thumb|Voormalig gemeentehuis uit 1927 van Hindrik Berend Meijer (1897-1966), gemeentearchitect thumb|Ennemaborg Midwolda thumb|Dorpswinkel Midwolda thumb|Oldambtster boerderij Westerlee uit 1850-1855 aan de Hoofdweg thumb|Wapen van Midwolda met de voormalige Viertorenkerk Midwolda (Gronings: Midwolle) is een dorp in de gemeente Oldambt in de Nederlandse provincie Groningen. Het telt ruim inwoners.

Van 1808 tot 1 januari 1990 was Midwolda een zelfstandige gemeente. Daartoe behoorde naast het kerkdorp Midwolda ook het buurdorp Oostwold, met de buurtschappen Meerland, Ekamp (deels), Oostwolderpolder en Lutje Loug (Oude Zijl).

In 1990 verloor Midwolda zijn zelfstandigheid. Het ging deel uitmaken van de gemeente Scheemda, die in 2010 opging in de gemeente Oldambt. Het gemeentehuis uit 1927 aan de Hoofdweg kreeg een andere bestemming.

Topografie Tot Midwolda behoren de buurtschap Niesoord, het oostelijke deel van Scheemdermeer (tot 1990) en het voormalige gehucht Oudekerk, waar de na 1709 afgebroken Viertorenkerk heeft gestaan. Een dochternederzetting van Midwolda is Nieuwolda, dat vanouds Midwolderhamrik werd genoemd en in 1648 zelfstandig werd. Opvallende boerderijnamen zijn Buitenhof, Dollard's heerd, Ol Kerke, De Middeldijk en recenter Boschzicht, De Vicarie, Hermans Dijkstra, Hof van Heeden en Op Ruumte.

Midwolda bestond vanouds uit twee helften of kluften, de Westerkluft en de Oosterkluft (oftewel Midwolde up de oester zijdt, 1564). Elk van beide had zijn eigen buurtgilde. Het centrum van Midwolda stond nog rond 1900 bekend als de 'Moushörn'.J. Tonkes, Het nageslacht van Tonko Ayolts en Eetje Eenjes, Haren 1937, p. 65. Het kadaster onderscheidde sinds 1823 ten noorden van de Hoofdweg de secties F: Geereweg of Kerkelaan, G: 't Klooster, en I: Nieuwland, ten zuiden van de weg de secties E: De Burg of Dalland en D: Ooster (be)zuiden de weg

De polders rond Midwolda waren Kerkelaan (1558), Oudland (1626), Oud-Nieuwland (1665), Nieuwland (1701) en het voormalige Huninga-Meerland (1636, 1848), dat plaats heeft gemaakt voor het Oldambtmeer en Blauwestad. De belangrijkste kanalen zijn het Nieuwe Kanaal en de Blauwe Passage naar het Oldambtmeer, vroeger ook Koediep, Kostverlorendiep, Oude Geut en de Hoofdwijk of Turfwijk van de Ennemaborg.

Doorgaande wegen zijn onder meer de Geereweg of N362 (1564: 'Gaere grope'), de Kerkelaan (1659: 'Hilligenlaene') en de Niesoordlaan. De Dorpsstraat werd vanouds Hereweg genoemd. Ten tijde van de Ruilverkaveling omstreeks 1975 werden de Oudlandseweg, de Nieuwlandseweg en de Zijdwende aangelegd, die het boerenland ontsloten en tevens de verkeersstroom door het dorp ontlastten.

Ten noorden van Midwolda is een zestal doorbraakkolken te vinden, die bij stormvloeden zijn ontstaan. Drie daarvan worden verbonden door het toeristische Kolkenpad. Ten westen van de Geereweg bij Nieuwolda ligt de Barlagenskolk. De plek waar de Dollard door een van de oudste dijken brak, stond in 1556 bekend als 'up Braich hoerne'. In 1657 was sprake van de 'Braeckhorne' bij de Geereweg.

Geschiedenis Middeleeuwen Midwolda heeft een geschiedenis die teruggaat tot voor het jaar 1000. De oorsprong van het dorp ligt in veenontginningen die vermoedelijk begonnen vanaf de noordelijke oevers van de Munter Ae bij Nieuwolda of wellicht nog verder noordelijk in de Oosterhoek: in het achterland van Weiwerd, Heveskes, Oterdum en Borgsweer.De kerk- en kloosterlanderijen van Midwolda en Nieuwolda vormden één geheel met de bezittingen van het klooster Menterwolde, later het Grijzemonniken- en het Grijzevrouwenklooster. Ze sloten bovendien aan bij de bezittingen van de Commanderij Oosterwierum, die weer teruggingen op oudere bezittingen van de Rijksabdij Werden. Opvallend is verder dat het Grijzemonnikenklooster ook grondbezit en patronaatsrechten in Wagenborgen had.

