De gemeentelijke begraafplaats van Albert ligt in het centrum van Albert in het Franse departement Somme aan de weg naar Bécordel-Bécourt.
In de gemeente liggen ook de Bapaume Post Military Cemetery, de Bouzincourt Ridge Cemetery en de Nécropole nationale d'Albert.
Franse militaire graven Dicht bij de westelijke rand van de begraafplaats ligt een perk met 126 Franse gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog, gekend onder de benaming Carré BretonInformatie over Carré Breton op de website van www.guerre1914-1918.fr. De meerderheid waren Bretoenen die behoorden tot het 118ème Régiment d’Infanterie.
Albert Communal Cemetery Extension
Aansluitend aan de oorspronkelijke begraafplaats is een extensie aangelegd. Dit deel telt 867 geïdentificeerde graven waarvan 850 Gemenebest graven uit de Eerste Wereldoorlog en 17 Gemenebest-graven uit de Tweede Wereldoorlog. De militaire graven worden onderhouden door de Commonwealth War Graves Commission, dat de uitbreiding heeft geregistreerd als Albert Communal Cemetery Extension. Geschiedenis In september 1914 werd de stad Albert door Franse troepen verdedigd tegen de Duitse opmars aan de Somme. In de zomer van 1915 kwam de stad in Britse handen. De gevechten in juli 1916 staan bekend als de Slag om Albert van 1916. Op 26 april 1918 werd de stad door de Duitsers veroverd. Op 22 augustus van datzelfde jaar werd de stad tijdens de Slag bij Albert (1918) door het 8th East Surreys-regiment heroverd. Tegen die tijd was hij volledig verwoest door artillerievuur.
De uitbreiding (extension) werd van augustus 1915 tot november 1916 gebruikt door gevechtseenheden en veldhospitalen. Vanaf november 1916 maakte het 5th Casualty Clearing Station (CCS) er twee maanden lang gebruik van. Vanaf maart 1917 tot eind augustus 1918 werd het niet meer gebruikt (met uitzondering van vier bijzettingen in maart 1918), toen perceel II werd aangelegd door de 18th Division. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de uitbreiding opnieuw in gebruik genomen, toen de Fransen er Britse gesneuvelden begroeven die afkomstig waren uit geïsoleerde graven in en rond Albert.
Er liggen nu 862 slachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog (waaronder 12 niet geïdentificeerde) en 25 slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (waaronder 8 niet geïdentificeerde). Vijf graven (WOI), verwoest door granaatvuur, worden nu herdacht met Special MemorialsOp deze grafzerken staat de toegevoegde tekst: Known/Believed to be buried in this cemetery. Twee soldaten (WOII) van wie bekend is dat ze hier zijn begraven, maar niet konden worden geïdentificeerd, worden eveneens herdacht met Special MemorialsOp deze grafzerken staat de toegevoegde tekst: Known to be buried in this cemetery Onder de 850 geïdentificeerde slachtoffers (WOII) bevinden zich 606 Britten, 202 Canadezen, 39 Australiërs en 3 Indiërs.
Graven Onderscheiden militairen Randle Barnett-Barker, brigade-generaal bij de Generale Staf werd tweemaal onderscheiden met de Distinguished Service Order (DSO and Bar). Henri Frederick Hugh Clifford, brigade-generaal bij de Generale Staf en Victor Carl Buchanan, luitenant-kolonel bij de Canadian Infantry werden onderscheiden met de Distinguished Service Order (DSO). majoor Thomas Charles Richardson (Royal Engineers), kapitein Harold Price (Northumberland Fusiliers), luitenant John Angus McDonald (Canadian Infantry), luitenant Maurice Christie-Murray (Royal Field Artillery) en onderluitenant Percy Augustine Binley (Essex Regiment) werden onderscheiden met het Military Cross (MC). kapitein Edward Inkerman Jordan Bell (Middlesex Regiment) ontving tweemaal deze onderscheiding (MC and Bar). E.C. Harvey, luitenant bij de Canadian Infantry en Joseph Lambert, kanonier bij de Royal Field Artillery werden onderscheiden met de Distinguished Conduct Medal (DCM) en de Military Medal (MM). G. Peacock, korporaal bij het Bedfordshire Regiment, H.E. Roach, kanonier bij de Royal Field Artillery en W. George, soldaat bij de Black Watch (Royal Highlanders) werden onderscheiden met de Distinguished Conduct Medal (DCM). F.D. Rainbow, sergeant bij het Royal Army Medical Corps, en de kanonier Percival Vine (Royal Garrison Artillery) werden tweemaal onderscheiden met de Military Medal (MM and Bar). John Percival Pringle luitenant bij de Canadian Infantry, Herbert Josiah Hine, onderluitenant bij The Buffs (East Kent Regiment), sergeant Edward Barnes (Canadian Infantry), korporaal Marenza Bristow (Bedfordshire Regiment), kanonier P. Hill (Royal Garrison Artillery), kanonier Joseph Dyson (Royal Field Artillery) en soldaat Charles Albert Snook (The Buffs (East Kent Regiment)) werden onderscheiden met de Military Medal (MM).
Minderjarige militairen Arthur Ernest Brewster, soldaat bij het Essex Regiment was 17 jaar toen hij sneuvelde op 29 september 1915. David Best, soldaat bij de Northumberland Fusiliers was 17 jaar toen hij sneuvelde op 3 juli 1916. Thomas Austin Christopher, soldaat bij de South Wales Borderers was 17 jaar toen hij sneuvelde op 27 juli 1916.
Alias soldaat J.C. Pirie diende onder het alias J. Perry bij de Canadian Infantry.
Gefusilleerde militairen soldaat Henri Palmer (Northumberland Fusiliers) werd op 27 oktober 1916 wegens desertie gefusilleerd. pionier Ernest Beeby (Royal Engineers) werd wegens desertie op 9 december 1916 gefusilleerd.Alle Britse gefusilleerden uit de Eerste Wereldoorlog werden bij Koninklijk Besluit op 8 november 2006 (art. 359 van de Armed Forces Act 2006) gerehabiliteerd, behalve degenen die werden veroordeeld wegens moord of muiterij.
Categorie:Albert Albert Categorie:Begraafplaats van de CWGC in Frankrijk Categorie:Begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog Categorie:Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog