thumb|right|250px|Een oud logo van Club Brugge, nog vaak gebruikt tot in de jaren 1970. Dit artikel beschrijft de geschiedenis van de Belgische voetbalvereniging Club Brugge KV. De club, die sinds 1959 onafgebroken in de hoogste afdeling speelt, behaalde na RSC Anderlecht het hoogste aantal landstitels (20) en veroverde van alle Belgische clubs de meeste nationale bekers (12) en supercups (18). Tevens is Club Brugge tot nog toe de enige club uit België die de finale van de Champions League (toen nog Europacup I) speelde.

Clubgeschiedenis De beginperiode (1891-1940) Van Brugsche FC tot FC Brugeois +Naamsveranderingen van de club

In de 19e eeuw was er in Brugge, net zoals in andere grote steden in het land, een aanzienlijke Engelse aanwezigheid. De aanwezigheid van Engelsen gaat ver terug in de tijd, maar vooral sinds de slag bij Waterloo spreekt men van een ware 'Engelse kolonie' in Brugge. Naast oud-militairen kwamen zich ook lagere adel, oud-kolonialen en industriëlen vestigen in de stad. Velen onder hen verkozen Brugge als uitvalsbasis voor hun werk in de mechanisatie van de 19e-eeuwse linnenindustrie. Onder invloed van de Engelse aanwezigheid kwamen zowel de scholen van de katholieke Broeders Xaverianen als die van het neutrale Koninklijk Atheneum in contact met het voetbalspel. Op 2 november 1890 sloegen oud-leerlingen van die scholen in het café Ville de Cologne aan het toenmalige Stationsplein, thans 't Zand, uiteindelijk de handen in elkaar en stichtten de eerste Brugse voetbalploeg: Brugsche Football Club. Een voetbalploeg leiden en tegelijk als speler fungeren was geen eenvoudige taak en op 13 november 1891 diende de vereniging opnieuw gesticht. Exact een jaar later werd een officieel bestuur geïnstalleerd. De club werd opgericht met als spreuk "mens sana in corpore sano". Nog voor de organisatie officieel erkend werd, ontstond onenigheid tussen de meer volkse Nederlandstalige en meer aristocratische Franstalige leden. In 1894 verlieten zestien leden de club en richtten Football Club Brugeois op in café La Civière d'Or op de Grote Markt. In de stad werd in 1895 ook nog de Vlaamsche Football Club de Bruges opgericht.

Het afgescheurde FC Brugeois bestond vooral uit rijke Franstaligen. In het spoor van voortrekker William Greenhill werden heel wat leden van de aristocratische Brugse roeivereniging Sport Nautique de Bruges gerekruteerd. Brugsche FC daarentegen was sinds het vertrek van de hoge heren erg laagdrempelig geworden en trok veel arbeiders aan omwille van de lage toegangsprijzen. De leden van de eliteclub FC Brugeois hadden betere connecties in heel het land en de club sloot na oprichting ook onmiddellijk aan bij de UBSSA en nam deel aan de eerste Belgische nationale competitie in 1895/96. Als tenuekleuren koos men voor een lichtblauwe trui met een donkerblauwe schuine band van de linkerheup naar de rechterschouder. De optie voor de verschillende tinten blauw had te maken met het feit dat dit ook de kleuren van de roeiclub waren. Pas in 1909 werd toevallig veranderd naar de blauw-zwarte kleuren. Wellicht werd bij een textielfabrikant een verkeerde bestelling doorgegeven, want in de notulen is geen beslissing van de raad van bestuur terug te vinden die de kleurverandering motiveert. FC Brugeois kon een terrein afhuren, het 'Rattenplein', maar toch had de club het financieel moeilijk en de populariteit bleef beperkt. De club zakte snel weg en trok zich in 1896, na één jaar al, terug uit de bond. Brugsche FC daarentegen bleef lokaal spelen, hoofdzakelijk tegen andere ploegen uit de buurt of uit scholen in de stad. Brugsche bleef nederig, maar kon zo wel financieel het hoofd boven water houden en won aan aanhang bij het gewone volk.

Om te voldoen aan de eisen van het competitievoetbal moest er groter gedacht worden en moest het separatisme overboord gegooid worden. Uiteindelijk werd in 1897 FC Brugeois opgenomen in Brugsche FC, maar de fusieclub zou verdergaan onder de Franstalige naam 'FC Brugeois'. De fusieclub kon zo steunen op de brede volkse aanhang van Brugsche en de connecties en ambitieuze aanpak van Brugeois.

