Cultuurwetenschappen zijn de wetenschappen die bepaalde facetten van de cultuur bestuderen en analyseren. Het is een interdisciplinair veld waartoe men onder andere de geschiedschrijving, kunstgeschiedenis, Literatuurwetenschap en filosofie rekent. Er zijn ook raakvlakken met communicatiewetenschap, Sociologie, Antropologie, Psychologie en Politicologie.

Algemeen Het is niet eenvoudig om zich een hoofddoel van cultuurwetenschappen voor te stellen.

De Engelse kunsthistoricus Ernst Gombrich (1909-2001) heeft zich deze vraag gesteld in het artikel Research in the humanities: ideals and idols. Hij neemt de humanisten als uitgangspunt en stelt dat zij zich met teksten en monumenten bezighielden die zij wilden ontdekken, bewaren en interpreteren. Dit is een treffende en nog steeds actuele karakterisering van de cultuurwetenschappen. Het probleem is echter dat niet alleen het objectgebied van deze wetenschappen – teksten en artefacten – een enorme uitbreiding heeft ondergaan, maar er ook een toename is van de wetenschappelijke specialisaties die zich hiermee bezighouden.

Het voorgaande brengt met zich mee dat ieder van de wetenschapsgebieden binnen de cultuurwetenschappen zijn eigen methoden heeft ontwikkeld om tot meer kennis en inzicht te komen omtrent het eigen objectgebied, dan wel een eigen soort vraagstelling hanteert (dit geldt in het bijzonder voor de filosofie, die geen specifiek objectgebied kent). De wetenschappelijke geschiedenisbeoefening in het algemeen heeft tot doel om tot betrouwbare kennis over het verleden te komen en deze kennis kan alleen verkregen worden aan de hand van interpretatie van diverse bronnen. Hierbij hebben zich binnen dit wetenschapsgebied enkele specialisaties ontwikkeld die als methodische componenten kunnen worden beschouwd; gewoonlijk heten ze gezamenlijk historische hulpwetenschappen. Paleografie (kennis van het oude schrift), oorkondeleer (diplomatiek), sfragistiek (zegelkunde), heraldiek (wapenkunde), numismatiek (muntkunde) en ook archeologie. Speciaal voor de bestudering van de klassieke Oudheid komen daarbij nog de epigrafie, de wetenschap die zich met inscripties bezighoudt, en de papyrologie bij. Al deze specificaties zijn afzonderlijke wetenschappelijke disciplines, die een specifieke deskundigheid vereisen en een eigen ontwikkeling kennen.

Geen historicus kan al deze specialisaties beheersen. Afhankelijk van het object van zijn of haar onderzoek kan er hooguit sprake zijn van een zekere vertrouwdheid met de belangrijkste resultaten en inzichten van diverse specialisaties. Hun betrouwbaarheid en bruikbaarheid als methode wordt door de historicus bij zijn onderzoek voorondersteld en niet ter discussie gesteld: het laatste wordt binnen de specialisaties gedaan en niet door de historicus zelf.

De genoemde hulpwetenschappen kunnen ook van belang zijn voor de cultuurgeschiedenis. Bij cultuurgeschiedenis, kunstgeschiedenis en letterkunde is het vaak ook zo dat zij voor elkaar de rol van hulpwetenschap vervullen. Naast de hier genoemde hulpwetenschappen hebben zich met name bij de kunstgeschiedenis bepaalde methoden en technieken ontwikkeld om de authenticiteit en/of ouderdom van bepaalde objecten te determineren.

Het object van de cultuurwetenschappen Het object van onderzoek wordt binnen de cultuurwetenschappen met het begrip cultuur aangeduid. Binnen dit objectgebied kunnen diverse disciplines worden onderscheiden en meestal wordt één daarvan als uitgangspunt genomen. De betekenis van het woord cultuur wordt daarom ook meestal expliciet aan de orde gesteld. Het betreft het bindende element tussen de verschillende cultuurwetenschappelijke vakgebieden.

