10. UvA-DARE, Amsterdam (online tekst). Bovendien was het christendom zeker tot de zevende eeuw beperkt tot de wat grotere plaatsen; het platteland bleef grotendeels ongekerstend. (2015), p. 199.
180px|miniatuur|De Oudsaksische doopgelofte Uit de (niet altijd even betrouwbare) heiligenlevens die hier later over zijn geschreven, heeft men een en ander opgemaakt over hoe de kerstening in de vroege middeleeuwen vermoedelijk is verlopen in de Lage Landen. Vanaf eind 7e eeuw trachtten uit Engeland en Ierland afkomstige missionarissen – zoals Bonifatius, Lebuïnus, Liudger, Plechelmus, Willehad en vooral Willibrord – de bewoners van de gebieden ten noorden van de grote rivieren te bekeren, met wisselend succes. Vooral Utrecht en Dorestad, dat in de nabijheid van het huidige Wijk bij Duurstede moet hebben gelegen, waren in deze tijd belangrijke centra. Naast succesvolle prediking was er ook sprake van mislukkingen, zoals de weigering van de Friese heidense koning Radboud om zich door Wulfram te laten dopen. De ijverige Bonifatius die ook trachtte de Friezen te bekeren werd in 754 te Dokkum vermoord. Na de Fries-Frankische oorlogen (ca. 600-793) en Saksenoorlogen (772-804) vallen de Lage Landen allemaal onder het bewind van de christelijke Frankische koningen, die de bewoners niet alleen religieus maar ook politiek wilden onderwerpen. Een belangrijke bron uit die tijd is de Oudsaksische doopgelofte, waarin staat hoe men zijn oude goden (omschreven als "duivels") moet afzweren en de drie-eenheid aannemen. Het zou echter nog zeker tot het jaar 1000 duren eer alle "heidense" inwoners ook daadwerkelijk – te vuur en te zwaard – gekerstend waren. De Friese en Saksische religies moeten omstreeks die tijd helemaal zijn verdwenen, hoewel elementen hiervan wel werden overgenomen in de christelijke godsdienst.
Vermoedelijk zijn er reeds rond het jaar 1300 of eerder, Joden naar de Noordelijke Nederlanden gekomen.https://ettyhillesumcentrum.nl/de-joodse-geschiedenis-van-deventer/geschiedenis-van-joods-deventer/ Roermond behoort tot de eerste plaatsen in Nederland waar gewag wordt gemaakt van Joodse inwoners. In ieder geval tussen 1275 en 1443 hebben Joden onafgebroken in deze plaats gewoond.https://jck.nl/joodse-gemeenten/roermond
Gedurende de eeuwen daarna (de hoge en late middeleeuwen) was het christendom de belangrijkste godsdienst in de Lage Landen. Het religieuze leven was nu alomtegenwoordig in de samenleving. Belangrijke abdijen zoals Rolduc, Susteren, Sint-Odiliënberg en Egmond hadden een enorme invloed op het platteland. In de christelijke centra Utrecht en Maastricht waren machtige kapittels gevestigd. Vanaf de 13e eeuw vestigden zich in veel steden klooster- en ridderorden, zoals franciscanen, dominicanen en ridders van de Duitse Orde. Gedreven door vroomheid, maar ook om andere redenen, namen velen in de 12e en 13e eeuw deel aan de kruistochten naar het Heilig Land (zie onder andere Friese deelname aan de Kruistochten). (1923): 'De Nederlanders in de kruistochten'. In: Geschiedenis van het Nederlandsche volk, pp. 133-142. Waar er in rechtszaken tot in de 12e eeuw nog volksgerichten bestonden die veelal middels godsoordelen iemands schuld of onschuld vaststelden, legden de kerkelijke en wereldlijke machten in de loop van de 12e eeuw steeds meer hun beslag op de rechtspraak: de kerk bepaalde de regels (met name door het Vierde Lateraans Concilie in 1215) en de vorsten handhaafden de orde. Aan het eind van de middeleeuwen zorgde de Moderne Devotie (met als vertegenwoordigers onder anderen Geert Grote en Thomas a Kempis) voor geestelijke vernieuwing. Echter, pas onder invloed van het humanisme (onder anderen Erasmus) veranderde het wereldbeeld fundamenteel, en verschoof het van een theocentrische naar een antropocentrische wereldbeschouwing.
