Thescelosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Eind negentiende eeuw werden de eerste fossielen van Thescelosaurus ontdekt maar weer vergeten. Het was een verrassing toen die weer opdoken en daarom kreeg het geslacht de naam 'wonderlijke sauriër' toen in 1913 de typesoort Thescelosaurus neglectus benoemd werd. Daarna werden nog eens vier soorten benoemd maar daarbij bleek het later om andere dinosauriërs te gaan of om fossielen van T. neglectus. In 2011 kreeg echter toch weer een aparte soort haar naam: Thescelosaurus assiniboiensis. Er is een dozijn skeletten van Thescelosaurus gevonden en hieruit konden de wetenschappers zich een goed beeld vormen van hoe het dier eruitzag.

Thescelosaurus was een kleine tweevoetige planteneter die ongeveer drie meter lang werd. Een lange romp werd in evenwicht gehouden door een naar achteren stekende staart. De voorpoten waren kort, de achterpoten wat langer maar zwaargespierd en met een kort onderbeen zodat Thescelosaurus in een plotse sprint kon vluchten voor roofdieren als Tyrannosaurus. Hij had een langwerpige, zeer spitse, kop met een snavel. Daarmee beet hij voedzame planten af die verder verknipt werden door rijen kleine tanden. Volgens sommige wetenschappers groef Thescelosaurus holen en waren daarom zijn achterpoten zo kort.

Thescelosaurus kwam in 2000 in het nieuws omdat er een fossiel gevonden was waarin nog een versteend hart bewaard gebleven zou zijn, dat zou laten zien dat het dier warmbloedig was. Veel geleerden denken echter dat het om een gewone steenklomp gaat. Thescelosaurus werd vermoedelijk uitgeroeid tijdens het grote uitsterven op het eind van het Krijt door de inslag van een meteoriet. Hij was daarmee een van de laatste dinosauriërs van het Mesozoïcum.

Vondst en naamgeving thumb|Thescelosaurus werd in 1913 benoemd door Charles Whitney Gilmore In 1891 groeven John Bell Hatcher en William Utterback in dienst van professor Othniel Charles Marsh fossielen op bij Dogie Creek in Niobrara County in Wyoming. Door geldgebrek moest Marsh echter een deel van zijn collectie verkopen aan het Smithsonian Institution. Daaronder bevonden zich ook deze vondsten van Hatcher en Utterback die zich nog ongeopend in de bekisting bevonden waarin ze waren verzonden. Pas jaren later werden ze onderzocht door Charles Whitney Gilmore van het National Museum of Natural History die op grond van dit materiaal in 1913 de typesoort Thescelosaurus neglectus benoemde en kort beschreef. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse θέσκελος, theskelos, 'wonderlijk', een verwijzing naar de verrassing die Gilmore ervoer toen hij in de kratten een vrijwel compleet skelet aantrof van een nog onbekende soort. De soortaanduiding neglectus betekent 'verwaarloosd' in het Latijn: de kisten hadden immers twee decennia lang in opslag gestaan zonder dat iemand er naar omkeek. left|thumb|Restauratie van het skelet uit Gilmore (1915) Het holotype USNM 7757 is gevonden in lagen van de Lanceformatie die dateren uit het Laat-Maastrichtien, ongeveer 66 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een vrij compleet skelet waaraan alleen schedel, nek en schoudergordel ontbraken. Het paratype is een tweede skelet, USNM 7758, in 1889 in Niobrara County gevonden door Olaf Peterson. Dit is veel minder compleet maar bevat nu juist wel de schouderbladen, enkele halswervels en twee schedelfragmenten: het linkerpostorbitale en het linkerwandbeen. In 1915 wijdde Gilmore een aparte monografie aan de soort waarin ook een foto stond van een kleimodel dat hij ervan gemodelleerd had. Dit was in zoverre ook naar moderne inzichten correct dat het de staart van de grond hield; wel waren de achterpoten veel te mager afgebeeld met een onvoldoende musculatuur. Ironisch genoeg waren de dunne beentjes een poging de soort als een zo snel mogelijk dier af te beelden — maar zonder sterke spieren zou een hoge snelheid nooit bereikt zijn. De kop baseerde hij op het model van Camptosaurus en was dus vrij langgerekt. In de monografie wees hij nog eens twee exemplaren aan de soort toe die ook nu nog als materiaal van Thescelosaurus worden gezien: AMNH 5031 en AMNH 8060, gedeeltelijke skeletten die door Barnum Brown bij Dawson County in Montana waren gevonden. Bij elkaar vertegenwoordigden de vier specimina al bijna de hele postcrania, de delen achter de schedel, met uitzondering van de voorste halswervels en de ravenbeksbeenderen. Daarna zijn talrijke aanvullende fossielen gevonden, zowel van volwassen als jonge exemplaren. Die omvatten ook de schedels; voor wat de volwassen vorm betreft, is nu vrijwel het hele skelet bekend. De belangrijkste specimina zijn: MOR 979, een skelet met schedel waaraan de hals, ruggengraat en staartpunt ontbreken, van een groot exemplaar; NCSM 15728, een skelet met de meest volledig bekende schedel en onderkaken, waaraan de linkervoorpoot, de linkerachterpoot, het rechteronderbeen en de staartpunt mankeren; en LACM 33543, een gedeeltelijk skelet met gedeeltelijke schedel met weinig materiaal van de ledematen, van een jong exemplaar. thumb|350px|NMC 8537, gerestaureerd tentoongesteld in het Canadian Museum of Nature In 1926 benoemde William Arthur Parks een fossiel uit de oudere Horseshoe Canyon Formation, van Alberta in Canada, tot een tweede soort: Thescelosaurus warreni. In 1937 echter meende Charles Mortram Sternberg dat dit een eigen geslacht waard was: Parksosaurus. In 1940 benoemde C.M. Sternberg een derde soort: Thescelosaurus edmontonensis, gebaseerd op specimen NMC 8537, een vrij compleet skelet zonder hals maar met een schedeldak. De soortaanduiding verwijst naar Edmonton. Nog steeds was de schedel niet goed bekend; die werd in een skeletopstelling aangevuld met een reconstructie naar Hypsilophodon en was dus erg kort en bol.

