Stochove, afkomstig uit het graafschap Zutphen, was van de zestiende tot de negentiende eeuw een prominente familie in Brugge.
Stochove in Gelre
De Stochoves behoorden tot een familie die haar oorsprong had in het hertogdom Gelre, graafschap Zutphen. De familietraditie wilde dat leden van deze familie deelnamen aan de kruistochten in de 12e-13e eeuw. Ze behoorden, zo hielden ze voor, tot de rasadel waarvan de adellijke oorsprong uit zo onheuglijke tijden stamde dat deze oorsprong nooit door een adelsverheffing bevestigd hoefde te worden.
De oorsprong van de familie lag, volgens haar eerste genealoog en meteen ook afstammeling, de Brugse burgemeester Karel-Aeneas de Croeser, in het gebied tussen Zutphen en Doesburg aan de IJssel. De eerste op een document terug te vinden naamdrager is Giselbertus Stochove, echtgenoot van Peronne van Berchem, die in 1312 als lid van de landelijke adel samen met de graaf van Gelre en andere edellieden de Vrijkeure voor de stad Arnhem ondertekende. Dit wordt vermeld in de in 1639 gepubliceerde Historia Gelriae door de Nederlandse geschiedschrijver Johannes Pontanus (1571-1639).
Van hun zoon, Otho Stochove, weten we alleen dat hij huwde met Catharina van Rye. Die hun oudste zoon, Albert Stochove, trouwde met Maria van Volden, dochter uit een andere Doesburgse familie waarvan later eveneens leden naar Brugge uitweken. De tweede zoon, Conrad Stochove, huwde in 1398 met Adigildis van Zelst. Hun zoon, Wouter Stochove, huwde in 1440 met een dame Foyaert. Zij hadden een zoon, Diederik Stochove, die in Doesburg huwde met Mathilde Wynckelman, uit een oude Gelderse familie. Haar vader Bernard Wynckelman was wethouder van Doesburg en haar moeder Mathilde Kranesteyn behoorde eveneens tot de Gelderse adel. Ook van de Wynckelmans kwam later een tak naar Brugge.
Otho Stochove naar Brugge miniatuur|Otho Stochove De zoon uit het huwelijk Stochove – Wynckelman, Otho Stochove, werd in Doesburg geboren op 25 maart 1513. In 1540 kwam hij wonen bij zijn al eerder naar Brugge uitgeweken oom Reinier Wynckelman, die er uit twee huwelijken dertien kinderen aan het grootbrengen was en zich in de Brugse leidende kringen had ingewerkt, zoals zijn gouverneurschap van de Bogaerdenschool aantoont.
De kroniek zegt dat Otho Stochove vluchtte voor de successieoorlogen die in de hertogdommen Kleef, Gulik en Gelderland woedden en die zowel zijn goederen als zijn geloofsovertuiging in gevaar brachten. In een attestatie daterend van 1650, opgesteld door de wapenherauten van Brabant en Vlaanderen op verzoek van burgemeester Vincent Stochove, wordt vermeld dat de oorlog de ondergang van de familie betekende en dat zij het slachtoffer werd van de geduchte Gelderse krijgsheer Maarten van Rossem.
In 1543 (of 1545) trouwde Otho Stochove met Barbara Van Eck, uit een Gelderse adellijke familie. Ook haar vader, Jan van Eck († 1584), was naar Brugge gevlucht en was er getrouwd met Maria Lauwers († 1550). Het is wellicht naar aanleiding van zijn huwelijk, of in voorbereiding er op, dat de jonge Stochove zijn portret liet maken door Ambrosius Benson. Door zijn huwelijk werd hij poorter van Brugge. Het echtpaar woonde in een voorname wijk, langs de huidige Spinolarei.
Onduidelijk is welke activiteiten hij uitoefende Stochove in Brugge. De attestatie van 1650 vermeldt dat hij in het Brugse verschillende hoven van plaisance bouwde, zodat hij ofwel niet onbemiddeld naar Vlaanderen was afgezakt, ofwel hier een winstgevende activiteit had gevonden. Als het een zakelijke activiteit was, dan zeker een die als eerbaar werd beschouwd, aangezien hij een adellijke status voerde.
