Het arrest Nold Kohlen/Commissie is een prejudiciële beslissing van het Europees Hof van Justitie van 14 mei 1974 (zaak 4/73) inzake: de voorwaarde van een minimumafname door grossiers van steenkool bestemd voor particuliere consumenten, in een 'handelsregeling' van Ruhrkohle, goedgekeurd bij beschikking van de Europese Commissie, welke door het Hof is getoetst op 'schending van fundamentele rechten'.

Casus Ruhrkohle AG is in 1956 ontstaan als combinatie van drie verkoopkantoren van kolenmijnen in het Ruhrgebied; dientengevolge heeft Ruhrkohle voor een wijziging van de handelsregeling telkens goedkeuring nodig van de Hoge Autoriteit van de EGKS, respectievelijk van de Europese Commissie. Ruhrkohle wilde de rechtstreekse levering van steenkool aan kleine afnemers beëindigen, waaronder de commanditaire vennootschap J. Nold, die in Darmstadt een groothandel in steenkool en bouwmaterialen exploiteert.

Sinds 1961 moest ten minste 6000 ton per jaar worden afgenomen, bestemd voor particuliere consumenten. De handelsregeling van 21 december 1972, ingaande 1973, stelde als eis dat een tweejarig contract zou worden afgesloten voor ten minste 6000 ton per jaar.

Procesverloop Bij is de handelsregeling 1973 van Ruhrkohle goedgekeurd. Tevens kreeg Nold (opnieuw) een aanzegging van Ruhrkohle, dat de handelsrelatie zou worden beëindigd. De firma Nold kwam tegen deze beschikking in beroep bij het Hof van Justitie. Nold deed o.a. een beroep op schending van bepaalde fundamentele rechten.

Procespartijen Het verzoekschrift van Nold (verzoekster) was gericht tegen de Commissie (verweerster) én tegen Ruhrkohle (Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH). Wat betreft Ruhrkohle heeft Nold vervolgens afstand gedaan van instantie. Hierna is Ruhrkohle (interveniënt) door het Hof toegelaten om aan de zijde van de Commissie te interveniëren.

Rechtsvragen Het verzoekschrift strekt tot vernietiging van de beschikking van de Commissie, waarin een nieuwe handelsregeling van Ruhrkohle werd goedgekeurd. Alsdan zou een eerdere handelsregeling herleven, waarin een minimumafname is opgenomen die voor Nold eveneens onhaalbaar is. Heeft Nold in deze situatie belang bij het verzoekschrift? (Ja.) (...) Vormt de beschikking van de Commissie een schending van fundamentele rechten? (Neen.)

Uitspraak Hof Het beroep is verworpen.

Ontvankelijkheid van het verzoekschrift Ruhrkohle achtte het verzoekschrift niet-ontvankelijk, omdat Nold geen belang zou hebben bij vernietiging van de beschikking.

Het Hof heeft het verzoekschrift van Nold ontvankelijk geoordeeld.

Schending van fundamentele rechten?

De beschikking van de Commissie is getoetst op "schending van fundamentele rechten" van een particuliere onderneming. Deze grief is ongegrond bevonden.

Conclusie Het beroep is verworpen. De beschikking van de Commissie houdt stand, evenals de handelsregeling 1973 van Ruhrkohle. Nold Kohlen komt meer niet in aanmerking voor rechtstreekse levering van steenkool door een verkoopkantoor van Ruhrkohle.

Betekenis en vervolg In de arresten Stauder (1969) en Nold Kohlen (1974) werd een rechtshandeling van de Commissie (verordening c.q. beschikking) getoetst op schending van fundamentele rechten. In het arrest Handelsgesellschaft (1970) werd een verordening van de Raad eveneens hierop getoetst. Zodoende kwam de handhaving van grondrechten als beginsel al vroeg in beeld in arresten van het Hof. Een rechtshandeling van de Europese Unie kan dus worden getoetst op schending van fundamentele rechten.

Vervolg (2) Nold heeft nog verder geprocedeerd over een veroordeling in de kosten, ten bedrage van 5.000 DM, verschuldigd aan Ruhrkohle.

Nold Kohlen