Himarë (; bepaalde vorm: Himara) is een stad (bashki) in het zuidwesten van Albanië. De stad maakt deel uit van de Vlorë-prefectuur tegen de Griekse grens en is met haar 7800 inwoners de zevende kleinste stad (bashki) van het land.

Himarë is een populaire badplaats aan de Ionische Zee en het toeristische centrum van de Albanese Rivièra, die het leeuwendeel van het Ionische gedeelte van 's lands kustlijn beslaat. De stad is de grootste plaats tussen prefectuurhoofdstad Vlorë in het noorden en Sarandë in het zuiden, en wordt overwegend bevolkt door etnische Grieken die tweetalig Grieks-Albanees zijn.

Geschiedenis Prehistorie De geschiedenis van Himarë begint in de prehistorie; in die periode werd de plek waar zich vandaag de citadel bevindt, die op een heuveltop boven de stad uittorent, namelijk al bewoond — men kon er zich beter verweren tegen aanvallen vanop zee. Noch de naam, noch de herkomst van deze oorspronkelijke bewoners zijn bekend. Opgravingen in een grot in Spile, net bezuiden het oude stadscentrum, hebben uitgewezen dat dat gebied reeds in de zesde eeuw voor Christus bewoond werd.

Oudheid left|thumb|225px|Stammen in het antieke Epirus De streek van het huidige Himarë werd in de oudheid bewoond door Chaoniërs, een van de drie belangrijkste Griekstalige stammen van de regio Epirus, een gebied verspreid over het huidige Albanië en Griekenland. Verondersteld wordt dat Himarë door hen is gesticht onder de naam Χίμαιρα (Chimera, 'Chimaera') als een handelspost langs de Chaonische kust., An Inventory of Archaic and Classical Poleis. Oxford: Oxford University Press 2004. Een andere theorie over de oorsprong van de naam zegt dat hij afkomstig is van het eveneens Griekse χείμαρρος (chimarros), dat 'bergstroom' betekent.

Tijdens de klassieke oudheid maakte de regio deel uit van het koninkrijk Epirus, dat bestuurd werd door de Molossische dynastie der Aiakiden, waaronder Pyrrhus van Epirus. In de tweede eeuw voor Christus werd de streek door de Romeinen veroverd en aan de provincie Macedonië toegevoegd. Bij de Romeinse verovering werden veel nederzettingen zwaar beschadigd of van de kaart geveegd onder leiding van generaal Lucius Aemilius Paulus Macedonicus.

Tijdens de burgeroorlog tussen Pompeius en Caesar trokken de troepen van Julius Caesar van Oricum (nabij het huidige Orikum) langs Himarë naar Griekenland, nadat ze enkele kilometers ten noorden van de eerste stad aan land waren gekomen. Bij de definitieve splitsing van het Romeinse Rijk in 395 werd de provincie Epirus en daarmee ook Himarë bij het door Grieken gedomineerde Byzantijnse Rijk ingedeeld. Zoals de rest van de regio werd de stad een regelmatig doelwit van verschillende invallen, zoals van Goten, Avaren, Slaven, Bulgaren, Saracenen en Noormannen.

Middeleeuwen Er is niet zeer veel bekend over Himarë in de middeleeuwen. De plaats wordt onder de naam Chimaeriae vermeld in Procopius' Over Gebouwen uit 560, waarin is te lezen dat de stad deel uitmaakt van het oude Epirus, en dat er een nieuwe vesting zou zijn gebouwd. In 614 viel een Slavische stam de regio binnen, waarna het gebied van Himarë tot het Griekse Margariti, bij Igoemenitsa, door hem werd gecontroleerd onder de naam Vagenetia.

Volgens een Byzantijnse oorkonde uit 1020 was Himarë enige tijd het centrum van een orthodox bisdom, maar lag het meestal in het grensgebied tussen verschillende rivaliserende rijken, waardoor het een zekere autonomie heeft kunnen verwerven. Aan het eind van de negende eeuw reikte het Bulgaarse rijk tot aan Himarës kust. Het gebied werd in 1085 door de Vikingen verwoest.

