De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (kortweg Wet Vpb 1969) regelt een directe belasting die Nederland heft over de "winst" die door rechtspersonen wordt behaald. Het tarief is licht progressief volgens twee schijven (19% en 25,8%).
De wet kan economisch worden gezien als een inkomensbelasting voor rechtspersonen. Het inkomen van natuurlijke personen valt niet onder de Wet Vpb 1969, maar onder de Wet inkomstenbelasting 2001.
In 2022 bedroeg de opbrengst van de vennootschapsbelasting iets meer dan € 38 miljard (ongeveer 16,5% van de totale rijksbelasting op inkomen, winst en vermogen). De opbrengst 2023 wordt geraamd op € 42,5 miljard. De vennootschapsbelasting is daarmee de op twee na meest opbrengende rijksbelasting (na de omzetbelasting en de loonbelasting).
Voor vennootschapsbelasting in het algemeen, zie vennootschapsbelasting.
Geschiedenis Voorloper van de huidige Wet vennootschapsbelasting 1969 is het Besluit op de Winstbelasting 1940, dat in de periode van de Duitse bezetting werd ingevoerd (Besluit van 26 juli 1940, Verordeningenblad nr 83/1940, Staatsblad nr. 405). Dit was voor het eerst dat er in Nederland rechtstreeks een belasting werd geheven op ondernemingen die niet door natuurlijke personen werden gedreven. Voordien was er een aparte dividend- en tantièmebelasting, waarbij belasting geheven werd op bepaalde uitdelingen die door zulke ondernemingen werden gedaan.
In 2007 is een ingrijpend gewijzigde wet vennootschapsbelasting in werking getreden. Onder andere in de deelnemingsvrijstelling werden belangrijke veranderingen aangebracht.
Mede vanwege de toegenomen internationalisering, waardoor vragen over vestigingsplaats een grotere rol zijn gaan spelen, is de wet voortdurend aan wijziging onderhevig. De door het internationale bedrijfsleven bedachte constructies worden door de Nederlandse wetgever door middel van anti-misbruikbepalingen gedicht. Daarnaast speelt ook de publieke opinie een rol bij de wijze waarop Nederland met haar fiscale stelsel mogelijkheden wil scheppen om de globale belastingdruk voor multinationals te verminderen.
Indeling De Wet Vpb 1969 bestaat uit een aantal hoofdstukken, afdelingen en artikelen. In de hieronder staande weergave van de hoofdstukken komt de structuur van de wet tot uiting:
Hoofdstuk I - Belastingplicht Hoofdstuk II - Voorwerp van belasting bij binnenlandse belastingplichtigen Hoofdstuk III - Voorwerp van belasting bij buitenlandse belastingplichtigen Hoofdstuk IV - Verrekening van verliezen Hoofdstuk V - Tarief Hoofdstuk VA - Deelnemingsverrekening Hoofdstuk VI - Wijze van heffing Hoofdstuk VII - Aanvullende regelingen Hoofdstuk VIII - Overgangs- en slotbepalingen
Naast de Wet Vpb 1969 zijn er vele besluiten en beschikkingen die voor de bepaling van belastingplicht van belang zijn. Daarnaast is de rechtspraak van belang voor de interpretatie van de wettelijke bepalingen. Tot slot zijn ook de standpuntbepalingen van de kennisgroepen van de Belastingdienst van belang, omdat belastingplichtigen er op mogen vertrouwen een gelijke behandeling te krijgen. Sinds het voorjaar van 2023 worden deze standpunten op anonieme basis gepubliceerd.
De belastingplichtige In hoofdstuk I van de Wet Vpb 1969 wordt de zogenoemde subjectieve belastingplicht geregeld: wie is belastingplichtig. De eerste belangrijke tweedeling die de wet maakt, is die in binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen (belastingplichtigen in het algemeen worden in de Wet Vpb 1969 aangeduid met de term "lichamen"). Deze tweedeling is van belang, omdat het voorwerp waarover de belasting wordt berekend verschillend is. Binnenlandse belastingplichtigen dienen in beginsel hun gehele winst aan te geven, dat wil zeggen, winst die haar oorsprong zowel binnen als buiten Nederland heeft. Buitenlandse belastingplichtigen hoeven alleen hun "Nederlandse inkomen" aan te geven, dat wil zeggen inkomen dat een bepaalde binding met Nederland heeft.
