Joseph van Huerne de Schiervelde de Puyenbeke (Brugge, 24 november 1752 – 31 mei 1844) was een Brugse edelman, verzamelaar, mecenas en weldoener.

Familie Josephus Antonius Aybertus Idesbaldus van Huerne, heer van Puyenbeke, Nieuwenhove, Schiervelde, Pecques, enz., was de zoon van Aybert Jozef van Huerne (1720-1800) en de kleinzoon van Aybert van Huerne.

Hij trad in Staden op 13 februari 1776 in eerste huwelijk met Isabella Louisa de Carnin de Staden (Ieper 17 april 1755 - Izegem 3 december 1782) en in tweede huwelijk in Brugge op 19 februari 1784 met Maria Anna Jozefina de Schietere de Lophem (Brugge 11 augustus 1764 – 28 december 1804). Zijn schoonbroer was Karel Aeneas de Croeser, (1746-1828) gehuwd met Anna de Carnin de Staden, zus van zijn eerste vrouw.

Hij had als kinderen: uit het eerste huwelijk: Jean-Joseph, Brugge 1777-1784 Charlotte, Brugge 1778 – Gent 1852 X1798 graaf François-Joseph de Lichtervelde Désiré, Brugge 1780 – Oswalda 1816 jezuïet, als novice overleden in Rusland. Anna Maria, Brugge 1781-1782 uit het tweede huwelijk: François Nicolas, Brugge 1784 – 1785 Marie Joséphine, Brugge 1786 – 1828 x Jean-Marie de Pelichy (Brugge 2 mei 1774-1859) Colette, Brugge 1789 – 1793 Thérèse, Brugge, mei-september 1792 Antoinette, Brugge 1796 – 1824 Louis, Brugge 1801-1802

Een grafmonument in Loppem vermeldt: Gedachtenis aan Vr. Marie-Anne de Schietere, overleden 28 Xer 1804, in houwelijk met Jor. Josephus-Antonius van Huerne de Schiervelde, zoon van Jor. Aybertus van Huerne en Vr. Margriete Charles, Vr. van Puyenbeke en van hunne dogter mejoufvrauw Antonia Carolina, overl. te Brugge den 1 jan. 1824. Hijzelf werd ook daar begraven.

Zijn uitvaart vond plaats in de Sint-Salvatorskathedraal op 3 juni 1844. Waren aanwezig: de bisschop, de vicarissen, het kapittel, de burgerlijke en militaire overheid en een aanzienlijke massa die niet volledig in de kerk binnen kon. Hij werd op het kerkhof van Loppem begraven, bij zijn tweede vrouw. Bij het vertrek uit de kerk en tot aan de poorten van de stad, werd de lijkstoet begeleid door 70 jongens van de Bogardenschool die toortsen droegen.

Van Huerne was onder meer de laatste heer van Edewalle. Dit was een heerlijkheid die voor een klein deel op Kortemark en voor een groot deel op Handzame was gelegen. Vroeger stond er een kasteel, nu nog alleen een hoeve.

Levensloop Bij zijn doopsel was Jozef Rapaert, schepen van het Brugse Vrije zijn peter en Isabelle van Huerne, loco voor Isabella Dansaert, zijn meter.

Het is niet bekend welke studies van Huerne ondernam. Hij komt al snel naar voor als een rentenier en verzamelaar.

Dat hij voor niets anders leefde en geen echt beroep wenste uit te oefenen, noch als pensionaris, noch als schepen of burgemeester (wat hij ongetwijfeld had gekund, had hij het gewild) was blijkbaar al in 1776 – hij was toen 24 – duidelijk, want in een huldedicht naar aanleiding van zijn huwelijk met Isabelle de Carnin, schreef de dichter: Van Huerne (tu le sais) plongé dans l’indolence / trainait depuis longtemps sa triste indifférence.

Van Huerne onderhield, net zoals zijn schoonzoon de Pelichy, nauwe banden met de Gentse bisschop Maurice de Broglie, ook nadat hij in ballingschap naar Frankrijk was vertrokken. Wanneer hij naar Brugge kwam, logeerde hij bij Van Huerne. In 1816 diende hij aan meer dan 150 kinderen het Vormsel toe ten huize van Van Huerne. De Broglie bracht ook vakantiedagen door op het kasteel van Van Huerne in Izegem: hij vormde 2.500 kinderen in Izegem en officieerde bij de uitvaart van de zoon Désiré van Huerne.