J.M.M. de Valk stelt in zijn cursus Cultuurfilosofie dat het begrip cultuur in wijde zin het geheel van creatieve menselijke activiteiten en de voortbrengselen daarvan aanduidt, als onderscheiden van de natuur; in het dagelijks spraakgebruik komt het woord ook in engere betekenis voor, daarbij valt de nadruk op de kunsten en literatuur. Vervolgens maakt de Valk de volgende onderscheidingen: De stoffelijke cultuur. Als alles wat de mens gemaakt heeft om zich op zekere hoogte onafhankelijk van de natuur te maken en aldus de menselijke vrijheid een grotere speelruimte te geven. Voedselvoorziening, bescherming tegen elementen, gezondheidszorg De immateriële cultuur. Al datgene waardoor de mensen hun samenleven en samenwerken hebben geregeld: sociale en economische ordening e.d. De (immateriële) cultuur al datgene wat het spraakgebruik onder cultuur verstaat zoals beoefening van wijsbegeerte, wetenschap en kunst. Cultuur in de zin van de systemen van zingeving van de wereld, en de hogere zedelijke en religieuze waarden en ideeën.

In zeer algemene zin zou men het voorgaande kunnen samenvatten dat cultuur zowel het denken, handelen, als de producten hiervan omvat. Hierin zijn twee aspecten te onderscheiden die de Valk omschrijft als cultuur gezien als enerzijds menselijke scheppende activiteit en anderzijds de producten hiervan. Hij spreekt in dit verband van de cultuur als een streven en als een erfgoed. Erfgoed en streven, traditie en vernieuwing gaan in een cultuur steeds samen.

Van het begrip cultuur zijn echter talloze definities te geven. Dit hangt samen met het feit dat dit begrip een typisch voorbeeld is wat de Engelse filosoof W.B. Gallie als wezenlijk betwist begrip is aangeduid. Tot deze noodzakelijk betwiste begrippen rekent hij begrippen die daardoor worden gekenmerkt dat zij onvermijdelijk eindeloze discussies met zich meebrengen over het juiste gebruik en de juiste interpretatie. Hij geeft een dergelijk begrip een vijftal kenmerken: Het begrip moet in die zin waardegeladen zijn, dat het een aanduiding geeft van een resultaat waaraan een bepaalde waarde wordt toegekend. Dit resultaat moet intern complex karakter hebben. De waarde kan alleen worden verklaard door te verwijzen naar de bijdragen van zijn verschillende onderdelen of kenmerken. Het resultaat in kwestie moet van dien aard zijn, dat het naargelang van veranderde omstandigheden in aanzienlijke mate kan worden gewijzigd. Groepen hebben niet alleen verschillende opvattingen over het correcte gebruik of juiste interpretatie maar ieder van hen erkent ook het feit dat het eigen gebruik of de eigen interpretatie door de anderen kan worden betwist.

Hij voegt er nog als voorwaarde aan toe dat de betreffende begrippen van een oorspronkelijk voorbeeld, dat door de elkaar bestrijdende standpunten wordt erkend. Voorbeelden zijn het begrip christelijke traditie en het begrip democratie.

Volgens Gallie dient ook het begrip kunst op soortgelijke wijze te worden opgevat: ook hier is sprake van elkaar voortdurend bestrijdende scholen, stijlen en stromingen, die niet alleen een uitgesproken normatieve opvatting over kunst vertegenwoordigen, maar zich hierbij beroepen op bepaalde traditionele waarden.

Het begrip cultuur zou ook als een essential contested concept moeten worden opgevat. De Duitse filosoof Heinrich Rickert (1863-1936) beschouwt het element van de in de cultuur vervatte waarden zelfs als het wezenlijke kenmerk ervan en baseert hierop zijn onderscheid tussen Kulturwissenschaften en Naturwissenschaften. Sinds de tijd dat het begrip cultuur is gehanteerd is dit steeds verbonden geweest met bepaalde normatieve connotaties, waarover een voortdurend verschil van mening is geweest. De waardegeladenheid van het begrip cultuur manifesteert zich in de discussies over multiculturele samenleving, maar in de rol van de nationale cultuur.

Deze studie cultuurwetenschappen richt zich met name op de disciplines cultuurgeschiedenis, kunstgeschiedenis, letterkunde en filosofie. Disciplines als godsdienstwetenschappen, taalkunde, culturele antropologie als economie en rechtswetenschappen kunnen met evengoed recht tot cultuurwetenschappen worden gerekend.