Otho Stochove kocht enkele heerlijkheden, waarover de attestatie van 1650 verklaarde: …a fait employ de son épargne en l’acquisition de plusieurs beaux et seigneuriaux fiefs. Zo verwierf hij de heerlijkheid Gaesebeke in Frans-Vlaanderen, een leen dat in een latere generatie zou overgaan op de familie Van Steelant en nog later op een van Zuylen van Nyevelt. Dicht bij Brugge (op een halve mijl, zegt de attestatie) verwierf hij het leen de Cleenepoele, dat gelegen was in Sint-Kruis, bij de vaart naar Damme. Het is op dit domein van twaalf hectare dat hij zijn buitenverblijf had. Nog in het midden van de achttiende eeuw behoorde het toe aan zijn nazaten.
Stadsbestuurder in woelige tijden Otho Stochove woonde al veertig jaar in Brugge toen hij voor het eerst op het publieke forum verscheen. In 1579 werd hij raadslid en in 1582 schepen van Brugge. Dit was opmerkelijk voor iemand van wie men zegde dat hij het noorden ontvlucht was om onder meer zijn geloof veilig te stellen. Op 20 maart 1578 had immers de Gentse krijgsheer Frans de la Kethulle de Ryhove (1531-1585) Brugge ingenomen en er onmiddellijk een hervormingsgezinde magistraat aangesteld. Stochove bleek dus bereid te dienen onder burgemeester Jacob de Chantraines dit Broucqsaulx, een van de leiders van de calvinistische strekking in Brugge.
Dit situeert hem dan ook duidelijk onder de nieuwgezinden. Van de dertien leden van het college van burgemeester en schepenen waar Stochove toe behoorde, zijn er tien waarvan met zekerheid geweten is dat ze in juni 1584 de stad ontvluchtten of verbannen werden bij de terugkeer van het katholiek en Spaans bewind. Zij komen voor op een lijst van 36 namen die door de kroniekschrijver Zeger Van Male genoteerd werd. De naam Stochove stond daar niet bij, maar men weet dat 110 niet nader vernoemde vooraanstaande gereformeerden de stad verlieten, zodat het niet onwaarschijnlijk is dat hij zich onder hen bevond. Het kan ook dat hij zich tijdens het laatste jaar van het calvinistisch bewind hiervan distantieerde en genoot van de uitgevaardigde amnestie. Het is alvast als katholiek dat hij op 27 maart 1593 in Brugge overleed. Hij werd in de Heilige Geestkapel van het Predikherenklooster bijgezet. Zijn echtgenote, overleden in 1609, en haar ouders werden onder een grafsteen in reliëf begraven in de Sint-Jakobskerk. De familie bleef dus uiteindelijk het rooms geloof trouw.
Jan Stochove de Oude Dat Otho Stochove enige tijd een hervormingsgezinde houding aannam lijkt evenwel duidelijk, anders zou hij nooit tot het calvinistisch stadsbestuur (1578-1584) behoord hebben en vooral niet tijdens het cruciale jaar waarin de katholieke kerken gesloten werden en de hervormde predikanten vrij hun gang mochten gaan. Die houding wordt nog bevestigd doordat ook zijn zoon Wouter Stochove (ca. 1549 – 1627) in 1582 raadslid van Brugge was en zijn zoon Jan Stochove (1547-1622) in 1580 schepen was in een bestuur dat op 2 september 1579 persoonlijk door Willem van Oranje werd geïnstalleerd, in aanwezigheid van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.
Zoals Otho Stochove, bleef zijn zoon Jan na de terugkeer van het Spaans bestuur in Brugge of kwam minstens na korte tijd naar de stad terug. We weten dit omdat hij in april 1585 voogd werd van de vijf kinderen van Antoine de Schietere (1546-1585), die met hem schepen was geweest en een actief aanhanger van Oranje was, hoewel ook hij uiteindelijk als katholiek stierf. Begin 1587 nam Stochove zijn intrek in het huis van de eveneens overleden Jan de Schietere (1535-1575) genaamd Huis van Onze-Lieve-Vrouw van Montserrat op de Mallebergplaats. Hij had na de dood van Antoine ook de voogdij op zich genomen van de kinderen van Jan de Schietere en Catherine de Damhouder. Behalve deze voogdijen, verdween Jan Stochove na 1584 in de anonimiteit. Een openbare functie was niet meer weggelegd voor iemand die onder het calvinistisch bewind een vooraanstaande plaats had ingenomen. De tijd ging hier echter over heen en meer dan vijftien jaar later, in 1601, in 1607 en in 1613 werd hij opnieuw schepen van Brugge.