Joseph van Huerne was ook aanwezig in het verenigingsleven van Brugge, bijvoorbeeld: Kunstacademie: lid in 1766 (hij was dan nog maar 14 jaar); lid van de “jointe” of bestuur vanaf 1780, nadien nog verschillende functies 1771: Edele confrérie van het H. Bloed: het laatste diner vóór de afschaffing van de 18de-eeuwse confrérie ging bij hem door. 1781: Sint-Jorisgilde (in datzelfde jaar ging hij samen met J. B. Lauwereyns de landvoogden Albert en Maria Christina begroeten bij hun aankomst in Brugge om ze uit te nodigen lid van de gilde te worden) Bij M. F. Allaert, Ghedinckboeck staat hij vermeld als koning van de gilde (tenzij het zijn vader was). 1786: Société Littéraire (nadien ontslag en in 1792 opnieuw lid) hij beschikte over een loge in de schouwburg Rederijkerskamer H. Geest waarin hij een belangrijke rol speelde hij was terug te vinden in heel wat godvruchtige genootschappen en confréries

Aangezien de rederijkerskamer van de H. Geest in staat van verval verkeerde, besloot Jozef van Huerne in 1829, samen met Charles van der Beken de Cringen, de kamer te ontbinden. De archieven en een aantal preciosa kwamen in stadsbezit. Het jaar 1829 was het sterfjaar van burgemeester de Croeser, die de laatste hoofdman was van de Kamer. De erfgenamen maakten de inventaris op van boeken, papieren en zilverwerk die aan de gilde toebehoorden en maakten alles over aan beide hoger vernoemden, die de ontbinding uitvoerden

Michiel English over Van Huerne In zijn “Dagklapper” heeft Michiel English (1885-1962) Jozef van Huerne zestienmaal vernoemd en beschreven in zijn eigen stijl.

19 oktober 1947: "In die tijd leefde te Brugge een edelman van de oude stempel, Jonker Jozef van Huerne de Puyenbeke, een man die zo rijk was als verstandig, vroom en liefdadig, en die we overal op de bres vinden waar er goed te doen was. Een van die schone aristocratische figuren, die ons soms de vervlakking van ons verwaterd democratisch systeem doen betreuren. Want de beste systemen deugen niet, wanneer ze niet als ziel en drijfveer hebben: godsdienstzin en christelijke naastenliefde. Mijnheer van Huerne had een onschatbare verzameling van oudheden. Tijdens de Franse Revolutie had hij veel kerkelijke voorwerpen kunnen loskopen van de Franse dieven en eens dat de kwade tijd voorbij was, stoffeerde hij onze verarmde kerken met zijn verzamelde kunstwerken."

1 februari 1948: " (over de mantel van de H. Brigida) De mantel was, in de jaren 1830 in bezit gekomen van Mr. Jos van Huerne, die fijnzinnige kunstenaar en hartstochtelijke bewonderaar van Brugges verleden. Tijdens de Franse revolutie had hij machtig veel van onze kostbaarheden gered, en wanneer de vlaag over was en de kerken weerom open stonden, open maar verarmd, deelde hij mild van zijn schatten mee. Zo gaf hij de mantel van St. Brigida aan St.Salvatorskerk".

4 april 1948: "Wat me doet denken dat de nieuwe vont van 1818 geen gewoon werk was, is dat ze gegeven was door Mr. Van Huerne, de grote liefhebber van kunst en oudheden, en bijzonder weldoener van St. Salvators. Als die man wat gaf, was dat altijd iets van prima kwaliteit."

14 november 1948: "(over de kromstaf van St. Machuit). Kanunnik Arents gaf hem in 1804 aan Mr. van Huerne de Puyenbeke, die een man was van solied geloof en hechte verknochtheid aan 't oud Brugge. Die zou er wel voor zorgen dat de relikwie in goede handen kwam en voor de Bruggelingen bewaard bleef. Mr. van Huerne gaf de staf in 1807 aan St. Salvators (...)."

13 juli 1952: "Mr. van Huerne, de grote liefhebber van Brugse oudheden en curiositeiten, heeft in 't begin van de verleden eeuw, twee goede kunstenaars te werk gesteld, om al dat merkwaardig was in de stad te schetsen en te tekenen. Jammer dat zijn rijke collectie nu langs alle kanten verspreid is!".