Cultuurwetenschappen: onderwerpen Methodologie Als een methode wordt omschreven als een procedure aan de hand waarvan een bepaald doel wordt bereikt, dan houdt de methodologie zich bezig met de kritische analyse van de vraag welke methode de beste en meest betrouwbare is om een bepaald doel te bereiken, maar ook met de vraag wat dat doel precies is, alsmede de haalbaarheid of zin ervan.

De methodologie van een vakgebied moet worden onderscheiden van de gehanteerde methoden, waarbij de te hanteren methoden en de hiermee verband houdende vragen expliciet aan de orde worden gesteld. Deze vragen kunnen moeilijk van uit de ter discussie gestelde methoden zelf worden beantwoord.

Vragen die de kentheoretische legitimiteit van de geschiedwetenschap betreffen kunnen niet vanuit de historische methoden zelf worden beantwoord. De vraag in hoeverre deze kennisaanspraken terecht zijn, is echter geen methodische, maar een wetenschapstheoretische, omdat hierbij de vraag speelt wat de criteria voor (wetenschappelijke) kennis in het algemeen zijn.

Binnen de cultuurwetenschappen zal men zich gewoonlijk weinig met dit soort abstracte problemen bezighouden en deze graag aan op dat gebied gespecialiseerde filosofen overlaten.

Men zou er eenvoudig van uitgaan dat (betrouwbare) kennis van het verleden mogelijk is. Zonder deze vooronderstelling heeft het weinig zin om zelfs maar aan een historisch onderzoek te beginnen. Een vraag waarin cultuurwetenschappers wel in geïnteresseerd zijn is die van de beste methode om tot kennis te komen. Methodologische discussies doen zich ook in de cultuurwetenschappen voor, soms tot uitdrukking komende in deelspecialisaties en stromingen. Zo kunnen binnen de kunstgeschiedenis benaderingen worden onderscheiden als iconografie (identificatie van voorstellingen), iconologie (interpretatie van conceptuele of symbolische betekenis), stijlgeschiedenis, kunstsociologie en kunstpsychologie.

Met betrekking tot de methodologische discussies en stromingen binnen de cultuurwetenschap wordt in dit verband meestal van theorieën gesproken. In eerste instantie wordt dit gedaan in de vorm van hypothesen die tot wetten worden verheven als zij door empirische gegevens worden bevestigd. Ook in natuurkunde is dit gebruikelijk. Zo spreekt men de gravitatietheorie van Newton. De begrippen waarvan gebruik wordt gemaakt zijn in eerste instantie theoretische constructies. Het onderscheid tussen een theoretisch en empirisch niveau is dus in zekere zin betrekkelijk en de theoriegeladenheid van wetenschappelijke en zelfs alledaagse ervaringsgegevens wordt dan ook in de moderne wetenschaps- en kennisleer dan ook sterk benadrukt.

Dit wordt benadrukt in de omschrijving die A.D. de Groot (1914) in zijn bekende handboek methodologie, dat in het bijzonder op de sociale wetenschappen is gericht, geeft van een theorie als een systeem van logisch samenhangende, met name niet strijdige, beweringen, opvattingen en begrippen betreffende een werkelijkheidsgebied, die zo zijn geformuleerd, dat het mogelijk is er toetsbare hypotheses uit af te leiden.

Als deze omschrijving als uitgangspunt wordt genomen, moet worden vastgesteld dat men hiermee binnen de cultuurwetenschappen nauwelijks mee uit de voeten kan. De literatuurwetenschap kan hierbij als voorbeeld worden genomen. Het probleem is dat in deze wetenschap de begrippen theorie, hypothese en empirie veel meer in elkaar overlopen dan bij de sociale wetenschappen, laat staan de natuurwetenschappen, het geval is. Volgens Maarten van Buren in zijn Filosofie van de algemene literatuurwetenschap moeten theorieën in de literatuurwetenschap dan ook worden opgevat als bepaalde interpretatiekaders van een min of meer systematisch karakter. Er is geen essentieel, maar slechts een gradueel verschil tussen literaire kritiek en literatuurtheorie. Theorieën binnen de literatuurwetenschap komen overigens niet zo zeer uit deze wetenschap zelf voort, maar uit de filosofie en wetenschapstheorie.