Vestigingsplaats Als gevolg van de bovengenoemde tweedeling is het van belang om vast te stellen waar een lichaam gevestigd is (binnen of buiten Nederland). Waar een lichaam gevestigd is, wordt bepaald aan de hand van de algemene regel die is opgenomen in artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Veelal is, kort gezegd, de plaats waar de zogenoemde feitelijke leiding van het lichaam gevestigd is, doorslaggevend voor het antwoord op die vraag. Een belangrijke bepaling is in dit verband ook de wettelijke fictie die bepaalt dat een naar Nederlands recht opgericht lichaam in beginsel geacht wordt in Nederland gevestigd te zijn (artikel 2 lid 4 Wet Vpb).
Binnenlandse belastingplichtigen Binnenlandse belastingplichtigen zijn grosso modo alle in Nederland gevestigde rechtspersonen, zoals NV's, BV's, coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag, onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen die op onderlinge grondslag als verzekeraar of kredietinstelling optreden. Ook "gewone" verenigingen en andere niet-publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals stichtingen, zijn belastingplichtig, maar dan uitsluitend indien en voor zover zij een onderneming drijven. Ook een aantal niet rechtspersoonlijkheid bezittende, in Nederland gevestigde samenwerkingsverbanden, zoals bepaalde commanditaire vennootschappen en fondsen voor gemene rekening, zijn belastingplichtig. Ten slotte kunnen publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld gemeenten) belastingplichtig zijn indien zij bepaalde typen ondernemingen drijven.
Buitenlandse belastingplichtigen Buitenlandse belastingplichtigen zijn grosso modo alle niet in Nederland gevestigde rechtspersonen (en een aantal niet rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden), maar dan wel uitsluitend indien en voor zover zij Nederlands inkomen genieten. Er wordt ook op de zogenaamde doelvermogens gewezen: het gaat hier dan met name om de rechtsfiguur van de trust.
Subjectieve vrijstellingen In hoofdstuk I van de Wet Vpb 1969 worden ook de zogenoemde subjectieve vrijstellingen geregeld. Op grond van deze vrijstellingen worden lichamen die op grond van de hoofdregel in beginsel belastingplichtig zijn, specifiek aangemerkt als niet belastingplichtig. Een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap die een "bibliotheek" exploiteert is op grond van de huidige wetgeving (2016) bijvoorbeeld (nog) als subject vrijgesteld. Verenigingen en stichtingen die een bescheiden winst maken zijn op grond van dit hoofdstuk eveneens subjectief vrijgesteld.
Een ander voorbeeld van subjectieve vrijstelling is de vrijgestelde beleggingsinstelling of VBI (artikel 6a wet VPB). Deze beleggingsinstellingen zijn onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Daarbij wordt bij de houders van die beleggingsinstelling in box 2 van de Inkomstenbelasting wel een fictief rendement belast. Flits-vbi is de informele naam van een vbi waar ruim een jaar, inclusief twee jaarwisselingen, vermogen in wordt geplaatst om twee jaar belasting in box 3 te ontlopen. Aanhangig is het Belastingplan 2017, dat onder meer bepaalt dat het vermogen hiervoor minstens 18 maanden in de vbi moet blijven. De VBI lijkt sterk op de fiscale beleggingsinstelling of FBI, maar deze verschilt met de VBI met name door de verplichting de winst binnen 8 maanden na afloop van het boekjaar uit te keren aan de aandeelhouders. Onder voorwaarden bedraagt de belasting in dat geval 0% van het belastbare bedrag. Dit wordt geregeld in artikel 28.https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2014-5544.html in combinatie met https://web.archive.org/web/20161115134111/https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2016/01/28/blkb-2016-99m-vpbwi-fiscale-beleggingsinstellinghttp://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/winst/vennootschapsbelasting/beleggingsinstellingen/fiscale_beleggingsinstelling
Een aantal Nederlandse staatsbedrijven, waaronder het Havenbedrijf Rotterdam N.V. en de Maastricht Aachen Airport, was vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Met ingang van 1 januari 2017 is deze vrijstelling vervallen.