In 1974 stelde Peter Galton dat T. edmontonensis slechts een jonger synoniem was van T. neglectus. In 1976 benoemde William J. Morris een vierde en een vijfde soort. Thescelosaurus infernalis is gebaseerd op specimen SDSM 7210, een schedel, twee wervels en twee handbeenderen van een groot exemplaar. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit de Hell Creek Formation. ?Thescelosaurus garbanii was gebaseerd op specimen LACM 33542, een linkerachterpoot met een aaneengesloten reeks van achttien voorste ruggenwervels en achterste halswervels van een groot exemplaar. De soortaanduiding eert de vinder, de amateurpaleontoloog Harley James Garbani. Het vraagteken geeft aan dat Morris niet zeker was van de toewijzing aan het geslacht Thescelosaurus. Morris dacht dat T. edmontonensis een geldige soort was. In 1995 hernoemde Galton T. infernalis tot een eigen geslacht Bugenasaura. Van T. garbanii meende hij dat de toewijzing aan Thescolosaurus slechts gebaseerd was geweest op een schijnovereenkomst door een beschadigde enkel bij het typespecimen van T. edmontonensis. De laatste was dus geen valide soort en T. garbanii achtte hij te beperkt om te plaatsen: het kon een Bugenasaura garbanii zijn, een exemplaar van Stygimoloch of wellicht een volledig verschillende dinosauriër. Dit zou dus slechts één geldige soort overlaten: T. neglectus, waartoe alle exemplaren zouden behoren behalve SDSM 7210 en LACM 33542.