7 maart 1954: " (over een beeld van O.L.Vrouw van Bijstand in de H. Bloedkapel) 't Is een gift van Mr. van Huerne, een vooraanstaand Bruggeling, die de slechte jaren van de Revolutie mee gemaakt had, wanneer de kerken gesloten of afgebroken werden, en al hun kunstschatten verstrooid en verkocht. Mr. van Huerne, die een katholiek was uit één stuk, een liefhebber van oudheden en kunstkenner, en daarbij schatrijk, kocht en verzamelde al wat hij kon van die kerkelijke schatten en oudheden en bezat daarmee een collectie zonder weerga. Maar, en hierin verschilde hij van de meeste collectioneurs, als betere tijden gekomen waren, was 't zijn grootste plezier die kunstwerken weer in de kerken te brengen, waar ze thuishoren. We zouden een lange lijst kunnen opmaken van relikwieën, oude beelden en schilderijen, kostbare vaten en kerkgerief, die door Mr. van Huerne in onze Brugse kerken gekomen zijn."

28 oktober 1956: " (over het reliekschrijn van St. Donaas). 't Zal wel te dezer gelegenheid zijn dat de huidige rijve gemaakt werd en gegeven door Mr. Jozef van Huerne, die intieme vriend van (de bisschop van Brugge) Mgr. Boussen en de grote weldoener, in die tijd, van St.-Salvators. Mijnheer van Huerne was een fijne kunstkenner en liefhebber van oudheden. Tijdens de revolutie, wanneer zo machtig veel kerkschatten te Brugge werden aangeslagen en verkocht, verzamelde Mr. van Huerne een fameuze collectie. Maar als betere tijden eindelijk aanbraken, vond hij er zijn grootste plezier in, die kostbaarheden aan de kerken terug te schenken".

Politieke houding tijdens de revolutietijd Zoals zijn vader, was Jozef van Huerne ongetwijfeld aanhanger van de Brabantse Revolutie. Wat hij precies deed, is nog na te gaan, maar zeker behoorde hij tot de traditionalisten.

Dat dit niet een eenzijdige trouw aan de statisten alleen betekende, toont de ontvangst aan van generaal Andries van der Mersch die bij vader Van Huerne logeerde. De doorsnee-burger maakte trouwens weinig het verschil: de “Belgische Washington” werd algemeen, en zeker in West-Vlaanderen, op een voetstuk geplaatst.

Jozef was in 1792 (net voor de eerste Franse inval), redenaar (= schepen) van de Proosdij van Sint-Donaas.

Einde 1792 nam hij als actief lid van de jacobijnse club (onder nr. 150), deel aan de revolutionaire korte periode van de eerste Franse overheersing. In eerste fase dachten velen, waaronder Van Huerne, dat dit de revanche was van de mislukte Brabantse Omwenteling en de Fransen de onafhankelijkheid brachten aan de Belgen; de ontgoocheling volgde snel. Later verzekerde hij dat hij enkel maar 'papieren' lid was geweest, maar geschriften uit die tijd spreken dit tegen; hij was integendeel voor een korte periode een actieve revolutionair.

Bij de tweede Franse inval in 1794 vluchtte hij naar een buitenverblijf in Lembeke en hield er zich een tijdje gedeisd. In de Franse tijd behoorde hij tot de dertig hoogst belaste inwoners van het Leiedepartement.

Van 1812 tot 1817 was hij raadslid van Brugge. In 1816, ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, werd hij benoemd in de Ridderschap van de provincie West-Vlaanderen onder de naam "van Huerne de Schiervelde de Puyenbeke". Hij weigerde echter om de eed af te leggen als gedeputeerde voor de Provinciale Staten, dit ingevolge de "Jugement doctrinal" van de Belgische bisschoppen die de eed verbood. Zijn adelserkenning ging derhalve niet door maar volgde dan toch later, op 15 augustus 1822.

Hij nam deel aan het anti-Hollands gezinde “Constitutioneel Banket” in 1829. Na 1830 kwam hij voor op de lijst van de verkiesbaren voor de Senaat.

Weldoener Bij zijn overlijden werd vermeld: Homme distingué, par ses sentiments religieux et ses libéralités envers les pauvres, grand bienfaiteur de la cathédrale et de la chapelle du Saint-Sang, dont il était premier marguillier. Van Huerne had zijn leven lang op royale wijze de armen ondersteund: sa main gauche donnait sans que sa droite s’en aperçût. Gailliard schreef: Grand bienfaiteur de l’église et des pauvres, protecteur des arts. De armen waren dan ook zeer talrijk op zijn begrafenis aanwezig.

Wat het Heilig Bloed betreft, werd in zijn woning, kant Dweersstraat, in het gedeelte bewoond door de schilderes Gertrude de Pelichy, tijdens de Franse tijd en tot in 1819 de relikwie van het H. Bloed verstopt. Van Huerne schonk o.m. een groot glasraam (verrière) aan de H. Bloedkapel.