De laatste attestatie van de term Chaonia voor de regio van Himarë dateert uit de twaalfde eeuw, waarin hij voorkomt in een Byzantijnse belastingbrief. Na de Vierde Kruistocht stortte de heerschappij van Byzantium aan de Ionische Zee in elkaar. Als successiestaat ontstond het Despotaat Epirus, waarmee Himarë de wisselende lotgevallen deelde tot in de tweede helft van de dertiende eeuw. Vanaf dat moment onderhield Himarë een eigen vloot, die werd ingezet om het grondgebied tegen onder meer piraten te beschermen. De stad zelf werd stevig versterkt. Vermoedelijk kwam Himarë in 1277 onder de heerschappij van de Napolitaanse koning Karel van Anjou, nadat de Epirotische heerser Nikephoros I Komnenos Doukas Himarë samen met onder meer de andere haven Butrint aan het Huis Anjou had moeten afstaan. Voortaan werd de kuststrook tussen Himarë en Butrint door Karel gecontroleerd.

In 1372 werd de stad samen met Vlorë, Kaninë (tegenwoordig deel van de gemeente Qendër nabij Vlorë) en de streek van Berat als bruidsschat overgedragen aan de vorst van Zeta, Balša II, die in het huwelijk trad met de dochter van Johannes Komnenos Asen. Na Balša's dood in 1385 bleven zijn weduwe Komnina en dochter Ruđina de macht over de streek uitoefenen tot de verovering van Vlorë door de Ottomanen in 1417.

Ottomaanse periode thumb|left|225px|Vlag van Himarë als autonoom district binnen het Ottomaanse Rijk, met de aartsengelen Michaël en Gabriël Himarë was onder het Ottomaanse Rijk bekend omwille van de opstandigheid van zijn inwoners. Op het einde van de veertiende eeuw begonnen de Ottomanen met de verovering van de toentertijd christelijke gebieden in het huidige Zuid-Albanië. Toen in 1478 de rest van Albanië al Ottomaans was, waren Himarë en zijn nabije omgeving na verschillende mislukte expedities nog niet veroverd. De stad sloot op zichzelf bondgenootschappen met onder meer Spanje, de Republiek Venetië en Rusland.

In de zomer van 1473 veroverden hoofdman Johannes Vlasis en een eenheid afkomstig van het nabijgelegen Griekse eiland Korfoe, gesteund door de bevolking van de stad, de hele kuststrook tussen Himarë en Sagiada (in de moderne Griekse grensgemeente Filiates) op de Turken. Toen de eerste Ottomaans-Venetiaanse Oorlog zes jaar later eindigde kwam de streek echter opnieuw onder Ottomaanse controle.

In 1481 verenigden de stedelingen zich met de troepen van Gjon Kastrioti II, zoon van 's lands nationale held Skanderbeg, in een opstand tegen de Ottomanen, die slechts op papier de soevereiniteit over Himarë hadden. Met hun vloot slaagden ze erin de Turkse bevoorrading van het Italiaanse Otranto, dat toen sinds een jaar door de Ottomanen werd bezet, te verstoren. De Ottomaanse overheersing werd even gedestabiliseerd, maar finaal miste het oproer zijn doel. Ook in 1488 en tussen 1494 en 1509 vonden opstanden plaats die er niet in slaagden het gebied aan de Turkse controle te ontrukken. In 1492 sloot sultan Bayezid II na een mislukte veldtocht wel een akkoord dat Himarë autonomie toekende. Süleyman I viel Himarë, dat in die tijd een vijftigtal dorpen in de omgeving controleerde, in 1537 echter opnieuw aan. Veel omliggende dorpen werden vernield of ingenomen, maar Süleyman slaagde er niet in de hele regio te onderwerpen.

Hoewel Himarë uiteindelijk niet heeft kunnen standhouden, is de macht van de Ottomanen over de haast uitsluitend over zee bereikbare regio steeds vrij zwak gebleven. De sultans zagen zich na de uiteindelijke verovering genoodzaakt het enige privileges toe te kennen, zoals eigen lokaal bestuur, het recht om wapens te dragen en om onder de eigen vlag elke Ottomaanse haven binnen te varen, en vrijstelling van belastingen en dienstplicht. Toch revolteerden de inwoners van Himarë nog verschillende malen tegen de Ottomaanse machthebbers, met name tijdens de derde Ottomaans-Venetiaanse Oorlog (1537-1540), de Oorlog van de Heilige Liga (1571, deel van de vierde Ottomaans-Venetiaanse Oorlog), de Moreaanse Oorlog (1684-1699), de zevende Ottomaans-Venetiaanse Oorlog (1714-1718) en de verschillende Russisch-Turkse oorlogen in de achttiende eeuw. Ottomaanse vergeldingsacties hiervoor resulteerden in een ontvolking van de regio, en gedwongen bekeringen tot de islam drongen de christelijke bevolking tegen de achttiende eeuw terug tot Himarë zelf en zes dorpen. Afgezien van de Ottomanen vielen ook de Laben, een naburige Albanese stam, Himarë en omgeving regelmatig aan op grond van ras en religie. In 1577 vroegen de leiders van Himarë de paus om wapens en middelen, met de belofte tegen de Ottomanen te zullen vechten en hun religieuze loyaliteit naar Rome te verplaatsen, maar desalniettemin de oosters-orthodoxe liturgische gebruiken te behouden wegens de overwegend Griekse bevolking en het gebrek aan kennis van de taal van het katholicisme.

