Bastaardschorpioenen of pseudoschorpioenen (Pseudoscorpionida) vormen een orde van kleine, ongewervelde dieren die behoren tot spinachtigen (Arachnida).
Bastaardschorpioenen leiden een verborgen bestaan omdat ze zo klein zijn en zelden in grote aantallen worden aangetroffen. Daarnaast leven ze meestal op aan het zicht onttrokken plaatsen zoals onder stenen of achter boomschors. Bastaardschorpioenen leven vooral in vochtige milieus zoals bossen en weilanden maar sommige soorten komen ook voor in vochtige delen van huizen. Er zijn bijna 3400 soorten bekend, die over vrijwel de gehele wereld voorkomen.
Alle soorten blijven zeer klein en bereiken in de regel een lichaamslengte van minder dan vier millimeter. De verschillende soorten hebben een afgeplat peervormig lichaam dat stomp eindigt. Alle soorten zijn witgeel tot roodbruin of soms zwart van kleur. Net als andere spinachtigen hebben alle soorten vier paar poten, bastaardschorpioenen hebben daarnaast relatief grote uitsteeksels aan de kop (pedipalpen) die een vergrote schaar dragen aan het uiteinde.
Bastaardschorpioenen zijn zoals de naam al doet vermoeden geen echte schorpioenen; ze blijven veel kleiner en missen de 'staart' met de gifstekel die de schorpioenen bezitten aan de achterzijde van het lichaam. De meeste bastaardschorpioenen kunnen met hun schaar-achtige pedipalpen gif injecteren in prooidiertjes maar geen enkele soort is gevaarlijk voor de mens. Alle soorten kunnen net zoals spinnen spinsel produceren maar de spinklieren zitten niet aan het achterlijf (zoals bij de spinnen) maar aan de voorzijde van de pedipalphanden.
Vrouwtjes vertonen vaak een verregaande vorm van broedzorg door zich met eitjes en al in te metselen in een koepeltje van substraatdeeltjes en zijde tot de jongen ontwikkeld zijn. Bastaardschorpioenen hebben nooit vleugels maar sommige soorten zijn toch in staat om zich snel over grote afstanden te verplaatsen. Ze klampen zich namelijk vast aan grotere dieren zoals vliegende insecten en liften zo mee met hun gastheer.
Naamgeving thumb|240px|De boekenschorpioen wordt vaak gevonden in boeken. De dieren worden ook wel aangeduid met pseudoschorpioenen of boek(en)schorpioenen. De naam boek(en)schorpioen slaat op verschillende soorten die in gebouwen leven, zoals huizen en andere plaatsen waar hout- of papieretende luizen voorkomen.Ook in andere talen worden de dieren vaak aangeduid met 'onechte schorpioen', zoals het Engelse 'false scorpion', het Duitse 'pseudoskorpione' en het Franse 'pseudoscorpions'.
De orde werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Charles De Geer in 1778. De wetenschappelijke naam Pseudoscorpionida betekent letterlijk vertaald nep-schorpioenen. Deze naam is afgeleid van Oudgrieks ψευδής (pseudēs = nep) en σκορπίος/σκορπίων (skorpios/skorpiōn = schorpioen).Lange tijd werd de naam Pseudoscorpionida gebruikt en deze naam wordt hierdoor in veel literatuur vermeld. Nog langer geleden werd de groep aangeduid met Chelonethi, maar deze naam is al langer in onbruik geraakt. De naam Chelonethi is een samenstelling van Oudgrieks χηλή (chēlē = tang) en νήθειν (nēthein = spinnen).
De naam bastaard- of pseudoschorpioen slaat op de beperkte verwantschap aan de schorpioenen. Ze delen enkele lichamelijke kenmerken, zoals het gesegmenteerde achterlijf en de relatief grote scharen die net als bij schorpioenen aan de voorzijde van het lichaam geplaatst zijn. Verder verschillen de schorpioenen en de bastaardschorpioenen echter sterk.
Verspreiding en habitat Bastaardschorpioenen komen over de gehele wereld voor, uitgezonderd de poolgebieden. Verreweg de meeste soorten komen voor in tropische en subtropische delen van de wereld. Sommige soorten komen noordelijk voor tot in delen van Scandinavië, zoals de wijdverspreide soort Neobisium muscorum.
