Schrijvertjes (Gyrinidae) zijn een familie van kevers die leven op en in het water. Het is de enige groep van kevers die snel kan zwemmen op het wateroppervlak. Schrijvertjes behoren tot de groep van de Adephaga, zijn allemaal vleesetend en leven van kleine diertjes. Ook de larven zijn carnivoor.

De familie Gyrinidae is voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1810 door Latreille. De familie telt ongeveer 700 verschillende soorten. Alle soorten zijn sterk aan het waterleven aangepast en allemaal komen ze alleen voor in zoet water. De familie is over de gehele wereld verspreid.

Schrijvertjes komen voor in groepen en zwemmen in bogen rond op het water. Ondanks de grote aantallen weten ze elkaar feilloos te ontwijken. Schrijvertjes zwemmen daarbij met het middelste en achterste pootpaar; de langere voorpoten zijn voor grijpen ingericht. De samengestelde ogen zijn in tweeën gedeeld, zodat aan beide zijden van de kop één helft van het oog zich onder water bevindt en de andere helft erboven.

De kevertjes zijn zeer snel en kunnen vlug onder water duiken om zich te verstoppen. Ze zijn dan ook met de hand bijna niet te vangen. Krijgt men ze toch te pakken, dan scheiden zij een vloeistof af die bijzonder onaangenaam van smaak is. Bij verstoring zoeken schrijvertjes hun heil in de diepte, waar zij ook de nacht en ongunstige tijden doorbrengen.

Naamgeving Schrijvertjes worden in de Nederlandse taal ook wel draaikevers of draaikevertjes, draaitorren, schrijvers en tuimelkevers genoemd. Ze danken hun naam aan de karakteristieke manier van zwemmen, waarbij de kevers zich in draaiende bewegingen over het wateroppervlak bewegen. Wat hierbij opvalt zijn hun snelheid en het feit dat ze meestal in groepen voorkomen, maar elkaar nauwkeurig weten te ontwijken.

In andere talen wordt eveneens vaak verwezen naar de manier van zwemmen, zoals het Duitse Taumelkäfer (tuimelkevers), het Franse tourniquets (draaiers) en het Engelse whirligig beetles (draaiende kevers).

Verspreiding en habitat Een aantal soorten schrijvertjes komt vrijwel wereldwijd voor, andere soorten hebben een meer lokale verspreiding. In Europa komen ze voor tot nabij de noordpoolcirkel. In België en Nederland komt ongeveer een dozijn aan soorten voor.

De meeste soorten leven in stilstaande of langzaam stromende wateren zoals sloten, rivierarmen, langs de oevers van meren, in vennen en kleinschalige plassen in moerassen. In tijdelijke wateren komen ze niet voor, omdat daarin geen prooien te vinden zijn. Snelstromend water of wateren die bloot staan aan de wind zijn meestal ongeschikt als leefgebied. In stromend of golvend water kunnen ze niet goed zwemmen en dus geen voedsel vinden, omdat het wateroppervlak te veel beweegt.

Als uitzondering hebben soorten uit het geslacht Orectochilus juist een voorkeur voor snelstromend water. Deze soorten mijden zonlicht en zijn 's nachts of bij slecht weer actief op het water. Ze verstoppen zich overdag in onderwaterplanten of overhangende vegetatie. De meeste waterkevers hebben zich aangepast op een leven op stromend water (lentisch) óf juist stilstaand water (lotisch). De schrijvertjes komen in beide watertypen voor.

In de uitklapbare tabel rechts zijn alle achttien soorten die in Europa voorkomen weergegeven. In Nederland komen twaalf soorten voor, voornamelijk uit het geslacht Gyrinus. In België komen elf soorten voor, alleen Gyrinus colymbus is wel in Nederland aangetroffen maar niet in België. Deze soort wordt in Nederland niet beschouwd als inheems, maar als een periodiek aangetroffen soort.

Het harig schrijvertje (Orectochilus villosus) leeft als enige in stromend water zoals bij waterkeringen, in tegenstelling tot de andere soorten.