In 2009 echter publiceerde Clint Boyd een studie die dit heldere beeld verstoorde. Hij concludeerde dat Bugenasaura een synoniem was van Thescelosaurus, zij het dat T. infernalis een nomen dubium was dat niet te onderscheiden viel van twee wel geldige thescelosaurussoorten: T. neglectus en T. garbanii die toch bij Thescelosaurus zou horen. De reden om ze samen toe voegen was het bestaan van een derde geldige soort, aangetoond door het specimen RSM P.1225.1, dat een nog onbenoemde Thescelosaurus sp. zou vertegenwoordigen en waarvan de relatie met de andere twee vormen onduidelijk was. Boyd wees alleen het holotype en het paratype aan T. neglectus toe; de meeste andere exemplaren bepaalde hij als Thescelosaurus incertae sedis, dus als niet-determineerbaar binnen het geslacht. Een probleem met zijn interpretatie was dat RSM P.1225.1, een gedeeltelijk skelet met een gedeeltelijke schedel, een jong exemplaar vertegenwoordigt en de onduidelijkheid over zijn toewijzing daardoor veroorzaakt kan zijn; veel onderzoekers achten juveniele kenmerken geen basis om een soort te onderscheiden. Daarbij blijken alle verschillen zich voor te doen met de twee schedelfragmenten van USNM 7758, die echter pas door Boyd zelf aan de soort zijn toegewezen; Gilmore had ze niet in de beschrijving betrokken. Omdat het kleine losse botstukjes zijn die geen enkel onderscheidend kenmerk van het geslacht tonen — maar dus wel aantoonbaar verschillen van een zeker exemplaar — zou het kunnen dat ze helemaal niets met Thescelosaurus te maken hebben. Desalniettemin benoemde Boyd samen met Caleb Marshall Brown en Anthony Russell in 2011 RSM P.1225.1 tot een zesde soort van Thescelosaurus: Thescelosaurus assiniboiensis. De soortaanduiding verwijst naar de vindplaats Assiniboia in Saskatchewan.

Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|270px|Thescelosaurus in grootte vergeleken met een mens Thescelosaurus is een vrij kleine tweevoetige planteneter. Gregory S. Paul schatte in 2010 de maximumlengte op drie meter, het lichaamsgewicht op negentig kilogram. Galton meende in 1974 dat de soort meestal op vier poten liep, iets wat hij afleidde uit de robuuste, vrij lange, armen, opgehangen in een forse schoudergordel. Ook de achterpoten zijn robuust maar juist relatief kort gebouwd, wat een viervoetige gang zou vergemakkelijken. Ook de nek is kort en gedrongen. Zeer langwerpig is echter het lichaam als geheel. Een rechte puntige staart loopt door een vrij vlak naar achteren stekend onderste bekken haast vloeiend over in een lage lange romp. Ook de kop is zeer langwerpig, wat voornamelijk veroorzaakt wordt door een geringe hoogte, niet zozeer een extreme lengte.

Onderscheidende kenmerken Boyd wist in 2009 verschillende kenmerken vast te stellen waarin Thescelosaurus zich van zijn verwanten onderscheidt, zijn zogenaamde autapomorfieën. Het prefrontale heeft boven het raakpunt met het wenkbrauwbeen in het bovenoppervlak een opening die doorloopt tot in de oogkas. De voorhoofdsbeenderen zijn middenin breder dan aan de achterrand. Het bovenkaaksbeen heeft een opvallende horizontale richel waarvan althans het achterste gedeelte bedekt is door een reeks ruwe, afgeronde kleinere richels die schuin op de lengterichting van de hoofdrichel staan. De onderkant van het jukbeen heeft op de achterste helft een inzinking die aan de buitenzijde bedekt is met kleine schuine richels. Het surangulare van de onderkaak heeft een naar boven en zijwaarts gericht uitsteeksel.

In twee verdere kenmerken onderscheidt Thescelosaurus zich van de bekende eigenschappen van verwanten maar bij deze kon niet nagegaan worden of de directe verwant Parksosaurus ze ook bezat. Op het achterhoofd is het opisthoticum ingesneden door een diepe uitholling die in bovenaanzicht Y-vormig is. Het wenkbrauwbeen van boven naar beneden afgeplat terwijl de bovenrand en de binnenrand verruwd zijn. Twee andere kenmerken zijn niet uniek binnen de Euornithopoda maar zouden, gezien de stamboom, zich onafhankelijk als apomorfie bij Thescelosaurus ontwikkeld kunnen hebben aangezien bij de basale Euornithopoda niet voorkomen, alleen bij de Iguanodontia — en buiten de euornithpoden bij de Marginocephalia. De hoek tussen de onderzijde van de hersenpan en een lijn die door het midden van twee aderopeningen getrokken kan worden, het foramen trigeminum en het bovenste foramen hyperglossale, bedraagt minder dan vijftien graden Het dijbeen is langer dan het scheenbeen.