Dit artikel gaat over prostitutie in de Nederlandse stad Utrecht.
Utrecht kende tot 2013 raamprostitutie langs de Vecht aan het Zandpad en in het centrum in de Hardebollenstraat. In 2013 werden beide locaties gesloten na verdenking van mensenhandel. De officiële tippelzone aan de Europalaan en de afwerkplekken aan de Kanaaldijk werden in 2021 gesloten en maakte plaats voor nieuwe woonwijk, de Merwedekanaalzone. Utrecht kent anno 2022 nog twee privéhuizen en een massagesalon met een prostitutievergunning. Begin 2009 waren er nog vijf bordelen (dat wil zeggen met horecavergunning) of privéhuizen (dat wil zeggen zonder horecavergunning) met prostitutievergunning[rapp 1], pagina 16-17 en naar schatting nog 32 prostitutiebedrijven zonder vergunning[rapp 3] pag. 35 en 36, en zo’n 200 à 300 thuiswerksters en escorts. Na de sluiting van de tippelzone en de raamprostitutie heeft de gemeente de wens uitgesproken om nieuwe sekswerkplekken te faciliteren maar werden plannen voor nieuwe raamprostitutieplekken en tippelzones gesmoord. Na een advies van de Commissie Sorgdrager, besloot de gemeente per 1 januari 2025 de thuisprostitutie te legaliseren voor ten minste drie jaar.
Geschiedenis
Romeinse tijd Bij restauratie in 2011 van het Paushuize aan de Nieuwegracht, nabij de plek waar destijds het Romeinse fort in het stadscentrum was, werden Romeinse voorwerpen aangetroffen, waaronder een scherf van een kruik, met daarop erotische afbeeldingen.Ton van den Berg, Paushuize bovenop Romeinse hoerenbuurt, in: De Nieuwe Utrechter, 15 december 2011. (geraadpleegd 16 november 2012) Een redacteur van een website (dnu.nu) concludeert daaruit, dat zich op die plek Romeinse bordelen hebben bevonden. Een website van (professionele) historici noemt die gevolgtrekking uit één scherf echter nogal ongefundeerd.M.W.J de Bruijn, Paushuize in Utrecht. (geraadpleegd 16 november 2012)
Middeleeuwen en Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden Aan het eind van de middeleeuwen deed de Utrechtse Raad, die zichzelf tot taak stelde in de stad het algemeen belang te bevorderen, veelvuldig inspanningen de prostitutie te reguleren. Prostitutie was niet verboden, tenzij het te openlijk of op kerkhoven plaatsvond. Via verordeningen werd bepaald dat prostitutie uitsluitend mocht plaatsvinden in de achterafstegen bij de stadsmuur.R.E. de Bruin (red.) (2000), 'Een paradijs vol weelde'. Geschiedenis van de stad Utrecht, Matrijs, Utrecht,
thumb|300px|De koppelaarster, schilderij van de Utrechtse kunstenaar Gerard van Honthorst uit 1625. In het laatste kwart van de 16e eeuw, toen Utrecht onder invloed kwam van protestantisme en deel werd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, werd gepoogd de prostitutie te verbieden. Er werd wel tegen opgetreden, maar dit leidde niet tot veel resultaten. In de stad bleven prostituees, "hoerenwaarden", "ravothuizen" en koppelaarsters bestaan.
Franse tijd Na de inlijving door de Fransen rond 1800 werden in 1809 of 1810 alle oude gemeentelijke verordeningen afgeschaft, ook die betreffende prostitutieSlobbe en Wildt schrijven: 1809, Stemvers schrijft: 1810., en de prostitutie nam in Utrecht fors toe. De rand van de huidige binnenstad, aan de stadswal, was een plaats waar zich prostituees en bordelen bevonden. Bij de Zadelstraat waren erkende bordelen gevestigd. De overheid probeerde bij de bordelen overlast te bestrijden en de gezondheidsrisico's onder controle te houden. Er is geen aanwijzing, dat Utrecht, zoals sommige andere steden, tussen 1811 en 1890 ooit een officieel politiereglement had betreffende bordelen en prostituees.