Vroegmoderne tijd
De Reformatie leidde in de Noordelijke Nederlanden, zoals in veel andere gebieden van Europa, tot veel bloedvergieten, zowel door terechtstellingen van vermeende ketters, als ten gevolge van godsdienstoorlogen. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was deels een conflict tussen katholieken en protestanten (in Nederland vooral calvinisten), die uiteindelijk leidde tot een splitsing van de Habsburgse Nederlanden in een overwegend protestantse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de uniform katholieke Spaanse Nederlanden. Hoewel in de Noordelijke Nederlanden vanaf 1579 de Nederduitse Gereformeerde Kerk (later Nederlandse Hervormde Kerk) ten opzichte van andere kerken publiekelijk werd bevoordeeld (zo moesten alle inwoners van de Republiek ongeacht hun geloof meebetalen aan het onderhoud van de gereformeerde kerkgebouwen en de salariëring van gereformeerde predikanten, kosters en schoolmeestersEijnatten en Lieburg, p. 208.), is deze kerk nooit een staatskerk geworden. Sinds 1580 was de publieke uitoefening van de roomse eredienst in de onder het gezag van de Staten-Generaal staande gebieden officieel verboden. Het pauselijk gezag en de bisschoppelijke hiërarchie werden er niet erkend, evenmin als de kerkelijke herindeling van 1579 naar aanleiding van de pauselijke bul Super universas. Voor de katholieke kerk was 'Holland' een missiegebied. In Staats-Brabant en de andere generaliteitslanden was de kerkelijke situatie gecompliceerder en werd het katholicisme oogluikend toegestaan. In de tweeherige stad Maastricht hadden katholieken en protestanten gelijke rechten. In de gebiedsdelen die direct onder het gezag van het Heilige Roomse Rijk vielen (zoals de Gulikse gebieden, het rijksgraafschap Wittem en het abdijvorstendom Thorn) was het katholicisme de enige toegestane godsdienst. Hoewel katholieken, evenals Joden, Lutheranen en andere denominaties, in de Hollandse Republiek tot 1796 werden behandeld als tweederangsburgers, werden ze na het Twaalfjarig Bestand niet langer vervolgd en werd hun bestaan in de marge van de samenleving wel getolereerd.
miniatuur|400px|De zielenvisserij, Adriaen Pietersz. van de Venne, 1614. Allegorie op de ijver van de religies tijdens het Twaalfjarig Bestand. De rivier tekent de vanaf nu duidelijke scheiding tussen noord en zuid. Links de protestanten met onder anderen de prinsen Maurits en Frederik Hendrik. Op de voorgrond vissen de protestanten; hun netten zijn gemerkt met Fides, Spes en Caritas. Rechts de katholieken met aartshertogen Albrecht en Isabella, Spinola en paus Paulus V gedragen door kardinalen. Een bisschop met zijn priesters vist in het katholieke bootje naar mensen. Een belangrijke gebeurtenis voor calvinisten was de Synode van Dordrecht (1618-1619), waar een hoogopgelopen geschil tussen Arminius' remonstranten en Gomarus' contraremonstranten over de predestinatie werd beslist in het voordeel van de laatsten. De controverse had bijna geleid tot een burgeroorlog doordat het een politieke tint kreeg toen de grote twee leiders van de Republiek Johan van Oldenbarneveldt en Maurits van Oranje zich ermee bemoeiden; de remonstrantse Van Oldenbarneveldt verloor en werd ervoor onthoofd. Voorts werd op de Synode besloten tot de ontwikkeling van de Statenvertaling (gereed in 1637), zodat de Bijbel voortaan in het Nederlands kon worden gelezen.
Protestanten en katholieken woonden hoofdzakelijk gescheiden van elkaar. De grens tussen de protestantse en katholieke gebieden liep dwars door Nederland van zuidwest naar oost: door Zeeuws-Vlaanderen, het westen en noorden van Noord-Brabant, het zuiden en oosten van Gelderland en door Twente. De gebieden ten zuiden en oosten van die denkbeeldige grens waren katholiek, de gebieden ten noorden en westen ervan waren protestants. Vooral in de westelijke provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht waren er echter ook een aantal katholieke en gemengde gebieden; zo woonden er vroeger in het dichtbevolkte Noord-Holland meer katholieken dan in Noord-Brabant.