Leiden () is een stad en gemeente in het noordwesten van de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De Oude Rijn stroomt door Leiden voordat deze, even verderop, in zee uitmondt. Leiden wordt ook wel 'de Sleutelstad' genoemd, een verwijzing naar de sleutels in het stadswapen.
Dankzij de lakennijverheid behoorde Leiden van de late Middeleeuwen tot in de 17e eeuw tot de grootste steden van de Noordelijke Nederlanden. De huidige gemeente Leiden telt inwoners () maar het compacte, aan elkaar vast gebouwde stedelijk gebied van Leiden – met Oegstgeest, Voorschoten, Leiderdorp en Zoeterwoude – telt 215.602 inwoners. De door het CBS gedefinieerde stedelijke agglomeratie omvat bovendien Katwijk waarmee de Leidse agglomeratie 282.207 inwoners telt.Indeling van Nederland in 22 grootstedelijke agglomeraties en stadsgewesten. Gemeentelijke indeling van Nederland op 1 januari 2015, Centraal Bureau voor de Statistiek, 2015. Gearchiveerd op 6 oktober 2022. Het stadsgewest Leiden omvat ook Teylingen en Noordwijk en heeft in totaal 365.913 inwoners. Daarmee hoort het stedelijk gebied van Leiden tot de tien grootste agglomeraties in het land.
Leiden trekt jaarlijks duizenden toeristen en bezoekers, voornamelijk door haar internationaal bekende musea en de oude, sinds 2000 sterk gerenoveerde binnenstad met grachten, monumentale bouwwerken en hofjes. Tot de belangrijkste musea behoren Naturalis, het Rijksmuseum van Oudheden, CORPUS, het Wereldmuseum en Museum Boerhaave. Leiden kent een rijk cultureel erfgoed; onder anderen Rembrandt van Rijn, Lucas van Leyden en Jan Steen werden er geboren en opgeleid. Een verdere versterking van de aantrekkelijkheid van de Leidse binnenstad is het Singelpark, een 6,5 km lange wandelroute met nieuwe bruggen en parken.
Leiden is al eeuwen een typische studentenstad; het heeft de oudste universiteit van Nederland, opgericht in 1575. Het motto van Leiden is Stad van Ontdekkingen, verwijzend naar het grote aantal wetenschappelijke ontdekkingen in deze stad. Het grotendeels uit de universiteit en in het bijzonder uit het LUMC voortgekomen BioScience Park heeft Leiden na decennia economische neergang een enorme impuls gegeven, waardoor de stad in 2021 sociaal-economisch tot de sterkste steden van het land hoort. In 2021 verkrijgt het Romeinse deel van Leiden, Park Matilo, als onderdeel van de Romeinse Limes de status van UNESCO Werelderfgoed.
Naamgeving De naam Leithon komt voor het eerst voor in de goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk die is opgesteld tussen 777 en 866.Zie deel 1, blz. 5 van Ed van der Vlist, deel 1, blz. 15 van De oude spelling was Leyden. Een populaire maar onjuiste verklaring voor de naam Leiden is dat deze is afgeleid van de Romeinse nederzetting Lugdunum Batavorum. In werkelijkheid lag die nederzetting niet ter hoogte van Leiden, maar bij Katwijk. Bij Leiden lag Matilo. Deze verklaring gaat terug tot 1500, toen in de renaissance een hernieuwde interesse ontstond voor de Romeinse tijd.
Later onderzoek op taalkundig gebied bracht het inzicht dat de naam is afgeleid van een Oudnederlands sterk naamwoord leitha dat als gevolg van afslijting van inflexie lede werd in het Middelnederlands. Inmiddels is men gewend een scherp onderscheid te maken tussen natuurlijke en gegraven waterlopen – die laatste noemen we kanalen. In werkelijkheid is het verschil gradueel. Al in de middeleeuwen is er veel veranderd aan de loop van rivieren, bijvoorbeeld door bochten af te snijden om de afwatering of de scheepvaart te vergemakkelijken. Een samenvattende benaming voor zulke deels of geheel gegraven dan wel vergraven waterlopen is het woord lede, dat oorspronkelijk dezelfde stam heeft als het meervoud onvoltooide tijd van 'leiden', in de betekenis van 'gaan', als in (water)gang. Dit 'lede' vinden we in meer plaatsnamen terug: Leerdam (‘dam in de lede’), Haarlemmerliede ('lede richting Haarlem'), Schipluiden ('met schepen bevaren lede') en bijvoorbeeld Westerlee ('westelijk gelegen lede').