De meeste soorten komen slechts in een bepaald gebied voor, zoals Garypus pallidus uit Mexico en Neobisium maritimum die alleen wordt gevonden langs de Noordzeekust van Engeland en Frankrijk. De soort Neobisium schawalleri is zelfs alleen bekend van een enkele grot op Kreta (Griekenland).
Er zijn ook uitzonderingen zoals Cheiridium museorum en de boekenschorpioen (Chelifer cancroides). Deze bastaardschorpioenen hebben zich met behulp van de mens verspreid over vrijwel de gehele wereld. Soms komen in geïsoleerde gebieden veel soorten voor die uniek zijn voor dat gebied. Een voorbeeld is Nieuw-Zeeland waar ongeveer zeventig soorten bastaardschorpioenen leven. Deze soorten behoren tot 28 verschillende geslachten en van deze geslachten zijn er 25 endemisch en komen nergens anders ter wereld voor.
thumb|260px|Exemplaar uit Tennessee, VS. De habitat bestaat meestal uit sterk begroeide streken zoals bossen, maar ook open gebieden zoals graslanden, weiden en agrarische gebieden zijn een geschikte biotoop. Daarnaast komen ze in huizen van mensen ze voor zoals in kelders en rond verzamelingen van organisch materiaal.
De microhabitat bestaat vaak uit de bodem van het bos of andere begroeide habitats. Vrijwel alle soorten leven tussen de afgevallen bladeren in de strooisellaag, tussen het mos of rottende planten, onder stenen of schors van dode of zieke bomen en in ondergrondse spleten. Ook op dierenmest en composthopen kunnen bastaardschorpioenen worden aangetroffen. Soorten uit de families Atemnidae, Cheliferidae, Chernetidae, Olpiidae en Sternophoridae hebben zich vaak gespecialiseerd in het leven onder boomschors. Een aantal bastaardschorpioenen heeft zich gespecialiseerd in het leven in grotten, zoals sommige vertegenwoordigers van de families Chthoniidae en Neobisiidae.
De meeste soorten uit de families Chernetidae, Chthoniidae en Neobisiidae staan bekend als echte bosbewoners die leven tussen de bladeren op de bodem. Van een aantal soorten is bekend dat ze in holen van zoogdieren en vogels leven of in nesten van insecten zoals bijenkorven en mierennesten. Sommige soorten zijn gespecialiseerd in vogelnesten waar ze leven van de parasieten die op vogels leven en ook in kippenhokken worden ze aangetroffen. Enkele soorten komen voor in de getijdenzone. Een voorbeeld is de soort Neobisium maritimum die op rotsen langs de zee leeft.
In Nederland In Nederland komen ten minste 23 soorten voor die zich permanent hebben gevestigd. De bekendste soort is de boekenschorpioen. Waarschijnlijk zijn er een aantal soorten nog niet ontdekt, aangezien er in 2003 nog 17 soorten bekend waren. De soort Roncus lubricus bijvoorbeeld werd pas in 2003 voor het eerst waargenomen in de buurt van IJzendijke (Zeeland).
De verschillende soorten zijn verspreid in Nederland aangetroffen maar de meeste leven in het zuiden; voornamelijk Limburg en komen voor in verwarmde kassen. Drie soorten komen voor in de mergelgrotten van zuidelijk Limburg en zijn aan te merken als grotminnend of sterk gebonden aan grotten, dit zijn Chthonius ischnocheles, Neobisium carcinoides en Neobisium simile.
Bastaardschorpioenen komen voor in de Amsterdamse Waterleidingduinen en de soort Allochernes powelli is op het noordwestelijk gelegen eiland Terschelling gevonden.
Uiterlijke kenmerken thumb|left|290px|Algemene kenmerken van een bastaardschorpioen: Bastaardschorpioenen zijn kleine schorpioenachtige diertjes met een plat, peervormig lichaam. Ze lijken bij nadere beschouwing op een kruising tussen een termiet (vanwege de geringe lengte en het gesegmenteerde achterlijf) en een krab (vanwege de scharen). De soorten blijven allemaal zeer klein, ze variëren in lengte van twee tot acht millimeter. Het overgrote deel blijft echter kleiner dan vijf millimeter. Slechts weinig soorten kunnen langer dan een centimeter worden en de grootst bekende soort is Garypus titanius, die een lengte van 12 tot 15 millimeter kan bereiken.
Alle soorten hebben een onopvallende donkere kleur zoals bruin, zwart, grijs, groen of roodachtig. Soorten die in grotten leven zijn vaak bleker tot wit van kleur omdat ze minder pigment aanmaken. De verharde lichaamsdelen zoals de carapax en de scharen zijn vaak donkerder van kleur.
