Jaime Lachica Sin (New Washington, 31 augustus 1928 – Manilla, 21 juni 2005) was een Filipijns kardinaal en aartsbisschop van Manilla van 1974 tot 2003. Daarmee is hij, na Michael O'Doherty, de langstzittende aartsbisschop van Manilla uit de geschiedenis.

Sin werkte na zijn priesterwijding in 1954 als missionaris in de bergdorpen van Panay en was aansluitend tien jaar rector van het St. Pius X-seminarie in Roxas. In 1967 werd Sin tot bisschop gewijd en assisteerde hij aartsbisschop Jose Maria Cuenco bij het leiden van het aartsbisdom van Jaro. Na het overlijden van Cuenco in 1972 werd Sin benoemd tot diens opvolger. Twee jaar later volgde een benoeming tot aartsbisschop van Manilla. Hij was daarmee de facto de geestelijk leider van de Rooms-Katholieke Kerk in de Filipijnen. In 1976 werd hij door paus Paulus VI tot kardinaal gecreëerd. Gedurende zijn periode als aartsbisschop van Manilla stelde hij zich steeds kritischer op ten opzichte van het dictatoriale bewind van president Ferdinand Marcos. In 1986 speelde Sin een cruciale rol bij de val van Marcos tijdens de EDSA-revolutie. Ook na het herstel van de democratie bleef hij zich bemoeien met de politiek in de Filipijnen. Zo bekritiseerde hij progressieve wetsvoorstellen over anticonceptie en scheiding. In 2001 was Sin opnieuw betrokken bij de val van een Filipijnse president. In januari van dat jaar zag Joseph Estrada zich gedwongen om terug te treden wegens beschuldigingen van corruptie en machtsmisbruik. Twee jaar na zijn pensionering in 2003 kwam Sin te overlijden. Hij kreeg een staatsbegrafenis, waarna zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de kathedraal van Manilla.

Biografie Afkomst Jaime Sin werd geboren op 31 augustus 1928 in New Washington, een plaats in de centraal in de Filipijnen gelegen provincie Aklan. Hij was het zevende kind uit een gezin van negen kinderen. Zijn vader, Sin Puat-co, was een Chinees die opgroeide in de stad Amoy, tegenwoordig Xiamen geheten. Nadat hij weduwnaar was geworden, emigreerde hij rond zijn 30e naar de Filipijnen. Daar verdiende hij in eerste instantie de kost als straathandelaar in de hoofdstad Manilla. Na enkele jaren nam hij de boot naar Panay, om zich daar in New Washington te vestigen. Hij begon er een sari-sari-winkel en was daarmee binnen korte tijd redelijk succesvol. Binnen vijf jaar was zijn winkel de grootste van New Washington, in die tijd een plaats van zo'n 10.000 inwoners. Tijdens een van zijn bezoeken aan het naburige Kalibo ontmoette hij de twintig jaar jongere Maxima Lachica. Na enige tijd van hofmakerij bekeerde Sin Puat-co zich voor de erg gelovige Lachica tot het katholicisme. Hij werd door de lokale priester gedoopt en nam daarna de naam Juan Sin aan. Kort daarop, in februari 1912, trouwde het stel. Samen bouwden ze de succesvolle winkel van Sin verder uit. Ook kwam er na de trouwerij gezinsuitbreiding. De eerste zeven kinderen overleden echter allen in hun babytijd. De kinderen daarna, met uitzondering van een tweeling die na Jaime werd geboren, bereikten allemaal de volwassen leeftijd, nadat ze het advies kregen hen met de flesvoeding groot te brengen. (2007), p.20-35