De omvang van het grondbezit van de middeleeuwse kerk en het nabijgelegen klooster Menterwolde doet vermoeden dat invloedrijke personen van buiten de regio verantwoordelijk waren voor de grootschalige ontginning van het gebied. We kunnen denken aan de bisschop van Münster, de Rijksabdij van Werden of een van de regerende gravenfamilies. Midwolda was de hoofdplaats van het Wold-Oldambt en tevens de zetel van een (kerkelijk) seendgericht.

De plaatsnaam Midwolda (1252: Middewalde) verwijst naar een onontgonnen moerasbos of -wolde. Midwolde was dan 'het in het midden gelegen moerasbos', ingeklemd tussen andere woudgebieden als Noord- en Zuidbroek (Broke), Woldendorp, Oostwold en Finsterwolde.G. van Berkel & K. Samplonius Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord Midwolda.

Het dorp lag oorspronkelijk verder noordelijk maar werd vanwege de overstromingen vanuit de Dollard steeds verder landinwaarts verplaatst. In de 12e eeuw bevond het dorpslint zich ter hoogte van de boerderij Ol Kerke aan de Kerkelaan. De middeleeuwse Viertorenkerk lag op een zandrug, die onder de Dollardklei verborgen ligt. Deze plek was al sinds de 10e of 11e eeuw bewoond, maar een eerdere nederzetting bevond zich mogelijk elders. In 1994 vonden opgravingen plaats die de fundamenten van de middeleeuwse kerk blootlegden. Deze kruiskerk was 63 meter lang en had vier torens, een halfgesloten koor en zijbeuken. Ter hoogte van de kerk stonden meerdere versterkte en omgrachte steenhuizen, waarvan de restanten nog op luchtfoto's zijn te zien. Mogelijk waren er tientallen van zulke huizen, een sage beweert vol overdrijving dat er "in Middewalda [...] negen styghe steenhuesen waren" (negen twintigtallen). In de 13e eeuw worden hier de adellijke families Imenga (Imeckna) en Folpetra (Pholpetra) genoemd. Hoofdeling Ebo Menalda van Hellum veroverde in 1283, gesteund door de Walberda's van Scheemda, het steenhuis van de Folpetra's vanwege een omstreden echtscheiding. Een document uit 1420 vermeldt als vooraanstaande inwoners Duert Zebinga en Sebo Emmens, in 1441 Tijarken Menekens en Manken Eppekans, in 1469 nog zeven anderen.

De belangrijkste adellijke familie in Midwolda waren de Tiddinga's: een zekere Dodo Tiddinga wordt genoemd in 1454, diens (vermoedelijke) zoon Lewert Tyddinge te Midwolda in 1488.O.D.J. Roemeling, 'Oldambster geslachten', in: De Nederlandsche Leeuw 97 (1980), kol. 215. De Tiddinga's waren ervan overtuigd dat hun voorgeslacht hier sinds de 13e eeuw woonde. Een van de nakomelingen stelt later dat zijn voorouders van adel waren, maar zij hadden "meestendeels alle hunne goederen, geleegen in 't Oldampt [...] verlooren door de veelvuldige doorbraken van den Dollaart".Eggerig van Tiddinga, Verdediging van Eggerig van Tiddinga, generael majoor ten dienste deezer landen, tegens de verregaende beschuldigingen, hem ten laste gelegd by de Deductie door Jr. Onno Zwier van Haren, Den Haag 1761, p. 5. De kroniekschrijver Eggerik Beninga wist omstreeks 1550 te melden dat de Dollard was ontstaan doordat de Tiddinge hun dijken hadden verwaarloosd.Eggerik Beninga, Cronica der Fresen, uitg door Louis Hahn en Heimz Rhamm, dl. 1, Aurich 1961, p. 256. Daaruit valt af te leiden dat men hen beschouwde als nakomelingen van de omstreden hoofdeling Tidde Wyneda in het Reiderland. De Tiddinga's waren op hun beurt nauw verwant met de Huninga's van Oostwold, Woldendorp en Beerta.Het bekende grensverdrag van 1420 noemt Tiacka Tiddinga te Eexta; in 1441 wordt daar een zekere Gijlken Wngijnghe genoemd, in 1454 als Aijlcko Wijngen. Kenneijk waren beide families Tiddinga en Wyneda (Winnenga) nauw verwant.