Negentiende eeuw Na het vertrek van de Fransen in 1813 wisten gemeenteambtenaren vaak niet, waaraan zij zich moesten houden.Volmuller (1966), pag. 26-30 Een Utrechtse directeur van politie vroeg zich in 1822 af, of hij, door een bordeelhoudster toe te staan een meisje van zestien jaar als prostituee op te nemen, gehandeld had tegen artikel 334 van het strafwetboek (code pénal).Code pénal artikel 334: “Wie een vergrijp pleegt tegen de goede zeden door als gewoonte de losbandigheid [la débauche] of de corruptie [la corruption] van de jeugd onder de 21 jaar (…) uit te lokken, te bevorderen of te faciliteren, zal worden gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een boete (…). Indien de prostitutie [la prostitution] of de corruptie is uitgelokt, bevorderd of gefaciliteerd door hun vader, moeder, opvoeders (…) zal de straf twee tot vijf jaar gevangenis zijn en (…)” (Zie Code pénal 1810.)Dit bericht over de Utrechte politiedirecteur in 1822 wordt vermeld door Volmuller (p. 27-28), verwijzend naar: Bergh, W. van den – De strijd tegen de prostitutie in Nederland. Den Haag, 1878. In Utrecht volgde geen verbod op prostitutie, hoewel sommige burgers zich beklaagden over het openlijke karakter ervan bij de Zadelstraat. Prostitutie diende volgens de gemeente te blijven bestaan, met name voor jonge en ongetrouwde mannen, en dus niet verboden te worden. In 1842 telde Utrecht veertien bordelen, sommige dure en grote, gericht op lieden uit de hogere stand; andere minder chic, voor de burgerman, zeelui en militairen.Stemvers (1985), pag 67-70
Vanaf 1850 stelde de gemeente een systeem in werking waarbij prostituees zich zonder kosten vrijwillig konden laten onderzoeken op syfilis. De Utrechtse hoogleraar in de heel- en verloskunde, L.C. van Goudoever, kreeg in 1858 toestemming van de burgemeester om prostituees te selecteren en onder medische controle te stellen, om daarmee voldoende gewillige patiëntes te hebben voor de klinische demonstraties tijdens zijn colleges.Stemvers (1985), pag. 48-51 Ergens tussen 1858 en 1878 wees de gemeenteraad een voorstel, om een politiereglement betreffende de bordelen en prostituees in te stellen, van de hand.
Vanaf 1860 lijkt de politie strenger tegen bordelen te zijn opgetreden, en de tolerantie van de overheid voor bordelen te zijn verminderd.P.D.'t Hart (2005), Leven in Utrecht 1850-1914: groei naar een moderne stad, Het Utrechts Archief/ Uitgeverij Verloren, Hilversum, blz. 50. In 1885 waren er nog maar drie bordelen in de stad over; het systeem uit 1805 voor gratis medische controle voor prostituees werd wegens gebrek aan animo stopgezet. Tegen het eind van de 19e eeuw waren er meer bezwaren tegen de bordelen, van protestants-christelijken en buurtbewoners. Het bordeel aan de Lollestraat (nu Nobeldwarsstraat) had echter een goede naam, en werd, zelfs na klachten van een achterbuur die niet op een bordeel wilde uitkijken, nadrukkelijk door de politie getolereerd. In 1890 kwam er een 'Verordening tegen de openbare huizen van ontucht' (bordeelverbod).Besluit Utrechtse gemeenteraad 26 juni 1890, Verordening tegen de openbare huizen van ontucht: "Artikel 1. Het houden van een openbaar huis van ontucht is verboden. Artikel 2. Ieder, die een openbaar huis van ontucht houdt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen. Art. 3. Onder houder van een openbaar huis van ontucht wordt verstaan hij, die daarin het bedrijf van bordeelhouder uitoefent of doet uitoefenen. Art. 4. Wie, zonder zelf dit bedrijf uit te oefenen, daartoe op eenige wijze als mededader zijne medewerking verleent, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen. Art. 5. Deze verordening treedt in werking den 1sten November 1890." Bron: Het Utrechts Archief, bibliotheekmateriaal catalogusnummer VVO1 (Stedelijke publicaties 1886-1891.) Veel effect had dat niet; de straffen waren laag, bordelen kregen een meer ondergronds karakter en het aantal bordelen nam vermoedelijk zelfs toe. In 1911 volgde een landelijk bordeelverbod, dat de overheid de mogelijkheid gaf harder op te treden.Th.M. Wijntjes en D.J. Noordam, Het bemoeilijken van het kwaad. De prostitutie in Amersfoort tussen 1856 en 1911: van regulering tot bordeelverbod, in: R. van der Eerden et al. (red) (1997), Jaarboek Oud-Utrecht 1997, Casparie, Utrecht, blz. 231-260, . Op dat moment kende Utrecht echter nog maar één bordeel, het bovengenoemde bordeel in de Lollestraat.