Roeping en opleiding tot priester thumb|Het St. Vincent Ferrer-seminarie in Jaro (Iloilo City) Van jongs af aan toonde Sin een buitengewone belangstelling voor het priesterschap. Hij speelde als kind bijna dagelijks de mis na en was bovendien misdienaar in de kerk van New Washington. (2007), p.31-32 Toen hij als tiener besloot dat hij priester wilde worden, was zijn vader in eerste instantie tegen. Moeder Maxima was echter erg blij met zijn beslissing en hielp hem, zonder zijn vader erbij te betrekken, bij zijn aanmelding voor het St. Vincent Ferrer-seminarie in Jaro. (1987), p.20-21 In juni 1941 begon hij aan de opleiding, maar zijn verblijf in het seminarie zou niet lang duren. Toen de Japanners in december 1941 de Filipijnen binnenvielen, moest de instelling haar deuren sluiten. In 1943 regelde zijn moeder daarop dat hij in afwachting van de heropening kon gaan wonen in een rusthuis voor priesters in Kalibo. Hij deed er het huishoudelijk werk en verzorgde de priesters gedurende de jaren dat de Japanners in de Filipijnen de dienst uitmaakten. (2001), p.88 Na de Tweede Wereldoorlog werd het seminarie weer heropend en in juni 1946 hervatte Sin zijn studie. De opleiding tot priester was in die dagen behoorlijk intensief, de studenten woonden het hele jaar in het seminarie en mochten alleen met de kerst naar huis. Gedurende het laatste deel van zijn opleiding mocht hij ook in de zomervakantie terugkeren naar New Washington om er catechese te geven. In 1954 rondde Sin zijn opleiding op het seminarie van Jaro met succes af en op 3 april van dat jaar werd hij in de kathedraal van de Onbevlekte Ontvangenis in Roxas tot priester gewijd door bisschop Antonio Frondosa.

Priesterschap Bisschop Frondosa was van plan om Sin naar Rome te sturen voor een vervolgopleiding. Sin liet de bisschop echter weten graag aan het werk te willen als missionaris in de bergdorpen van Panay. Frondosa was hier niet van gediend, schorste hem als priester en stuurde hem naar een klooster om erover na te denken. Sin zag zichzelf echter ook na veel nadenken en bidden geen theologie of canoniek recht studeren. Daarop gaf de bisschop toe en mocht hij aan het werk als missionaris. (1987), p.27 In de afgelegen bergdorpen waar Sin zijn werk deed waren veel mensen in naam wel katholiek, maar gingen ze in de praktijk slechts bij drie gebeurtenissen in hun leven naar de kerk: bij hun doop, bij hun huwelijk en bij overlijden. Het werken als priester in de bergdorpen was voor Sin niet makkelijk. De reistijden tussen de dorpen waren lang en de omstandigheden waren lastig, maar het was precies het werk dat Sin paste. Na twee jaar besloot bisschop Frondosa hem een andere opdracht te geven. Hij werd benoemd tot de eerste rector van het nieuwe St. Pius X-seminarie in Roxas.

Op het moment van zijn benoeming bestond het seminarie nog niet. Sin moest eerst zelf aan de slag om financiers voor het project te vinden. Hij vertrok naar Manilla in zijn zoektocht naar donaties en slaagde in zijn missie. In juni 1957 maakten de eerste studenten een aanvang met hun opleiding tot priester aan het St. Pius X-seminarie. Sin was na de opening van de instelling niet alleen rector maar gaf zelf ook lessen in geschiedenis en Spaans. Zoals de Filipijnse wet vereiste behaalde hij daartoe aan een katholiek college in Roxas zijn bevoegdheid om les te geven. Bijna tien jaar lang was Sin rector van het seminarie. Na verloop van tijd werd zijn werk minder uitdagend. Het seminarie draaide goed en alles was op orde. Jarenlang achtereen werd het seminarie door de Filipijnse bisschoppenconferentie uitgeroepen tot beste geleide seminarie van de Filipijnen. (2001), p.101 Toen de positie van plebaan van de kathedraal van Roxas vrijkwam hoopte Sin op een benoeming op deze post. Frondosa koos echter voor Edmundo Fuerte. Eind 1966 kreeg hij van de nuntius dan toch het bericht dat hij een nieuwe uitdaging zou krijgen. Hij werd hulpbisschop van Jaro, waar hij de ouder wordende aartsbisschop Jose Maria Cuenco moest assisteren. (1987), p.34-35