Verbogen in datief pluralis verkrijgt men van leitha dan leithon, en wordt de betekenis dus aan de (datief) + wateren (meervoud). Deze betekenis past in de situatie van het oude Leiden dat niet aan een enkele rivier of watering lag, maar aan de linkeroever van de Rijn, tegenover de plaats waar de Mare uitmondt in de Rijn, die van oost naar west vloeit, terwijl de Mare de waterweg naar het Noorden vormt.Zie deel 1, blz. 5-11 van
Wapen en vlag
thumb|Het stadswapen, voor het stadhuis van Leiden
Het Leidse stadswapen bestaat uit een wit of zilveren schild met twee gekruiste rode sleutels. Het wapen verwijst naar Sint Pieter, de schutspatroon van de stad en naamgever van de voornaamste kerk, de Pieterskerk. Petrus zou van Jezus de sleutels van de hemel hebben ontvangenMatteüs 16:19:Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen (..) (vertaling: NBG 1951) en is daarmee in de opvatting van de Rooms-Katholieke Kerk de grondlegger van het pausdom, dat wil zeggen dat hij, na de hemelvaart van Jezus, diens plaatsbekleder (niet: plaatsvervanger) was op aarde, evenals de daarop volgende pausen. Vandaar dat vergelijkbare sleutels als die van Leiden voorkomen in het wapenschild van het Vaticaan.
Het officiële wapen van Leiden werd bij Koninklijk Besluit van 25 januari 1950 vastgelegd. De schildhouder is een strijdbare, rode leeuw op een vestingmuur met de Latijnse wapenspreuk "Haec libertatis ergo" (Dit omwille van de vrijheid), dat verwijst naar de tijd van het Nederlandse verzet tegen de Spanjaarden in de zestiende eeuw. De linkerklauw van de leeuw rust op het schild. In zijn rechterklauw bevindt zich een opgeheven, zilveren zwaard met gouden gevest.
De vlag van Leiden, met de verhouding 3:2, bestaat uit drie gelijke horizontale banen in de kleuren rood-wit-rood. Aan de kant van de vlaggenstok bevindt zich een witte cirkel met daarin de twee gekruiste rode sleutels uit het wapen. De vlag is in 1949 vastgesteld door de gemeenteraad.
Geschiedenis
De stad ontstond als dijkdorp aan de zuidzijde tegenover een kunstmatige heuvel aan de samenvloeiing van de Oude en de Nieuwe Rijn. In de oudste vermelding daarvan, omstreeks 860, werd het toenmalige dorp Leithon genoemd. In de op deze heuvel gelegen burcht zetelde aanvankelijk een leenman van de bisschop van Utrecht, maar de burcht kwam omstreeks 1100 in handen van de graaf van Holland. De gunstig gelegen nederzetting kreeg in 1266 bevestiging van de reeds eerder verleende stadsrechten en ontwikkelde zich met haar bloeiende lakennijverheid tot een van de grootste steden van het graafschap Holland. In 1389, toen de bevolking tot ongeveer 4000 was gegroeid, moest de stad worden uitgebreid met het stadsdeel tussen Rapenburg (tevoren de zuidrand van de stad) en de Witte Singel.
Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten werd Leiden verschillende malen belegerd, zo werd de stad in 1420 veroverd door hertog Jan van Beieren en in 1481 door keizer Maximiliaan. Op 1 maart 1512 stortte de ruim 100 meter hoge toren van de Pieterskerk in bij een storm. De toren, een van de hoogste van Nederland, werd nimmer herbouwd.
Ondanks al deze perikelen was Leiden in 1514 uitgegroeid tot ruimschoots de grootste stad van Holland, met zo’n 14.000 inwoners. Nadien trad stagnatie in door onder meer concurrentie van de plattelandsnijverheid, die goedkopere textiel leverde dan de Leidse gilden.S. Groeneveld & G.J. Schutte, Delta : Nederlands verleden in vogelvlucht, 2 : De nieuwe tijd: 1500 tot 1813 (Leiden 1992), p. 6 en 14-16 (16e eeuw) en 114 (Gouden Eeuw)
thumb|Leidens ontzet door Otto van Veen In 1572 koos de stad de zijde van de anti-Spaanse opstand. De Spaanse landvoogd Requesens belegerde in 1574 de stad. Van de 15.000 inwoners verloor tijdens het beleg ongeveer een derde deel het leven. Nadat het beleg was afgeslagen – het Leidens ontzet van 3 oktober 1574 – kreeg de stad in 1575 met de Universiteit Leiden de eerste universiteit van Nederland. De in vele bronnen gegeven verklaring dat stadhouder Willem van Oranje hiermee zijn erkentelijkheid aan de Leidenaren betuigde is enigszins twijfelachtig. Willem had namelijk een politiek/bestuurlijke reden voor de oprichting van een universiteit: de behoefte aan goed opgeleide getrouwen. De universiteit voert als motto Praesidium Libertatis, dat 'bolwerk van de vrijheid' betekent.