Vanwege de dalende veenbodem en toenemende wateroverlast verhuisden de boerderijen een voor een naar een nieuw dorpslint verder naar het zuiden. Volgens de historicus Ubbo Emmius was dat twee keer gebeurd. Eerst verhuisde het dorp omstreeks de 13e of 14e eeuw naar een plek wat hoger op het veen. Daar verrees na 1259 ook het Grijzevrouwenklooster. Ook bevond zich in die omgeving vermoedelijk de kloosterboerderij Nijenhuis, eigendom van het Grijzemonnikenklooster en grenzend aan het kerkenland.

Na 1500 Rond 1500 verhuisden de inwoners naar de hoger gelegen keileemrug in het directe achterland. Het Grijzevrouwenklooster bleef tot 1594 intact, maar de kloosterboerderij Gryse vrouwen Vorwarck en bijbehorende korenmolen op de 'meulenbarch' kregen een plek in het nieuwe dorp.De molen was eigendom van de kerkvoogdij en werd in 1564 verkocht om het onderhoud van de dijken te financieren. Diarium Egbert Alting, p. 135. Het dorp kreeg bovendien een eigen school; sinds 1565 wordt naast de koster, die voortaan de herberg bij de kerk bestierde, een afzonderlijke schoolmeester genoemd.De kosters bleven lang in functie. Bekend zijn de namen van Theye Luppens Coster (1566), Claes Jops ("onse weerdt by 't karckhoff", 1580/81), Johannes Lamberti Coster ("als bedeenende nu ter tidt de kroech by onse karcke", 1581-1606), Gerd Weemhoff (1606-1652) en Albert Willems Coster (1653-1670). Kerkvoogd Menno Hindriks volgens een klacht uit 1644 op zijn eigen grond een nieuwe school in het westen van het dorp, en verkocht de oude.Kerkvoogd Menno Hindriks had zonder toestemming van de oudste kerkvoogd in 1644 “een gehele nieuwe schoel in het Carspel Midwolda, digte aan de weg op zijn eigen landt te doen timmeren, die olde verkoft”, hoewel de kerk wel degelijk geld voor reparatie van de oude school had. R. Georgius et al., Boerderijenboek Nieuwolda / Nieuw-Scheemda [deel 2], Nieuwolda 1998, p. 39-40. Beide scholen staan afgebeeld op een kaart uit die tijd.Nationaal Archief, Hingman cat.nr. 3083: Kaart van landen en venen aan de Dollard door Cornelis Edskens, ca. 1638, hier nrs. 37 en 50.

In de 16e eeuw hadden de meeste boerderijen in Scheemda, Midwolda en Oostwold hooilanden ('meeden', 'uuthmeeden' en 'weerlanden') aan de overzijde van de Dollard. Het hooi werd met platboomde schuiten of 'hoybullen' naar huis gebracht.Jan van den Broek, ‘Graven bij Stootshorn: de verbinding tussen Groningen en het Oldambt gedurende de oorlogsjaren 1580-1594’, in: Geurt Collenteur et al. (red.), Stad en regio: opstellen aangeboden aan prof. dr. Pim Kooij bij zijn afscheid als hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, Assen 2010, p. 99-113, hier 103. Rond 1600 ontstonden hier de dorpen Scheemderhamrik (het latere Nieuw-Scheemda), Midwolderhamrik (het latere Nieuwolda) en de buurtschap Oostwolderhamrik.

Terwijl het dorp al verplaatst was, bleven de Viertorenkerk, de pastorieboerderij en de oude kosterij bij de Dollarddijk staan. Het kerkgebouw stortte in 1667 grotendeels in, waarna de kerkdiensten voortaan in de dorpsschool (het vernieuwde Oude Schoole huis) werden gehouden.Johannes Isbrand Harkenroht, Oostfriesche Oorsprongkelykheden, van alle Steden, Vlekken, Dorpen, Rivieren, enz. in ende buiten Oostfriesland en Harrellingeland, 2e dr. Groningen 1731, p. 318-319.Groninger Archieven, toegang 262, inv. nr. 1: Lidmatenregistervan van Midwolda, 1596-1812. Ook de predikant verhuisde naar het dorp. De Viertorenkerk werd kort na 1709 afgebroken. In 1708 was aan de Hoofdweg al een nieuwe kerktoren opgetrokken. De bijbehorende kerk van Midwolda werd in 1738 in gebruik genomen en als herinnering aan de Viertorenkerk voorzien van vier kleine dakruiters. De kerk is onder meer bekend door het bijzondere orgel van Albertus Antoni Hinsz uit 1772.