Van FC Brugeois tot Koninklijke Vereniging 150px|thumb|right|Robert De Veen, topschutter bij FC Brugeois van 1902 tot 1914. In 1899 werd door de Vereeniging der Oudleerlingen Broeders Xaverianen Cercle Sportif Brugeois opgericht, wat in Brugge toen al zorgde voor de eerste derby-opstootjes. In 1902 werd nog Vlaamsche FC opgenomen in FC Brugeois. Vlaamsche FC had een aantal van zijn leden verloren aan CS Brugeois en was komen aankloppen bij FC Brugeois voor een fusie, dewelke eerder een opslorping werd. Eind 1912 trok Club naar een nieuw terrein, 'De Klokke', dat zij konden huren aan de prijs van 1.760 Belgische frank per jaar. Het terrein werd immers naar het tegenover café De Klokke langs de Torhoutse Steenweg genoemd. Na enkele tweede plaatsen in de ereafdeling bereikte de ploeg in het seizoen 1913/14 opnieuw een hoogtepunt met het behalen van hun eerste bekerfinale, die echter met 2-1 verloren werd van bekerhouder Union Saint-Gilloise. Ondertussen was onder impuls van baron Ruzette – de provinciegouverneur – en het Brugs stadsbestuur in 1911 de Entente Brugeoise gesloten: drie afgevaardigden van beide Brugse ploegen kwamen voortaan maandelijks samen om de plooien glad te strijken en afspraken te maken over ticketprijzen en transfers. De Entente is pas in 1983 afgeschaft.

thumb|300px|left|De kampioenenploeg die in 1920 de eerste titel in Club Brugges geschiedenis behaalde. Rechtstaand v.l.n.r. Joseph Hoste, Georges Hubrecht, René De Raedt, Albert Dyserynck, Honoré Desmedt, Joseph Delporte, René Desmedt, Emile Pollet, Charles Cambier, Vandenberghe, Ernest Raghels, Louis De Cloedt, Grant Dalton en Félix Spousta. Gehurkt v.l.n.r.: Hector Goetinck, Emile Van Belle, Félix Baillyu, Léon Van de Voorde en Arthur Pollet.

Toen in de vergadering van 15 juni 1920 beslist werd het terrein waarop gespeeld werd te kopen, legden enkele bestuursleden de noodzakelijke 50.000 frank op de tafel en zou de nieuwe voorzitter Albert Dyserynck, als algemeen agent van de "Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek" aan de Langerei een gerespecteerd industrieel, de bedragen van zijn collega's afkopen en zo eigenaar worden van De Klokke. Hij schonk vervolgens het terrein in volle eigendom aan de club. En bij FC Brugeois werd in het nieuwe stadion al dadelijk de kroon op het werk gezet: in 1920 werd Club voor het eerst kampioen in de hoogste afdeling. Op 23 mei 1920, kende koning Albert de titel van Koninklijke Vereniging toe aan de club, die nu Royal FC Brugeois heette. Bij het invoeren van de stamnummers in 1926 kreeg FC Brugeois stamnummer 3 toegewezen.

Albert Dyserynck Vanaf 1920 werd Albert Dyserynck voorzitter van FC Brugeois. Hij liet zich al onmiddellijk opmerken door het terrein 'De Klokke' in bezit te verwerven. Gedurende zijn voorzitterschap, in 1930, liet hij het statuut van FC Brugeois omvormen tot Vereniging zonder winstoogmerk. Maar het noodlot sloeg toe op maandag 9 februari 1931 toen Albert Dyserynck, voorzitter van de pas opgerichte Raad van Beheer, de dood vond bij een auto-ongeval. Om Albert een laatste eer te bewijzen, werd De Klokke omgedoopt tot 'Albert Dyserynckstadion', en op 14 februari werd langs de binnenzijde van de hoofdingang het borstbeeld en monument van wijlen Albert Dyserynck onthuld. Dit beeld staat nu nog voor de hoofdtribune van het Jan Breydelstadion.

Charles Cambier, Torten Goetinck en opvolger Louis Versyp 150px|thumb|right|Hector Goetinck. In deze periode had Club twee erg bekwame spelers, met name Charles Cambier en Hector 'Torten' Goetinck. Club had na de Eerste Wereldoorlog een goed ingespeelde ploeg, omdat aan het front de Front Wanderers actief waren, elitegroepen van voetballende soldaten die tussen het strijdgewoel door oefenmatchen speelden. Front Wanderers als Goetinck en Cambier lagen aan de basis van Clubs eerste landstitel. Beiden kregen snel bekendheid buiten de Brugse stadsgrenzen door post te vatten bij de nationale ploeg.

