Martin Heidegger (Meßkirch, 26 september 1889 – Freiburg im Breisgau, 26 mei 1976) was een Duitse filosoof. Zijn filosofisch hoofdwerk, Zijn en Tijd, werd in 1927 uitgegeven. In dit werk probeert Heidegger de vraag naar het zijn opnieuw te stellen.
Heidegger was omstreden door zijn lidmaatschap van de NSDAP en zijn onverbloemde steun aan Hitler van 1933 tot de val van het naziregime. Toch vormde hij een grote inspiratiebron voor vele filosofen na hem.
Leven thumb|Het Mesmerhaus in Meßkirch, het huis waar Heidegger opgroeide Martin Heidegger werd op 26 september 1889 geboren in Meßkirch (Oberschwaben) in een rooms-katholiek gezin, als oudste kind van Friedrich en Johanna Heidegger. Zijn vader was kuiper en koster van de plaatselijke rooms-katholieke kerk. Met een beurs van een katholieke stichting bezocht hij het gymnasium in Konstanz (1903) en daarna (1906) in Freiburg im Breisgau (Zwarte Woud). In 1909 werd hij aldaar student, oorspronkelijk theologie – omdat hij priester wilde worden – maar vanaf 1911 filosofie. In 1913 promoveerde hij, in 1915 gevolgd door de Habilitation (met universitaire doceerbevoegdheid).
De Eerste Wereldoorlog onderbrak zijn academische carrière. Als dienstplichtige werd hij in 1915 ongeschikt bevonden voor gevechtstaken, en ingedeeld bij de dienst voor post en weerkunde. In 1917 trouwde hij met de van oorsprong lutherse Elfride Petri. Na zijn ontslag uit het leger in 1918 werd hij onbezoldigd docent (Privatdozent) aan de Universiteit van Freiburg en assistent van Edmund Husserl, grondlegger van de fenomenologie, die daar in 1916 tot gewoon hoogleraar was benoemd. Heidegger begon bekend te worden als een briljant leraar. Later zou Hannah Arendt schrijven dat zijn lessen over Aristoteles, Sint-Paulus, fenomenologie, de alledaagse wereld en het menszijn hem de naam van "verborgen koning" van de filosofie (der heimliche König der Philosophie) opleverden. Kort na de geboorte van zijn zoon Jorg in januari 1919 brak hij met het katholicisme.
Elfride zou een grote invloed hebben op zijn verdere praktische leven. Zo ontwierp zij bijvoorbeeld de Hütte, een houten vakantiehuisje tegen een heuvel bij Todtnauberg, een plaatsje dat later skioord zou worden, waar Heidegger telkens weer rust zocht en waar zijn belangrijkste werken tot stand zijn gekomen. Het echtpaar kreeg twee zonen, doch Martin Heidegger was niet de biologische vader van hun jongste zoon Hermann, die later mederedacteur van Heideggers verzamelde werk was.
Hoewel Heidegger een tijdlang een zekere waardering had voor Husserl, ontwikkelde hij zich in een andere richting, namelijk die van de ontologie, de leer van het wezen van het zijn, en vooral de waarheid van het zijn. Hij vernieuwde deze denkwijze.
In 1923 volgde een buitengewoon hoogleraarschap in Marburg, een klein stadje waar hij zich niet echt thuis voelde: hij schreef in brieven over de matte en naargeestige sfeer, en hij was blij dat hij in de vakanties naar de Hütte kon. Een intieme relatie met zijn studente Hannah Arendt bracht wat verlichting. Een positief punt was dat zijn colleges een steeds groeiende schare enthousiaste studenten trokken, die gebiologeerd raakten door het filosoferen dat zich voor hun ogen leek te voltrekken. Zijn vernieuwende ideeën die hij op zijn studeerkamer ontwikkelde, probeerde hij in de colleges op de studenten uit. Zo steeg zijn roem in Duitsland, hoewel hij niet of nauwelijks publiceerde. Toen Husserls terugtreden als professor aangekondigd werd, stortte hij zich in grote haast op het schrijven van een uitvoerige ontologische studie, voorbereid in zijn colleges, die, onder de titel Sein und Zeit bij het verschijnen in 1927 groot opzien baarde. Dankzij dit hoofdwerk kon hij hoogleraar worden en vestigde hij definitief zijn naam als zeer oorspronkelijk denker.
