De Panegyrici Latini (ook Latijnse panegyrieken of Latijnse lofredes) is een collectie van twaalf Romeinse lofredes (panegyrieken).

De schrijvers van het grootste deel van de lofredes in de collectie zijn anoniem. Wel lijken zij alle van Gallische oorsprong te zijn geweest. Afgezien van de eerste redevoering, de panegyriek voor Trajanus door Plinius de Jongere in 100 n.Chr, dateren de lofredes uit de periode tussen 289 en 389 n.Chr., blz. 4. Het originele manuscript met daarin Panegyrici Latini werd in 1433 ontdekt. Dit manuscript is echter verloren gegaan. Er zijn op dit moment alleen nog kopieën overgebleven, blz. 3-4.

De achtste panegyriek viert de herovering in 296 van Brittania door Constantius Chlorus, caesar binnen de tetrarchie, op Allectus. Deze toespraak werd waarschijnlijk in 297 uitgesproken in Augusta Treverorum (het huidige Trier) op dat moment de residentie van Constantius.

Achtergrond Gallië had een lange geschiedenis als een centrum van de retoriek. Het behield zijn dominantie op dit gebied tot ver in de vierde eeuw., Schools of Gaul (Londen, 1920; rept. Johannesburg, 1958), passim, 'geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 7 Een vroege voorsprong op het gebied van de retorica werd genomen door de Aedui, vroege bondgenoten van Rome en enthousiast om de manieren van hun nieuwe heersers over te nemen. Maeniaanse scholen werden al tijdens de regering van Tiberius (regnavit 14-37 n.Chr.) geroemd, Annales, 3.43, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 7 Deze Maeniaanse scholen bleven tot in de dagen van de grootvader van Eumenius bloeien, zij werden in het midden van de derde eeuw gesloten.Pan. 9.17.2-3, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 8.

In de late derde eeuw was er in de stad sprake van enige opleving, maar nadat Augustum Treverorum (Trier) in de jaren 280 een keizerlijke hoofdstad was geworden, begonnen de redenaars er gevoelens van jaloezie jegens de keizerlijke patronage te ontwikkelen die de burgers van Trier genoten., blz. 8. Ondanks zijn politieke en economische hegemonie drukte Augustum Treverorum echter geen significante stempel op de retoriek van deze periode., Schools of Gaul, blz. 48, aangehaald in Nixon en Rodgers, blz. 8. Nixon en Rodgers suggereren dat Trier simpelweg te dicht bij het keizerlijk hof stond. Het overlevende bewijs (dat overigens door Ausonius' Professoren uit Bordeaux kan zijn vertekend) wijst op een verschuiving, later in de vierde eeuw, tijdens de Tetrarchie en de Constantijnse periode, weg van Autun en Trier als centra van de kunst van de retorica, naar Bordeaux., Schools of Gaul, 46-48, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 8; Nixon en Rodgers, 7-8..

De panegyrieken laten vertrouwdheid zien met oudere retorische handboeken. Sommigen hebben betoogd dat Menander van Laodicea's verhandelingen zeer invloedrijk zijn geweest op deze collectie. Zij geloofden dat zijn voorschriften in de tiende lofrede werden gebruikt., "Zur Technik der lateinischen Panegyriker," Rheinisches museum für philologie blz. 67 (1912): 573, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 10-12 Omdat een groot deel van de adviezen van Menander echter uit standaard-retorische voorschriften bestaan, zijn de aangevoerde parallellen met Menander niet voldoende om het directe gebruik van zijn handboek door de panegyristen te bewijzen.

Andere handboeken van de retoriek hebben ook hun invloed op de collectie gehad. Quintilianus' Institutio Oratoria bijvoorbeeld gaat over de afkomst van de oratie. Deze werkwijze van Quntilianus komt overeen met de panegyrieken van 289, 291, 297, 310, 311, 321 en 389, Institutio Oratoria 3.7.10e.v.; Galletier I: xxxi, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 12-13 In ieder geval varieerden de andere panegyrieken in de collectie sterk van het schema van Menanders., blz. 12. Parallellen met andere Latijnse oratoren, zoals Cicero en Plinius de Jongere komen minder vaak voor dan het geval zou zijn geweest als deze auteurs als stilistische modellen hadden gediend., "Le Corpus des Panégyriques latins de l'époque tardive," Antiquité classique 44 (1975): blz. 151-53, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 13

