De musculi auricularesFederative Committee on Anatomical Terminology (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme of de oorschelpspierenHilfman, M.M. (1978). Pinkhof-Hilfman Geneeskundig woordenboek (7de druk). Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema. omvatten drie spieren die het buitenoor kunnen doen bewegen.Putz, R. & Pabst, R. (Red.) (2000). Sobotta. Atlas van de menselijke anatomie. Deel 1. Hoofd, hals, bovenste extremiteit. (2de druk). Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.

musculus auricularis superior of bovenste oorschelpspier: is de grootste oorspier en loopt waaiervormig vanaf het oor naar boven en kent zijn oorsprong bij de galea aponeurotica en aanhechting aan de wortel van de oorschelp. De spier trekt de oorschelp naar boven. musculus auricularis anterior of voorste oorschelpspier: loopt naar voren en kent zijn oorsprong bij de fascia temporalis en aanhechting aan de spina helicis anterior.. Deze spier trekt de oorschelp naar voren.Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. musculus auricularis posterior of achterste oorschelpspier: loopt naar achter en kent zijn oorsprong bij de processus mastoides en de pees van de musculus sternocleidomastoideus, met daarbij de aanhechting aan de wortel van de oorschelp.

Veel dieren kunnen met hun oorspieren het buitenoor richten om zodoende beter te kunnen bepalen uit welke richting bepaalde geluiden komen. Die functie is bij mensen niet aanwezig: Slechts weinigen kunnen hun oorspieren gebruiken en hooguit wat met hun oren wiebelen, een enkeling zelfs onafhankelijk van elkaar.

De oorspieren worden, net als alle mimische spieren, geïnnerveerd door de 7de hersenzenuw, de nervus facialis.

Auricularis