Raamprostitutie 1911 – 1972 In 1935 werd raamprostitutie verboden: “het is verboden (…) op een van den openbaren weg zichtbare plaats iemand door woorden, gebaren of op eenige andere wijze tot het plegen van ontucht uit te lokken”.Gewijzigd artikel 23bis in de Verordening Straatpolitie (besluit gemeenteraad 4 juli 1935): “Het is verboden: a.) op den openbaren weg of op een van den openbaren weg zichtbare plaats iemand door woorden, gebaren of op eenige andere wijze tot het plegen van ontucht uit te lokken; b.) zich op door Burgemeester en Wethouders aangewezen openbare wegen of gedeelten van deze wegen, gedurende de uren, door Burgemeester en Wethouders genoemd, op te houden, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of zedelijkheid gelast is zich te verwijderen.” (Bron: Het Utrechts Archief, Toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969), Inventarisnummer 19388 (Verordening Straatpolitie, 1933-1935).) Dit, omdat, naar mening van de politiechef, het tippelverbod (zie onder) te weinig effect had tegen vrouwen die voor hun eigen deur “het publiek uitnoodigend aanspreken, ja zelfs als het ware soms hun “koopwaar” opdringen”.Brief 1 november 1933 van Commissaris van Politie aan Hoofd-Commissaris van Politie. (Bron: Utrechts Archief 1007-3 / 19388 (zie vorige noot).)
Kort na de bevrijding in 1945 vestigden prostituees zich in woonboten aan het Zandpad.Stemvers, pag. 149-150 Hun aantal nam toe, en eind jaren veertig stelden Rijkswaterstaat en de gemeentelijke havendienst beperkingen aan aantal en ligging van deze boten.
In 1953 werden tippel- en raamprostitutieverbod inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in de nieuwe Algemene Politieverordening onder artikel 31.Artikel 31 in de Algemene Politieverordening (besluit gemeenteraad 23 juli 1953): “Het is verboden: a.) op de openbare weg of op een van de openbare weg af zichtbare plaats iemand door woorden, gebaren of op enige andere wijze tot het plegen van ontucht uit te lokken; b.) zich op die gedeelten van de openbare weg, welke door Burgemeester en Wethouders blijkens openbare kennisgeving zijn aangewezen, binnen de tijd, daarbij door hen bepaald, op te houden, nadat een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of zedelijkheid de last heeft gegeven zich te verwijderen.” (Bron: Het Utrechts Archief, Toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969), Inventarisnummer 19392 (Verordening Straatpolitie en Algemene Politieverordening, juni 1953-juni 1955).)
Eind jaren zestig vonden raam- en tippelprostitutie ook plaats rond de Voorstraat.
1973: officieel gedoogbeleid In 1972-’73 stelden B en W dat in woonbuurten sprake was van “ernstige overlast van de prostitutie”. In met name de Vogelenbuurt zou overlast van raamprostitutie enerzijds bestaan uit verkeersoverlast tot ’s avonds laatInterim-rapport van de werkgroep prostitutie-aangelegenheden (ingesteld door College van B en W, Utrecht), geaccordeerd door B en W op 25 april 1973. of diep in de nachtGecombineerde vergadering raadscommissie Algemene en Bestuurlijke Zaken en Rechtskundige Commissie, 7 mei ’73., anderzijds uit “bederven” van “het aanblik van de wijk” door de prostitutie op zich. Daarop besloot de gemeenteraad op 10 mei 1973 APV artikel 31 te wijzigen zodat strafbaar werd “degene, van wie bekend is, dat deze prostitutie bedrijft” en die “zich op een van de openbare weg (…) af zichtbare plaats op zodanige wijze achter of in een raam bevindt dat redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat deze zich daar ophoudt om tot ontucht uit te nodigen”, waarbij echter Burgemeester en Wethouders plaatsen konden aanwijzen waar dit verbod niet gold.Raadsbesluit 10 mei 1973 Direct hierna wezen B en W het Zandpad - ook wel Rode Brug genoemd naar een nabijgelegen ophaalbrug - aan als plaats waar dit nieuwe verbod niet gold. De ramen waren te zien vanuit de auto; het gebruik van de auto was hier populair onder prostitutieklanten.