Maximilien-François-Marie-Isidore de Robespierre (Arras, 6 mei 1758 – Parijs, 28 juli 1794 of de 10e Thermidor van het jaar II) was een Frans advocaat, staatsman en lid van de Nationale Conventie en van het Comité de salut public tijdens de Franse Revolutie. Hij trad op de voorgrond tijdens het Schrikbewind en was verantwoordelijk voor een groot aantal arrestaties en slachtoffers door de guillotine.
Robespierre stond bekend vanwege zijn koele of kille ontvangsten en zijn sobere levenswijze in een achterhuis. In tegenstelling tot Marat en Danton was hij wel steeds verzorgd, goed gekleed en gekapt.Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 147. Robespierre kreeg de bijnaam "l'Incorruptible" ("de Onomkoopbare") vanwege zijn onwankelbare beginselen. Robespierre was een strakke denker, logisch en consequent, met een groot gevoel van eigenwaarde.Het tuinhuisje hing vol met portretten van Robespierre, misschien het werk van zijn huishoudster en minnares, Éléonore Duplay, en haar moeder. Zie Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 148. Mirabeau, een der revolutionaire leiders van het eerste uur, had al in 1789 over Robespierre gezegd: "Deze man gaat ver komen, want hij gelooft in alles wat hij zegt".
Nadat Frankrijk in de zomer van 1793 tijdens de opstand in de Vendée uiteen dreigde te vallen, werd de republiek aan het einde van dat jaar op straffe wijze ("één en ondeelbaar") sterk gecentraliseerd.Vanwege die royalistische opstand nam het aantal executies in de maanden december 1793 en januari 1794 onder de boeren aanzienlijk toe. Robespierre stuurde tegenstanders van de revolutie, gematigden zoals de eerder federalistische girondijnen, en corrupte politici naar de guillotine. Hij heeft de mogelijkheid tot een contrarevolutie zodoende een jaar uitgesteld.Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 113. Robespierre was deïst, een gelovige zonder kerk, en pleitte na een golf van atheïsme in Frankrijk eind 1793 voor godsdienstvrijheid. Ook zijn standpunt inzake algemeen kiesrecht voor mannen, een progressief belastingstelsel en afschaffing van slavernij waren gebaseerd op de beginselen van volmaakte gerechtigheid en gelijkheid.
Levensloop Robespierre werd geboren als de oudste zoon in een vooraanstaande familie van Arras. Zijn vader behoorde tot de ambtsadel en Maximilien is altijd het adellijke predicaat "de" blijven gebruiken. Hij had twee zussen, Charlotte en Henriette, en een broer. Nadat zijn moeder op 14 juli 1764 was gestorven in het kraambed, vertrok zijn vader naar Beieren, waarna de kinderen gescheiden werden opgevoed. De jongens werden door hun grootouders opgevoed; de meisjes werden ondergebracht bij hun tantes. Maximilien liep vanaf zijn achtste school aan het Collège d'Arras en blonk er uit. Hij kreeg op zijn elfde een beurs voor het prestigieuze Lycée Louis-le-Grand te Parijs. Daar behoorde Robespierre tot de betere studenten en werd gekozen om een speech te houden omdat de koning langs kwam, maar die liet het uiteindelijk afweten en bleef in zijn koets zitten. Hij studeerde er in 1781 af met een titel in de rechten.
miniatuur|Jean-Jacques Rousseau(1766), Allen Ramsey, National
Al jong werd Robespierre beïnvloed door de ideeën van de 18e-eeuwse denkers van de Verlichting, zoals Charles de Montesquieu en in het bijzonder Jean-Jacques Rousseau. Deze filosoof van de Verlichting zou zijn ideologische leidsman blijven.Met Rousseau beschouwde Robespierre de volonté générale of de algemene wil van het volk als de grondslag van politieke legitimiteit. Na zijn juridische vorming keerde hij terug naar Arras om zich daar te vestigen als advocaat, zoals zijn vader en grootvader. In 1784 won Robespierre een literaire prijs in Metz, samen met Pierre Louis de Lacretelle. Hij was lid van de Academie van Arras, de Hesdinloge en het plaatselijk dichtgenootschap Rosati, waar hij Joseph Fouché en mogelijk ook Gracchus Babeuf leerde kennen. Als advocaat zetelde Robespierre ook in de bisschoppelijke rechtbank als rechter. Hij overwoog daar ontslag omdat het niet met zijn opvattingen strookte een misdadiger ter dood te veroordelen.Ruth Scurr, Fatale zuiverheid, Robespierre en de Franse Revolutie, 2006, p. 45-70
Begin 1789 publiceerde Robespierre zijn Oproep aan de natie van Artois, waarin het hele politieke, economische en sociale systeem werd geanalyseerd, bekritiseerd en opnieuw opgebouwd.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 99. Op 5 mei 1789 ging hij naar Parijs als afgevaardigde van zijn provincie voor de derde stand in de Staten-Generaal in Versailles.De "Derde stand" omvatte destijds 25 miljoen Fransen, naast 130.000 leden van de clerus en 110.000 leden van de adel. De Staten-Generaal werden door koning Lodewijk XVI voor het eerst weer sinds 1614 bijeen geroepen, om een uitweg te vinden uit de financiële crisis en de bestuurlijke onmacht van het land. Vervolgens werd Robespierre lid van de Nationale Grondwetgevende Vergadering. Hij werd lid van de radicale "Club der Jakobijnen" en verklaarde noch monarchist, noch republikein te zijn en een tegenstander van de doodstraf.Redevoering in de Constituante in 1791: "DISCOURS SUR LA PEINE DE MORT" de Maximilien de Robespierre prononcé le 30 mai 1791 devant l’Assemblée constituante
De eerste jaren van de Franse Revolutie miniatuur|Maximilien de Robespierre gekleed als gedeputeerde van de derde standdoor Pierre Roch Vigneron naar een pasteltekening uit 1790 door Adélaïde Labille-Guiard, Kasteel van Versailles
Robespierre nam deel aan de opstelling van de "Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen". Op 22 oktober 1789 verklaarde hij: Alle burgers zonder onderscheid hebben toegang tot alle niveaus van vertegenwoordigende functies.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 147 In 1790 werd hij president van de Club der Jakobijnen. Op 27 april 1791 protesteerde Robespierre tegen het privilege van de bourgeoisie wapens te dragen. ... Gewapend zijn voor het vaderland is het recht van iedere burger.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 139. Hij zette zich in voor de totstandkoming van de Franse grondwet van 1791 en verdedigde de belangen van het volk.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 133. Hij pleitte voor afschaffing van het celibaatFlake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 71. en slavernij in de Franse koloniën; hij was voorstander van het algemeen kiesrecht voor mannen.