Bisschop en aartsbisschop thumb|De kathedraal van Jaro en de zetel van aartsbisschop Sin van 1972 tot 1974 Op 10 februari 1967 volgde de officiële benoeming tot hulpbisschop en titulair bisschop van Obba. Ruim een maand daarna werd Sin tot bisschop gewijd in de kathedraal van Roxas met bisschop Frondosa als eerstwijdende bisschop. Juan Nilmar en Manuel Salvador waren de medewijdende bisschoppen. Als motto koos hij Serviam (ik zal dienen). Sin ging voortvarend te werk in het aartsbisdom. Aartsbisschop Cuenco had formeel nog de leiding over het aartsbisdom, maar trok zich vanwege zijn hoge leeftijd liever terug in zijn vertrekken om aan zijn memoires te werken. Sin bracht de financiën van het aartsbisdom weer op orde, maakte een eind aan enkele interne conflicten, liet nieuwe scholen bouwen, renoveerde de kathedraal en liet het convent herbouwen. Ook werden er in deze periode diverse nieuwe parochies opgericht. (2001), p.105 en 111

Zijn voortvarendheid werd ook in het Vaticaan opgemerkt. Op 15 januari 1972 werd Sin verheven tot aartsbisschop-coadjutor van Jaro en titulair aartsbisschop van Massa Lubrense. Zijn verheffing tot coadjutor viel samen met een periode van hevige studentenprotesten tegen het bewind van president Ferdinand Marcos waarbij opgeroepen werd tot een revolutie. Tijdens een mis op 18 maart ter viering van zijn verheffing ging Sin tijdens de homilie in op deze onrust. (2007), p.84-99 Hij sprak over de "revolutie van de liefde" als reactie op de roep om een gewapende opstand. Voor zijn toespraak ontving hij een staande ovatie en met zijn uitspraken haalde hij de landelijke kranten. (1987), p.39 Marcos koos echter een andere manier om de onrust in het land de kop in te drukken en riep op 21 september 1972 de staat van beleg uit. Duizenden tegenstanders werden opgepakt en gebruikmakend van zijn buitengewone bevoegdheden door de staat van beleg, regeerde hij het land de jaren erna op dictatoriale wijze. (1987), p.39-40 Ruim twee weken later kwam aartsbisschop Cuenco te overlijden, waarna Sin op 8 oktober 1972 werd geïnstalleerd als diens opvolger.

Aartsbisschop van Manilla Ongeveer een jaar na de installatie van Sin als aartsbisschop van Jaro werd de Filipijnse kardinaal Rufino Santos getroffen door een zware beroerte. Hij raakte hierdoor in coma en was niet meer in staat het aartsbisdom van Manilla te leiden. Santos was de eerste Filipijnse kardinaal ooit en had sinds 1953 de leiding over het aartsbisdom. Nog voor zijn uiteindelijke overlijden in september 1973 begonnen de speculaties over zijn opvolging rond te gaan. De belangrijkste namen die genoemd werden waren die van Julio Rosales, de aartsbisschop van Cebu, Mariano Gaviola, de militair vicaris en Artemio Casas, de waarnemend aartsbisschop van Manilla. (1987), p.43 Groot was dan ook de verrassing bij Sin toen hij van de nuntius Bruno Torpigliani te horen kreeg dat het Vaticaan hem wilde benoemen tot opvolger van Rufino Santos. Het aartsbisdom van Manilla is het oudste van de Filipijnen en de aartsbisschop van Manilla wordt in de praktijk beschouwd als de leider van de Rooms-Katholieke Kerk in de Filipijnen. Sin voelde zich nog niet klaar voor om zo snel na zijn installatie als aartsbisschop van Jaro benoemd te worden op deze belangrijke positie. Na enige bedenktijd accepteerde hij de benoeming echter toch. (1987), p.44-45 Zijn daadwerkelijke benoeming op 21 januari 1974 door paus Paulus VI was voor het grote publiek net zo'n grote verrassing als voor Sin zelf. Een columnist van een van de Filipijnse dagbladen vroeg zich af hoe een bisschop met de naam Sin de nieuwe aartsbisschop van Manilla kon worden. Op 19 maart 1974 werd Sin geïnstalleerd in de kathedraal van Manilla.

Installatie en beginperiode