Jan Stochove was gehuwd met Josine Van Steelant en zijn broer Wouter Stochove met haar zus Helena. Zij waren de dochters van Philippe van Steelant, schepen en trezorier van Brugge en van Adrienne Christiaens, dochter van schepen Joachim Christiaens. De Stochoves werden door deze huwelijken helemaal in de Brugse bovenlaag opgenomen. De familie Van Steelant, van Engels-Zeeuwse origine, was al generaties in Brugge ingeburgerd en bezat een aantal eigendommen op en rond Sint-Gilliskerkhof. Sint-Gillis werd de kerk waar gedurende enkele generaties de Stochoves begraven werden.
Jan Stochove de Jonge Ondertussen was ook al een nieuwe generatie actief. Zoon Jan Stochove (1571-1616) werd in 1602 raadslid en in 1604 en 1605 schepen van Brugge. Hij was gehuwd met Marie Reyvaert, genaamd van Sinte-Catharina, de naam van een leen gelegen op de parochie Sinte-Catharina buiten Oostende, onder het s'Heerwoutermansambacht. Het leen bestond uit twaalf hectare schorrengrond die verhuurd werd. Zij was de dochter van Ange Reyvaert, schepen en trezorier van Brugge en van Isabella Van Volden, zelf dochter van Gerard van Volden en Marie Anchemant, aldus aantonend dat de Gelderse uitgewekenen in Brugge ook in de volgende generaties nauw bij elkaar bleven aansluiten. De oom van Marie Reyvaert was de belangrijke humanist en jurist Jacobus Reyvaert (1534-1569), schepen van Brugge en later rector van de universiteit in Dowaai.
Jan Stochove speelde een maatschappelijk rol in Brugge. In 1598 was hij proost van de Rederijkerskamer van de Heilige Geest en in hetzelfde jaar werd hij, als eerste van de familie, lid van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed. Hij was amper vijf en veertig toen hij stierf en werd overleefd door zijn vader die vijf en zeventig werd.
Vincent Stochove: een hoogtepunt voor de familie Dat de relatieve ongenade die de familie had ondergaan helemaal voorbij was, zou blijken in de volgende generatie, toen de naam Stochove tot een der voornaamste, zo niet de voornaamste van de stad werd opgetild. Degene die hiervoor zorgde was Vincent Stochove van Sinte-Catharina (1605–1679), de zoon van Jan. Zijn carrière wordt in een apart lemma ontleed.
Jan-Corneel Stochove Vincent Stochove had vier dochters en één zoon, Jan-Baptist-Corneel Stochove (1638-1696), die pensionaris van de stad Brugge werd. Deze functie, voor de ambtelijke taken vergelijkbaar met die van een stadssecretaris en voor de gerechtelijke taken met die van een onderzoeksrechter of procureur, vereiste een universitair diploma. In 1675 was hij gouverneur van de Berg van Charitate.
In 1683 huwde hij met Catherine Arents, de dochter van Leonard Arents en van Maria van Wymeersch. De familie Arents was welvarend geworden door handel drijven en was op weg om in de adelstand te worden opgenomen. Verschillende onder hen, waaronder Leonard, waren lid van de Brugse Gilde van Makelaars.
Stochove was al vijfenveertig toen hij trouwde en amper achtenvijftig toen hij stierf. Het echtpaar had minstens acht kinderen, waaronder drie zoons die de volwassen leeftijd bereikten, maar van wie slechts één huwde en zorgde voor de voortzetting van de familienaam.
Karel Emmanuel Stochove Karel-Emmanuel Stochove (1690-1735), derde zoon van Jan-Corneel volgde de cursus honorum, die nu een vaste gewoonte was in de familie. In 1725 werd hij raadslid en van 1727 tot 1734 was hij schepen. Hij werd gouverneur van de Berg van Charitate en was tevens voogd van het Sint-Juliaangasthuis. Hij was lid van een aantal godvruchtige genootschappen: de Edele Confrérie van het Heilig Bloed, de Confrérie van Onze Lieve Vrouw van den Drogen Boom, de Confrérie van het Heilig Kruis en die van de Twaalf Apostelen. Hij was ook lid van de Sint-Jorisgilde van kruisboogschutters en van de Sint-Michielsgilde van schermers.