Uiterlijke kenmerken thumb|280px|right|Belangrijkste lichaamsdelen van een schrijvertje. Schrijvertjes zijn kleine kevertjes die een donker, glanzend lichaam hebben en een ovale lichaamsvorm. De lichaamslengte varieert van ongeveer 3 tot 15 millimeter. De grotere soorten komen uit het geslacht Dineutus en worden 9 tot 15 millimeter lang. De soorten uit het geslacht Gyretes bereiken een lichaamslengte van 3 tot 5 mm. In westelijk Europa behoren de meeste soorten tot het geslacht Gyrinus, dergelijke soorten worden ongeveer 4 tot 7 millimeter lang. Spanglerogyrus albiventris is de enige soort uit het geslacht Spanglerogyrus en is met een lengte tot 3 millimeter de kleinste soort.

De belangrijkste lichaamsdelen bestaan uit de kop of cephalon (A), het borststuk of thorax (B) en het achterlijf of abdomen (C). De ogen (1) zijn in twee delen gedeeld, een deel aan de bovenzijde en een deel aan de onderzijde van de kop. De antennes (2) zijn relatief kort. De voorpoten (3) zijn relatief lang, in tegenstelling tot de middelste (7) en achterste (8) poten. Het borststuk wordt beschermd door het halsschild, het achterlijf door de dekschilden (6). Tussen de dekschilden is het scutellum gelegen aan de voorzijde. Aan de achterzijde van het lichaam is de achterlijfspunt (9) gelegen.

Kop De kop is niet afgesnoerd van het lichaam en is deels onder het halsschild gelegen. Schrijvertjes hebben een volledig op hun levenswijze aangepaste kop, wat zich uit in kenmerken die afwijken van die van alle andere kevers. Op de afbeelding links zijn de verschillende delen van de kop en de aangelegen delen weergegeven. De ogen bestaan uit tientallen kleine individuele oogjes, die ommatidieën worden genoemd. Het geheel wordt met samengesteld oog aangeduid. De ogen van schrijvertjes hebben een unieke aanpassing, ze zijn namelijk verdeeld in een bovenste (dorsaal) en een onderste (ventraal) deel hoewel deze oorspronkelijk uit twee ogen zijn ontstaan. Het geheel wordt aan de bovenzijde onderbroken door de scapus of antennebasis. thumb|left|260px|Delen van de kop van een schrijvertje. De ogen zijn duidelijk zichtbaar, vooral het bovenste deel (1). De dorsale ogen liggen relatief ver uit elkaar aan de zijkanten van de kop. Het bovenste ogenpaar is wat verder naar de voorzijde van de kop geplaatst. Het bovenste deel van de ogen dient om boven water uit te kijken naar vijanden boven water en de onderste ogen (9) dienen om onder water te zien. De waterfilm valt buiten het blikveld. Voor het waarnemen van bewegingen in het bovenste laagje van het water worden de gespecialiseerde antennes gebruikt.

De antennes (2) zijn aan de voorzijde van de kop gepositioneerd. Ze zijn gesegmenteerd, ook wel geleed genoemd, en hebben altijd elf of minder segmenten. De soorten uit het geslacht Orectochilus hebben acht tot elf segmenten, veel andere groepen hebben een vast aantal van negen segmenten. De meeste andere kevers hebben antennes met veel meer geledingen.De antennebasis is duidelijk veel groter dan de andere antennedelen en is sterk verdikt. De pedicel is het tweede antennelid en draagt een soort driehoekige schacht die tegen de antenne gelegen is. De functie van deze structuur is het waarnemen van de kleinste golfjes in het bovenste filmlaagje van het water. De antennes spelen een belangrijke rol in de oriëntatie van de kever; tijdens het zwemmen worden met de antennes mogelijke prooien en obstakels gedetecteerd zoals langs zwemmende soortgenoten.De antennes zijn relatief kort en hebben een duidelijk verdikt uiteinde. Het uiteinde van de antennes is bij de meeste insecten voorzien van een fluweelachtige, dichte beharing die vele chemosensorische cellen bevat om onder andere feromonen op te sporen. Bij de schrijvertjes zijn de uiteinden van de antennes grotendeels of geheel onbehaard.