Taal en stijl Het Latijn van de lofdichten is gebaseerd op het Gouden-eeuwse Latijn, product van een opleiding die zwaar leunde op Cicero, gemengd met een groot aantal Zilveren-eeuwse kenmerken en een klein aantal Laat- en Vulgair-latijnse termen, blz. 14 Voor studenten van het Latijn in de late oudheid waren Cicero en Vergilius de toonbeelden van de taal; om die reden maakten de panegyristen veelvuldig gebruik van deze auteurs. Vergilius' Aeneis is de favoriete bron met de Georgica op de tweede en de Bucolica met ruime afstand op de derde plaats., blz. 16. zie ook: Rees, "Praising in Prosa: Vergil and the Panegyric," in Romane Memento: Vergil in the fourth Century (London: Duckworth, 2004). (Andere dichters waren veel minder populair: de Panegyrici Latini bevat een spaarzaam aantal toespelingen op Horatius,zoals in 9.2.4, dat naar de Carmina 2.1.22 verwijst, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 16. en ook één complete ontlening aan Ovidius.12.25.2-3, gemodelleerd op Ovidius, Metamorphoses 15.746-61, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 17.)

Wanneer zij gebruik maakten van het werk van Cicero, waren de panegyristen als eerste in die werken geïnteresseerd, waar Cicero uiting gaf aan zijn bewondering en minachting. Als bron van lof was Cicero's lofrede op Pompeius ter ondersteuning van de Maniliaanse wet (De Imperio Cn. Pompei) heel populair. Een echo ervan weerklinkt in de collectie panegyrieken in negen of tien van de elf laatste lofzangen in totaal zesendertig keer. Cicero's drie oraties ter ere van Julius Caesar waren ook populair. Van deze waren de panegyristen vooral gesteld op de Pro Marcello; in acht van de lofdichten worden er in totaal meer dan twaalf toespelingen op dit werk gemaakt. Voor het zwartmaken van iemand zijn de Catilinarische- en Verrinische redevoeringen van Cicero de prominentste primaire bronnen (elf citaten verwijzen naar het eerste, en acht naar dit laatste werk), blz. 17

Andere klassieke prozamodellen hadden een minder grote invloed op de panegyristen. Plinius' Panegyricus model is bekend aan de auteurs van de panegyrieken 5, 6, 7,, 18 n.68. 11 en in het bijzonder 10, waar verschillende verbale gelijkenissen voorkomen. De echo's van Sallustius' Bellum Catilinae vindt men terug in de lofdichten 10 en 12, de echo's van De oorlog van Jugurtha in de lofdichten 6, 5, en 12., blz. 18. Livius lijkt als voorbeeld van enig nut te zijn geweest in lofrede 12.Paragraaf 12.15.6 ontleent haar gevoelens en frasering aan Livius, 28.44.8, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 18. en 8.Paragraaf 8.16.4 echoot paragraaf 38.17.3 bij Livius, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 18. De lofredenaar van panegyriek 8 moet vertrouwd zijn geweest met Fronto, wiens lof voor Marcus Aurelius hij noemt,Paragraaf 8.14.2, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 18 en de lofredenaar van panegyriek 6 lijkt het werk van Tacitus Agricola te hebben gekend.<ref>Paragraaf 6.9.3 echoot Tacitus Agricola''', 12; B. Baldwin, "Tacitus, the Panegyrici Latini en de Historia Augusta," Eranos 78 (1980): blz. 175-78, en N. Baglivi "Osservazioni su Paneg VII(6), blz. 9," Orpheus 7 (1986): 329-37, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 18.</ref> De Aeduaanse oratoren, die in de context van Gallië en Britannia naar Julius Caesar verwijzen, zijn direct vertrouwd met zijn proza of kennen hem via tussenpersonen, zoals Florus, de historicus., "Studen zu den Panegyrici Latini ', 546, 554, (geciteerd in Nixon en Rodgers, 18 n.72) pleit voor het laatste geval; Nixon en Rodgers pleiten voor het eerste. Panegyriek 12 bevat een directe verwijzing naar Caesars Bellum civile.Zie 12.6.1-2 dat zinspeelt op de Bellum civile 3.80.1-81.2, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 18-19.