Toen Lodewijk XVI in juni 1791 naar de vesting van Montmédy probeerde te vluchten, maar bij Varennes werd aangehouden, rezen de anti-monarchistische gevoelens in Parijs de pan uit; Robespierre werd republikein en benoemd als openbaar aanklager, een positie die hij na enkele maanden opgaf.
In april 1792 keerde hij zich in de Nationale Vergadering fel tegen de oorlog met de andere Europese mogendheden, die zich tegen het revolutionaire Frankrijk hadden aaneengesloten; een oorlog waarop de gematigder en federalistisch gezinde fractie van de girondijnen en de koning en zijn vrouw met enthousiasme hadden aangestuurd, uiteraard om de aandacht van de bevolking af te leiden van de interne problemen. In juli liet hij steeds scherpere verklaringen opstellen om de afzetting van de koning te eisen. Op 9 augustus nam Robespierre deel aan de opstand van het revolutionaire Parijse gemeentebestuur, de "Parijse Commune van 1792". Na de Bestorming van de Tuilerieën op 10 augustus 1792 - een tweede revolutie na de Bestorming van de Bastille - zetelde Robespierre in de Nationale Conventie en fungeerde als woordvoerder van de radicale fractie van de "Montagnards", die een verbond waren aangegaan met de sansculotten.Robespierre had ontbinding van de Assemblée Nationale geëist en werd initiatiefnemer tot de Conventie, een nieuwe volksvergadering die door mannen van 25 jaar en ouder werd verkozen. Georges Danton, de minister van justitie en Jean-Paul Marat waren zijn belangrijkste medestanders, maar ze werden beschuldigd van het aangaan van een driemanschap. Het is tamelijk onduidelijk welk aandeel zij hadden in de Septembermoorden en het kan ook nog zijn dat Robespierre vijf dagen lang was ondergedoken. Op 22 september werd de Eerste Franse Republiek uitgeroepen. Op 30 september verkondigde hij: De monarchie is vernietigd, adel en geestelijkheid zijn verdwenen, het tijdperk van de gelijkheid vangt aan.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 224. Op 25 oktober 1792 werd hij beschuldigd van eerzucht en dictatoriale neigingen. Robespierre stelde in het debat: Men kan geen revolutie nastreven zonder revolutie.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 222. Olympe de Gouges, die de Verklaring van de rechten van de vrouw en burgeres had geschreven, bekritiseerde Robespierre.
Eind november had Robespierre verklaard dat een veroordeling van de koning "tot de dood" het enige middel was om de rust in Frankrijk te herstellen.Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 118. Op 11 december 1792 begon het proces tegen de koning; op 3 december had hij het standpunt van Saint-Just overgenomen. Pierre Victurnien Vergniaud stelde een volksraadpleging voor. Robespierre wees op het gevaar: de Republiek zou onnodig in opschudding worden gebracht. Bij de hoofdelijke stemming over het lot van de koning, een zitting die 24 uur duurde, stemde Robespierre op 17 januari 1793 voor de doodstraf.Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 229.
Het schrikbewind links|miniatuur|Robespierre met kniebroek en kousenbanden(ca. 1791), Louis Léopold Boilly, Palais des Beaux-Arts
In het machtsvacuüm begonnen de girondijnen een aanval op Georges Danton, een tegenstander van de oorlog. Ook Robespierre en Marat waren tegen de Eerste Coalitieoorlog en bekritiseerden de generaals en de girondijnen. Op het platteland werd gerebelleerd door koningsgezinden, die leidden tot de opstand in de Vendée. Het antwoord van de revolutionaire regering op de chaos was dat de staat moest worden verdedigd tegen de contrarevolutionaire krachten. Op 11 maart werd een Revolutionair Tribunaal ingesteld. Generaal Dumouriez, die op 18 maart een nederlaag in de Tweede Slag bij Neerwinden had geleden, trok op naar Parijs om een staatsgreep te plegen. Hij bracht de voorstanders van de oorlog in diskrediet toen hij overliep naar de tegenstander. Op 3 april zette Robespierre de aanval in op Jacques Pierre Brissot, een voorstander van de oorlog. Op 7 april werd Philippe Égalité, verdacht vanwege zijn connecties met Dumouriez, gearresteerd. Op 2 juni werden 31 girondijnen (met steun van de Parijse Commune) uit de Conventie gezet. Charlotte Corday, die erin geslaagd was Marat te vermoorden in zijn bad, gaf tijdens de ondervraging te kennen dat zij Robespierre als verdediger wenste.