Het voorste deel van het lichaam wordt kopborststuk of cephalothorax genoemd, het achterste deel wordt met achterlijf of abdomen aangeduid. Bij de bastaardschorpioenen wordt het kopborststuk soms ook aangeduid met prosoma en het achterste deel met ophistosoma.
Kopborststuk De kop is klein en is versmolten met het borststuk, het geheel wordt het kopborststuk of chephalothorax genoemd. Het kopborststuk wordt aan de bovenzijde beschermd door een enkele verharde plaat of scleriet, deze is ongeleed en wordt de carapax genoemd. De onderzijde van het chephalothorax draagt geen sclerieten, al zijn hiervan bij sommige families wel gedegenereerde restanten te zien. De onderzijde wordt door de zijwaarts staande eerste pootdelen beschermd.
De ogen zijn onderontwikkeld; ze zijn klein en ontbreken bij veel soorten geheel. Vooral in grotten levende soorten zijn nagenoeg blind. Het aantal ogen verschilt per groep; soorten uit de meeste families bezitten twee paar ogen, dus vier in totaal. Vertegenwoordigers van andere families hebben een enkel paar ogen. De ogen zijn simpel van bouw en ieder oog bestaat uit een enkele lens. Dit type ogen wordt wel ocelli genoemd.
De kaken van de bastaardschorpioen worden de cheliceren genoemd, hiermee worden prooidiertjes fijngekauwd. Veel soorten hebben naaldachtige cheliceren waarmee prooien worden leeggezogen. De cheliceren bestaan uit een onbeweeglijk deel en een beweeglijk deel en zijn gelegen aan de voorzijde van de onderkant van de kop. Alle soorten hebben een porie aan de voorzijde van het beweegbare deel van de cheliceer, dit is de opening van de spinselklier waarmee een zijdeachtig spinsel kan worden geproduceerd. Deze opening wordt ook wel spintepel of galea genoemd. De gifklieren zelf zijn in het kopborststuk gelegen. Bastaardschorpioenen zijn de enige dieren die altijd met hun monddelen spinsels maken. De scharen worden daarnaast gebruikt om prooidieren te fixeren en om de overige lichaamsuitsteeksels te reinigen.
De eigenlijke mond is buisvormig en wordt rostrum genoemd. Het rostrum wordt in de prooi gestoken waarna maagsappen worden geïnjecteerd die het lichaam van de prooi oplossen. Vervolgens wordt het goedje weer opgezogen waarbij het langs een aantal filters door het rostrum wordt gevoerd zodat alleen vloeibare delen worden opgenomen. Het voedsel komt terecht in gelobde maagkamers, twee aan de bovenzijde van het lichaam (de caecae) en één aan de onderzijde. Vervolgens komt het voedsel in de darm terecht waar het wordt verteerd. De restanten verlaten het lichaam via de anus aan de achterzijde van het lichaam.
Pedipalpen thumb|260px|Schematische weergave van de lichaamsuitsteeksels. Een van de opvallendste lichaamskenmerken van bastaardschorpioenen zijn de pedipalpen. Deze ontspruiten aan de voorzijde van het lichaam aan de kop en bestaan altijd uit zes delen. De tangachtige klauwen aan het uiteinde worden wel pedipalp-handen of chela genoemd (meervoud chelae). De pedipalpen zijn ontstaan uit het tweede (buitenste) paar tastorganen van de monddelen. Ze bestaan uit grote, lange en duidelijk gesegmenteerde pootachtige uitsteeksels. De pedipalpen hebben hetzelfde bouwplan als de poten en de verschillende delen dragen ook eenzelfde naam. Het onbeweeglijke deel van de pedipalphand is omgevormd uit het deel wat bij de poten de metatarsus wordt genoemd, de beweegbare vinger is het equivalent van de tarsus.
De pedipalphand bestaat uit een onbeweegbaar deel en een beweeglijke 'vinger'. Tijdens het eten wordt het basale lid van de beide pedipalpen, de gnathocoxus, gebruikt om het voedsel vast te houden en de cheliceren verkleinen het voedsel of zuigen het leeg. De pedipalphanden worden gebruikt om prooien te vangen en te doden, om te vechten met soortgenoten, te dreigen naar vijanden en ze worden ten slotte ook gebruikt bij de balts.