Na de eerste landstitel in 1920 maakte het elftal van Club moeilijke jaren door. De toonaangevende spelers werden een jaartje ouder en in 1928 moest FC Brugeois zelfs halsoverkop de 42-jarige Torten Goetinck terugroepen om zijn club voor het dreigende degradatiespook te behoeden. Zijn snelheid was wel afgenomen, maar zijn inzet en routine ten spijt, zakte FC Brugeois in 1928 naar de tweede afdeling. Ondanks de degradatie kondigde zich bij Club al enkele seizoenen een opvolger aan voor Torten: Louis Versyp, die gedurende meer dan 20 jaar de toonaangevende figuur van Club zou worden.

Roger Vanhove Roger Vanhove werd in Brugge geboren op 29 augustus 1911. Roger is niet alleen de vader van Antoine, maar voetbalde zelf negen seizoenen (1930-1939) ononderbroken in het eerste elftal van Club Brugge. Heel eventjes werd in tweede afdeling gevoetbald, maar het behalen van de titel in die reeks in 1935 maakte veel goed. Roger dwong twee selecties af bij de militaire nationale ploeg en trok na 10 jaar Club nog één seizoen naar Stade Kortrijk. Later stichtte hij de vereniging 'De Oude Gloriën van Club', waarvan Roger zelf voorzitter was.

De oorlogsjaren (1940-1950) Heen en terug tussen eerste en tweede klasse Club Brugge kende voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog moeilijke tijden. En dat niet alleen op sportief gebied. Er was een leningslast die een erg zwaar afbetalingsprogramma meebracht. Op spelersvlak leek Club minder reden tot klagen te zullen hebben. Club kon immers onder meer rekenen op Blancke, een stevige stopper met een degelijk kopspel en twee evenwaardige voeten; op Lucien Masyn, de erg goede linksbinnen die tussen 1940 en 1958 bijna 500 matchen in het eerste elftal speelde; op Berten Carels, het stevige blauw-zwarte sluitstuk. En toch konden die 'grote namen' niet verhinderen dat het blauw-zwarte schip heen en weer wiegde tussen eerste en tweede klasse.

Begin 1946 werd Louis Versyp als trainer aangesteld en Club bereikte weer de hoogste afdeling, maar niet voor lang. Precies op het ogenblik dat Club naar het hoogste voetbalniveau overstapte, werd het aantal clubs in hoogste afdeling teruggebracht van 19 tot 16. Dit bleek voor Club Brugge een onoverbrugbare handicap. Club viel meteen naar de tweede klasse terug. Deze degradatie zorgde in Brugge wel voor een competitiederby. De Brugse voetballeiders bleven niet blind voor de verbetering van de installaties op De Klokke. In 1947 werden er 26 schijnwerpers geïnstalleerd en in 1949 werd een nieuwe tribune met liefst 2.400 zitplaatsen in gebruik genomen. Want inmiddels was Club in 1948-'49 weer naar de hoogste klasse getrokken.

Berten Carels maakte de weg vrij voor Fernand Boone De positie van de doelman in een elftal is weinig benijdenswaardig. Men moet als het ware tussen die doelpalen geboren zijn om er als een fanatiekeling constant mee door te gaan. In het prille begin van de Tweede Wereldoorlog verwierf Berten Carels een vaste stek in Clubs fanionelftal. Hij was tussen 1941 en 1956 de rots in de blauw-zwarte branding. Marcel Herssens was zijn voorganger, Fernand Boone zijn opvolger.

Buitenlandse trainers (1950-1963) In 1950 nam Club Brugge afscheid van Louis Versyp als trainer en trok de buitenlandse trainerstoer op. De Schot Kennedy was slechts voor een kort leven beschoren op De Klokke. Aan het einde van het seizoen 1950-'51, besloten met een nieuwe degradatie naar tweede klasse, mocht Kennedy inpakken. Hij werd in april 1951 opgevolgd door Felix Schavy, die bij Club Brugge zes volle seizoenen mocht volmaken. Hij slaagde er niet in Club weer naar het hoogste voetbalniveau te brengen, verliet Club in 1957 en werd opgevolgd door de 33-jarige Roemeen Norberto Höfling.

Norberto Höfling