Mede op grond van Sein und Zeit keerde hij in 1928 terug naar Freiburg als opvolger van Husserl, op diens wereldwijd geroemde leerstoel voor wijsbegeerte.
thumb|Martin Heideggers graf in Meßkirch De opkomst van de nationaalsocialistische beweging (NSDAP) in Duitsland liet ook Heidegger niet onberoerd. Zijn vrouw was vurig aanhangster van de NSDAP. Vanaf 1932 sympathiseerde Heidegger openlijk met Hitlers ideaal van nationale verheffing ('nationale Erhebung'). Na de filosofie vernieuwd te hebben, wilde hij de maatschappij vernieuwen. Op 21 april 1933 kozen zijn collega's hem vrijwel unaniem als nieuwe rector van de Freiburger universiteit. Hij volgde hiermee professor Von Möllendorf op die (waarschijnlijk) onder druk van de naziregering de dag ervoor was afgetreden. Op 3 mei 1933 trad Heidegger met een groot aantal andere hoogleraren en docenten demonstratief toe tot de NSDAP (voor deze groep was er geen verplicht lidmaatschap, zoals dat wel gold voor onder meer ambtenaren). Heideggers praktisch-politieke handelen vond zijn 'hoogtepunt' in zijn Rektoratsrede op 27 mei 1933, waarmee hij zijn nieuwe functie aanvaardde. Ook een aantal voordrachten, colleges en redevoeringen uit dat jaar getuigen van geloof in het nieuwe Duitsland. Heidegger heeft nooit publiekelijk spijt betuigd voor zijn bewondering van Hitler en de grote verwachtingen die hij jegens diens nationaalsocialisme koesterde.
In zijn Rektoratsrede pleitte hij voor een door een leider ('Führer'), namelijk Heidegger zelf, geleide universiteit met zeer veel inspraak voor jonge docenten en studenten die het kader zou opleiden voor een wezenlijk andere elite in het Nieuwe Duitsland, die een eind zou maken aan de oerconservatieve academische opleiding.
Na een jaar (april 1934) diende hij al zijn ontslag in, teleurgesteld omdat hij voor hetgeen hij wilde bereiken onvoldoende steun (door interne sabotage en onduidelijkheid) kreeg vanuit de NSDAP. Hij bleef echter gewoon hoogleraar aan de universiteit van Freiburg en lid van de NSDAP tot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Ook bleef hij tot zijn levenseinde in zijn denken trouw aan zijn ideaal van een nationale Erhebung: op grond van het oorspronkelijke denken van de oude Grieken (de presocratici) en mede geïnspireerd door dichters als Friedrich Hölderlin het wezen van het Zijn en het Dasein telkenmale opnieuw te overdenken.
Na het eind van de Tweede Wereldoorlog kreeg hij door de Franse bezettingsmacht tot zijn emeritaat in 1951 een leerverbod opgelegd. Zijn hoogleraarschap werd hem niet ontnomen, zijn salaris werd doorbetaald, maar hij mocht geen colleges meer geven. Heidegger verkeerde daardoor geruime tijd in een ernstige psychische crisis.
Vanaf begin jaren vijftig bezon hij zich nogmaals op het wezen van de kunst, de taal, de techniek, van bouwen en wonen. Een kernthema bleef de kritiek op de menselijke wil tot macht, tot wereldoverheersing en de maatloze overmacht van de techniek. Daartegenover stelde hij de mens/dichter/filosoof als de hoeder van het Zijn. Hij werd een gevierd spreker bij seminars en genoot hoog aanzien. Veel werk werd in allerlei talen vertaald, en vooral Frankrijk beleefde onder andere via Levinas een ware Heideggerrenaissance. Begin jaren zeventig trok hij zich steeds meer terug uit het openbare leven.
Heidegger was nooit een groot reiziger geweest, en bleef het liefst zo dicht mogelijk bij zijn geliefde Zwarte Woud. Hij was wel een paar keer in Frankrijk en Zwitserland geweest, maar die landen liggen dan ook vlak bij Freiburg en konden met een korte treinreis worden bereikt. Op het einde van zijn leven reisde hij echter verschillende keren naar Griekenland; aanvankelijk in 1960 aarzelend, wellicht uit angst dat zijn hoge en geïdealiseerde verwachtingen zouden worden teleurgesteld, moet hij toch van de uitstap hebben genoten, want hij keerde nog terug in 1964, 1966 en 1967.