De eerste school in de regio van Himarë opende haar deuren in 1627, en was Griekstalig. In de jaren daarop openden ook in Dhërmi en Palasë, tegenwoordig op het grondgebied van de stad Himarë gelegen, Griekse scholen. In de achttiende eeuw knoopte Himarë nauwe contacten aan met de Italiaanse stadstaten, met name Napels en het machtige Venetië, en met Oostenrijk-Hongarije, dat toen Korfoe en de andere Ionische eilanden controleerde. Velen emigreerden naar Italië, en behielden er hun Griekse identiteit.

De Grieks-orthodoxe kerk, die traditiegetrouw veel aanhang kende en kent in Himarë, heeft in Himarës opstandige houding altijd een hand gehad. Omdat de stad zijn vijanden de Soulioten ondersteunde, leidde Ali Pasja, de Albanese en islamitische leider van de enigszins autonome Ottomaanse Pasjalik van Janina, in 1797 een aanval op Himarë. Meer dan 6000 burgers werden afgeslacht. Twee jaar later probeerde Ali Pasja de banden met de stedelingen opnieuw aan te halen door hun enclave uit te roepen als deel van de pasjalik: hij financierde verschillende openbare werken en kerken in de regio. Volgens sommige bronnen was hij het die in een beschutte baai ten zuiden van de stad de vesting Porto Palermo liet bouwen, die vandaag geldt als toeristische attractie. Na de moord op Ali Pasja door Ottomaanse agenten in 1822 viel Himarë wederom in de handen van Istanboel, al bleef het een enclave, die de destijds met de autoriteiten overeengekomen privileges kon behouden. Die voorwaarden werden op vraag van de lokale leiders in Himarë in bronzen tabletten gegraveerd, die tot op de dag van vandaag worden bewaard in het Topkapıpaleis en -museum in Istanboel.

Toen de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog (1821-1832) uitbrak, kwamen de inwoners van Himarë in opstand. Het lokale oproer mislukte, maar veel stedelingen, die vaak veteranen waren uit het Franse of Russische leger, voegden zich bij de revolutionaire strijdkrachten in het zuiden van het huidige Griekenland, waar ze een belangrijke rol speelden in de gevechten. In 1833 verenigden de bewoners zich nogmaals in een opstand. Ook in 1854, tijdens de Krimoorlog, was Himarë een van de eerste stadjes die zich aansloot bij een grote lokale opstand. Hoewel de kersverse Griekse staat het stilzwijgend probeerde te steunen, werd het oproer na enkele maanden door de Ottomanen neergeslagen.

Twintigste eeuw In 1912 werd Himarë deel van een onafhankelijk Albanië. Tijdens het interbellum was de stad even een afzonderlijk onderdistrict binnen de prefectuur Vlorë. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog rukte het Griekse leger op tot in Himarë.

Vlak na de opening van Albaniës grenzen, bij het einde van het communistische regime in 1991, emigreerden vele etnische Grieken zuidwaarts om in het financieel gezondere Griekenland te gaan werken. Deze trend heeft zich door een grotere politieke stabiliteit in Albanië en de kansen die de toerisme-industrie van Himarë begon te bieden inmiddels opnieuw gekeerd. Op die manier heeft Himarë zich van een vrij stoffig spookstadje in de jaren 90 ontwikkeld tot een aantrekkelijke badplaats met talrijke appartementsgebouwen, hotels, restaurants en winkels.

Geografie en stadsbeeld Ligging en landschap thumb|left|300px|Kustlijn in de omgeving van Himarë