Accenten en metrische clausulae werden door alle Gallische panegyristen gebruikt. Met uitzondering van Eumenius gebruikten alle panegyristen beide vormen in 75% of meer van de gevallen. Eumenius gebruikte de eerste (accenten) in 67,8 procent en de laatste (metrische clausulae) in 72,4 procent van de gevallen. en "Meter in Accentual Clausulae" Classical Philology 80:3 (1985): 222-23, geciteerd in Nixon en Rodgers, blz. 19 Dit was in die tijd een veelvoorkomend metrisch ritme, maar werd in het begin van de vijfde eeuw niet meer gebruikt. Metrische overwegingen speelden toen geen rol meer., blz. 20.

Inhoud De collectie bestaat uit de volgende toespraken: door Plinius de Jongere. Het was oorspronkelijk een dankwoord (gratiarum actio) bij de aanvaarding van zijn consulaat in 100 n.Chr.. Hij sprak dit dankwoord ten overstaan van de Senaat ter ere van keizer Trajanus uit. Dit werk, dat van veel vroeger dateert dan de rest van de collectie en ook niet uit Gallië stamt, diende waarschijnlijk als model voor de andere toespraken, blz. 4;, Layers of Loyalty, blz. 22 Plinius was in de late vierde eeuw een populaire auteur. Symmachus modelleerde zijn brieven bijvoorbeeld op die van Plinius, 7 n.22, , Layers of Loyalty, 22 n.84. -en de hele collectie zou kunnen zijn ontworpen als een exemplum te zijner ere., blz. 7. Plinius herzag dit dankwoord later en breidde het werk nog aanzienlijk uit. Om deze reden is dit dankwoord de langste uit de hele collectie. Plinius presenteerde Trajanus als de ideale heerser, of optimus princeps, aan de lezer en contrasteerde hem met zijn voorganger Domitianus. door Pacatus uitgesproken in 389 ter ere van keizer Theodosius I. door Claudius Mamertinus ter ere van keizer Julianus, in 362 in Constantinopel uitgesproken als dankwoord bij zijn aanvaarding van het ambt van consul in dat jaar. door Nazarius. Deze toespraak werd in 321 in Rome voor de Senaat uitgesproken ter gelegenheid van de vijftiende verjaardag van de ambstaantreding van Constantijn I en de vijfde verjaardag sinds zijn zonen Crispus en Constantijn II van Rome tot caesares waren verheven. De toespraak is eigenaardig omdat geen van de geëerde keizers aanwezig was op het moment dat de toespraak werd uitgesproken, en ook omdat het Constantijns overwinning op Maxentius (tijdens de Slag bij de Milvische Brug) in 312 vierde. Ook bevat de toespraak bijna geen enkele verwijzing naar contemporaine gebeurtenissen. door een anonieme redenaar in het jaar 311 uitgesproken in Augusta Treverorum (Trier), die zijn dank uitspreekt aan Constantijn I voor een belastingvermindering voor zijn geboortestad Augustodunum (Autun). Door een anonieme (maar andere) auteur, ook uitgesproken aan het hof in Trier in 310, ter gelegenheid van Constantijns quinquennalia (vijfde verjaardag van zijn ambstverheffing) en de stichtingsdag van de stad Augusta Treverorum. De toespraak bevat een beschrijving van een verschijning van de zonnegod Apollo aan Constantijn, die vaak werd beschouwd als een model voor Constantijns latere christelijke visie. Ook verkondigt de toespraak de legende dat keizer Claudius II Constantijns voorouder was. door een anonieme auteur in 307 uitgesproken rede ter gelegenheid van het huwelijk van Constantijn met Maximianus' dochter Fausta, vermoedelijk ook in Augusta Treverorum. Het spreekt de lof uit over beide keizers en hun prestaties. De bruid en de bruiloft zelf komen in de rede maar zeer beperkt aan de orde. viert de herovering van Britannia door Constantius Chlorus, caesar van de tetrarchie op Allectus in 296. De toespraak werd waarschijnlijk in 297 in Augusta Treverorum, op dat moment de residentie van Constantius Chlorus, uitgesproken. is de tweede toespraak uit deze collectie, waar de keizer zelf niet bij aanwezig was. De toespraak is door Eumenius, leraar in de retorica in Augustodunum (Autun). De toespraak was gericht aan de gouverneur van de provincie Gallia Lugdunensis. De rede is waarschijnlijk in 297/298 uitgesproken in Autun of Lyon. Naast zijn hoofdonderwerp, de restauratie van de school van de retoriek in Autun, prijst het de prestaties van de keizers van de tetrarchie, vooral die van Constantius.