Het schild dat de kop beschermt wordt het kopschild of vertex (3) genoemd. De kop wordt aan de achterzijde gedeeltelijk omgeven door het halsschild of pronotum (4) van het achtergelegen borststuk. De plaat aan de voorzijde van de kop wordt wel het 'gezicht' of clypeus (5) genoemd. Het bovenste kaakdeel of labrum (6) wordt de bovenlip genoemd. De labiale palpen (7) zijn kleine gelede uitsteeksels van de mond die een chemosensorische functie hebben. De werkelijke monddelen bestaan uit de kaken of mandibels (8) die het voedsel verkleinen. De kaken zijn voorzien van twee boventasters (maxillaire palpen) en twee onderste tasters (labiale palpen). De tasters dienen om het voedsel te proeven en in de bek te manoeuvreren. De maxillaire palpen bestaan altijd uit vier segmenten, terwijl de labiale palpen altijd zijn opgebouwd uit drie segmenten.

De onderzijde van de kop wordt beschermd door een chitineuze plaat die het prosternum (10) wordt genoemd. Hierachter begint het borststuk en is het heup of coxa (11) van de voorpoot gepositioneerd.

Borststuk thumb|260px|Aangepaste zwempoten, hier de achterpoten, van een schrijvertje. Het borststuk bestaat uit drie segmenten, die bij schrijvertjes zwaar bepantserd zijn. Ieder borststuksegment draagt een paar poten en de twee achterste segmenten draagt ieder een paar vleugels.

De poten van alle schrijvertjes zijn sterk gespecialiseerd en het eerste potenpaar wijkt af van de laatste twee. De voorpoten zijn typisch insectachtig en bestaan uit duidelijk te onderscheiden geledingen. De poot is aan het lichaam bevestigd met de heup of coxa, gevolgd door een dij (femur) en een scheen (tibia). Het laatste pootsegment wordt de tarsus genoemd. Dit is het enige deel van de poot dat zelf ook uit verschillende geledingen bestaat. De voorpoten hebben een typische roofinsectachtige bouw, de poten zijn lang en beweeglijk en zijn verbreed aan de voorzijde om prooien te grijpen. De voorzijde van de verbreding draagt bij de mannetjes een groot aantal zeer kleine zuignapjes. Deze spelen een rol bij de paring, zie ook onder voortplanting. De voorpoten spelen, in tegenstelling tot de achterste twee potenparen, geen rol bij het zwemmen. De tarsi bestaan altijd uit vijf geledingen, ook bij het middelste en achterste potenpaar. De tarsi van de voorste poten dragen bij de meeste insecten kleine haarkransjes, die dienen om vuil van de antennes te verwijderen. Bij de schrijvertjes ontbreken dergelijke structuren.

Het middelste en achterste potenpaar hebben een geheel andere vorm dan de voorpoten. Ze zijn veel korter en hebben een duidelijke verbreding, die wordt gevormd door vele kleine haartjes. Deze verbreding vergroot het pootoppervlak en dient om beter te zwemmen. Dergelijke verbrede poten komen ook voor bij andere waterinsecten, zoals de bootsmannetjes. Bij de schrijvertjes zijn de achterste poten sterker aangepast dan de middelste poten.

Net als de meeste kevers hebben de schrijvertjes een scutellum, een klein driehoekig schildje dat aan de voorzijde tussen de dekschilden is gepositioneerd. Het is een uitgroeisel van het achterste bovenste borststuksegment. Bij de soorten uit de geslachten Gyretes en Dineutus wordt het schildje aan het zicht onttrokken door de dekschilden of het halsschild, zodat ze gemakkelijk te onderscheiden zijn van de andere groepen.