Fiscale eenheid Zoals uit het bovenstaande blijkt, is ieder lichaam wettelijk gezien afzonderlijk belastingplichtig. De wet kent een bijzondere regeling (de fiscale eenheid) waarbij twee of meer verbonden lichamen op hun verzoek en met instemming van de belastingdienst de verschuldigde belasting mogen berekenen alsof die lichamen één belastingplichtige zijn. Om een fiscale eenheid te kunnen vormen, moet de moedermaatschappij minimaal 95% van de aandelen in de dochtermaatschappij in handen hebben.
Het voorwerp van belasting De zogenoemde objectieve belastingplicht (over welk inkomen is belasting verschuldigd) is geregeld in hoofdstuk II (binnenlandse belastingplichtigen) en hoofdstuk III (buitenlandse belastingplichtigen) van de Wet Vpb 1969.
Voorwerp van belasting voor binnenlandse belastingplichtigen Ten aanzien van binnenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven over het belastbare bedrag. Onder laatstgenoemd begrip wordt verstaan de belastbare (jaar)winst verminderd met eventuele verliezen uit andere jaren, berekend conform de regels van hoofdstuk IV van de Wet Vpb 1969. Jaarwinst is op haar beurt weer gedefinieerd als de in het boekjaar van de belastingplichtige genoten winst verminderd met de aftrekbare giften. Wat onder winst verstaan wordt, is in de wet bepaald en door rechtspraak nader uitgelegd. Het begrip "winst" voor de Wet Vpb 1969 is in beginsel gelijk aan het begrip "winst" zoals dat bepaald is in de Wet inkomstenbelasting 2001 voor een IB-ondernemer. De wet Vpb verwijst daarvoor naar artikelen van de Wet IB. Op dit uitgangspunt zijn vele uitzonderingen. Het belastbaar bedrag wordt in beginsel berekend in euro's, hoewel de belastingplichtige de belastinginspecteur kan verzoeken om het bedrag in een andere valuta te berekenen (de zogenoemde functionele valutaregeling)
Het fiscale winstbegrip hoeft in de Nederlandse situatie niet gelijk te zijn aan het economische winstbegrip zoals dat geldt voor de bepaling van de jaarrekening (dit in tegenstelling tot veel andere landen alwaar het fiscale en economische winstbegrip per definitie gelijk zijn aan elkaar). Eventuele verschillen kunnen zowel permanent als tijdelijk zijn, alsook in het voordeel en in het nadeel van de belastingplichtige uitvallen..
Voorwerp van belasting voor buitenlandse belastingplichtigen Veel bepalingen die van toepassing zijn op binnenlandse belastingplichtigen zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse belastingplichtigen (bijvoorbeeld de bepalingen inzake de winst en de functionele valutaregeling). Bij buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven over het belastbare Nederlandse bedrag. Hierbij gaat het om de in Nederland behaalde winst. Het begrip "Nederlands inkomen" is precies beschreven in de wet. Kan een bepaald inkomensbestanddeel niet onder de definitie gebracht worden, dan wordt dat inkomensbestanddeel niet in Nederland belast. Nederlands inkomen is het gezamenlijke bedrag van (i) de belastbare winst uit een in Nederland gelegen, middels een vaste inrichting dan wel vaste vertegenwoordiger gedreven (gedeelte van) onderneming en (ii) het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang (in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001) in een in Nederland gevestigde vennootschap, indien dat belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming.
Bij wetsfictie worden een belangrijk aantal zaken en rechten geacht tot een Nederlandse onderneming te behoren. Een niet in Nederland gevestigde vennootschap die bijvoorbeeld in Nederland gelegen onroerende zaken exploiteert, dient de daarmee samenhangende exploitatie-inkomsten als Nederlands inkomen aan te geven.
Objectieve vrijstellingen