In de 17e eeuw kwam de stad opnieuw tot grote bloei, dankzij de impuls die vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden gaven aan de lakennijverheid met hun kennis van nieuwe technieken voor het maken van lichter laken. De stad was in 1622 gegroeid tot 45.000 inwoners en omstreeks 1670 werd zelfs een aantal van tegen de 70.000 bereikt. In de Gouden Eeuw was Leiden op Amsterdam na de grootste stad van Nederland. De bevolkingsgroei maakte aanleg van nieuwe grachten en singels noodzakelijk. Het huidige centrum van Leiden, herkenbaar aan het singelpatroon, werd in 1659 voltooid.
In de 18e eeuw raakte de textielnijverheid in verval, door protectionistische maatregelen in Frankrijk en de lonen, die vanwege de kosten van levensonderhoud in het gewest Holland relatief hoog moesten zijn. Het gevolg was een gestadige daling van het inwonertal van Leiden, dat eind 18e eeuw tot 30.000 was gedaald en omstreeks 1815 een dieptepunt van 27.000 zou bereiken.
thumb|Het Steenschuur met de Heilige Lodewijkkerk na de Leidse buskruitramp van 1807, geschilderd door Carel Lodewijk Hansen Op 12 januari 1807 vond de Leidse buskruitramp plaats, waarbij ongeveer 150 burgers om het leven kwamen. Koning Lodewijk Napoleon bezocht persoonlijk de stad om de hulp aan de slachtoffers te coördineren. Op de plaats van de door de ontploffing veroorzaakte "ruïne" werden later het Van der Werfpark, het Kamerlingh Onnes Laboratorium en het (nu voormalige) Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (voorganger van Naturalis) aangelegd.
In 1842 werd de voor Leiden zeer belangrijke spoorlijn naar Haarlem in gebruik genomen. In 1866 werd de stad getroffen door de laatste grote epidemie (cholera). Deze leidde in 1868 tot de start van de bouw van het nieuwe Academisch Ziekenhuis, het huidige Museum voor Volkenkunde. In 1883 werd niet alleen Leiden, maar ook de rest van Nederland, opgeschrikt door het nieuws van de arrestatie van Maria Swanenburg, bijgenaamd Goeie Mie, een gifmengster die in enkele jaren tijd minstens 27 slachtoffers had gemaakt. Mede dankzij de spoorlijn was in de 19e eeuw enige verbetering opgetreden in de desolate sociaal-economische situatie, maar het aantal inwoners was omstreeks 1900 nog steeds niet ver boven de 50.000 opgeklommen. Pas in 1896 begon Leiden zich uit te breiden buiten de 17e-eeuwse singels.
In het vierde kwartaal van de 19e eeuw is er sprake van een grote vooruitgang in de Nederlandse wetenschap, zozeer dat men deze periode als de Tweede Gouden Eeuw aanduidt. Leiden speelde in deze vooruitgang de hoofdrol: Johannes van der Waals, Hendrik Lorentz, Heike Kamerlingh Onnes, Pieter Zeeman, zie Leiden Stad van Ontdekkingen. Welhaast als een 'voorteken' van de naderende Tweede Gouden Eeuw wordt door Frederik Kaiser in 1861 een compleet nieuwe Sterrenwacht gebouwd, de oudste nog bestaande universitaire sterrenwacht ter wereld, nu een van de iconische bouwwerken van Leiden. De Leidse Sterrewacht wordt de bakermat van baanbrekende astronomische ontdekkingen (Willem De Sitter, Jan Oort, Henk van de Hulst), Albert Einstein (toen bijzonder hoogleraar in Leiden) ontwierp samen met De Sitter het -op de net ontwikkelde algemene relativiteitstheorie gebaseerde- Einstein-De Sitter heelal (1932).
thumb|left|Het Bevrijdingsmonument in Leiden Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Leiden zwaar getroffen door geallieerde bombardementen. De omgeving van het station en de Marewijk (tegenwoordig de omgeving van het Schuttersveld en de Schipholweg) werden vrijwel geheel met de grond gelijk gemaakt. Het historische centrum bleef gespaard.