In alle rust overleed hij op 26 mei 1976 in Freiburg. Op uitdrukkelijk eigen verzoek werd hij 28 mei in zijn geboorteplaats Meßkirch op katholieke wijze begraven.
Werk Het is ondoenlijk Heideggers buitengewoon omvangrijke oeuvre in een kort bestek samen te vatten: daarvoor is het te uitgebreid en vertoont het te veel ontwikkelingen en verschuivingen in aandacht en onderwerpen. Bovendien zijn nog niet alle werken van Heidegger gepubliceerd. De uitgeverij Vittorio Klostermann Verlag werkt (al meer dan 30 jaar) aan een uitgave van de volledige werken van Heidegger ('Gesamtausgabe') die naar verwachting uiteindelijk uit meer dan 100 delen zal bestaan. Maar ondanks de veelheid van zijn onderwerpen en de ontwikkelingen in zijn denken, centraal in zijn werk staat de vraag naar de zin van het zijn. Dit is de zoektocht naar, zoals Heidegger dit noemt, "het Zijn van het Zijnde". Vanuit dit 'zijn' wordt van alles dat 'is', bepaald dat het is en hoe het is. Volgens Heidegger heeft de westerse ontologische filosofie zich vanaf Aristoteles uitsluitend met het zijnde beziggehouden en de meest wezenlijke dimensie ervan, namelijk de zijnsvraag erachter/eronder vermeden.
Eerste inspiratie Aanvankelijk, in zijn vroege Freiburgse jaren, is hij geboeid door de scholastiek (zijn habilitatie is gewijd aan werk van de middeleeuwse filosoof Duns Scotus) en door Aristoteles, kerkvaders en Kant. Daarna verschuift even zijn aandacht naar de fenomenologie – hij is dan immers assistent van Husserl, wiens fenomenologische methode een grote invloed uitoefent op zijn denken. Tijdens zijn jaren in Marburg hebben onder anderen Plato, Augustinus, Luther, Hegel, Schelling en Kierkegaard zijn belangstelling. Ook zijn contact met de protestantse Marburgse theoloog Rudolf Bultmann zal daar van grote invloed zijn.
Zijn en Tijd
In 1927 verschijnt Heideggers belangrijkste werk, Sein und Zeit (SuZ; in de Nederlandse vertaling van M. Wildschut in 1998 verschenen als Zijn en Tijd). In dit boek staat de vraag naar het zijn, oftewel 'wereld', centraal. Heidegger gaat op zoek naar een antwoord op deze vraag met behulp van fenomenologische ontologie, die zich allereerst dient te richten tot de existentie van het Dasein, oftewel de alledaagsheid van de mens. Met andere woorden: wat impliciet is in het ontische (het voorontologische, alledaagse doorsneebestaan, zoals het zich als fenomeen voordoet aan de mens) zal expliciet worden gemaakt, en daarmee wordt het ontologisch.
'Zijn' of 'wereld' betreft datgene waarnaar 'zijnden' (dingen waarmee we in de alledaagsheid vertrouwd zijn) kunnen overstijgen. Als voorbeeld neemt Heidegger de wereld van het hameren: gebruikt de mens een hamer, dan beschouwt hij dit ding allereerst niet als louter een stuk ijzer en een stuk hout, maar associeert hij dit met de wereld van het hameren. Op die manier laat de mens het zijnde (hamer) zijn betekenis hebben; het geeft het vrij op zijn wereld (het hameren). Door te handelen, door het zijnde vrij te geven op het zijn, is er in de alledaagsheid altijd al sprake van transcendentie, naar wereld.
Alle ingevulde, concrete manieren van in-de-wereld-zijn (je kunt vele andere voorbeelden bedenken: die van vervoer van A naar B, van koken, etc.) behoren tot één geheel aan betrekkingen. Volgens Heidegger gaat elk vrij-geven-op uiteindelijk echter niet terug op dit geheel aan associaties, maar op de mogelijkheid überhaupt (oftewel mogelijkheidsvoorwaarde) van het alledaagse vrij-geven-op, namelijk een oningevulde mogelijkheid (het primaire waartoe, of het kunnen-zijn) waarbij de mens geen associatie meer heeft. Oftewel, deze mogelijkheid is een niets.