Sjamil Salmanovitsj Basajev (Russisch: Шамиль Салманович Басаев) (Dysjne-Vedeno, 14 januari 1965 - Ekazjevo Ingoesjetië, 10 juli 2006), ook bekend onder zijn nom de guerre Abdoellah Sjamil Aboe-Idris, was een Tsjetsjeense krijgsheer, en een van de belangrijkste leiders van de Tsjetsjeense opstand.

Basajev was voornamelijk actief in Tsjetsjenië. Hij werd door de Russen beschouwd als een rebel en terrorist en was ten tijde van zijn dood de vicepresident van de Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië. Basajev was jarenlang de meest gezochte man in Rusland en werd door Poetin ook wel de "Osama bin Laden van Rusland" genoemd.

Geboorte en voorgeschiedenis Basajev werd geboren in het dorp Dysjne-Vedeno in het district Vedenski in het zuidoosten van Tsjetsjenië. Hij werd vernoemd naar de Dagestaanse imam Sjamil die van 1824 tot 1859 de Noordelijke Kaukasus probeerde te verdedigen tegen de oprukkende legers van het Keizerrijk Rusland, maar het moest afleggen tegen de kozakken. Basajev stamde uit een rebellenfamilie met een lange geschiedenis van weerstand tegen de Russische overheersing. Zijn grootvader vocht na de Russische Revolutie van 1917 tegen het Witte Leger in een poging om een onafhankelijke staat te stichten, het Noord-Kaukasisch emiraat. Deze kortstondige staat werd in september 1919 gesticht onder leiding van sjeik Uzun Haji en werd in maart 1920 na toezeggingen van de bolsjewieken opgenomen in Sovjet-Rusland.

Basajevs vader was een krijgsheer en verscheidene van zijn familieleden vochten in de Tweede Wereldoorlog voor sjeik Hassan Izrailov, die in januari 1940 vanuit de bergen een guerrilla was begonnen tegen de Sovjets, omdat deze het Tsjetsjeense nationalisme al twintig jaar onderdrukten. Toen het Duitse leger in 1941 binnenviel in de Sovjet-Unie intensiveerden de guerrilla's hun aanvallen op de Russen en daarmee lokten zij ook Russische tegenmaatregelen uit. Toen de Duitsers in 1942 bij Mozdok werden teruggetrokken, omdat ze moesten helpen bij de gevechten rond Stalingrad, greep Stalin zijn kans. Hij beschuldigde de Tsjetsjenen en Ingoesjeten van samenwerking met de nazi's. Na de bevrijding van Stalingrad in 1943, deporteerden Lavrenti Beria en zijn NKVD op 23 en 24 februari 1944 alle Tsjetsjenen, maar ook de Balkaren, Ingoesjen, Kalmukken, Karatsjajers en Meschetische Turken naar de Karaganda in de Kazachse sovjetrepubliek (het tegenwoordige Oblysy Qaraghandy in Centraal-Kazachstan). Een gedeelte van de Tsjetsjenen werd naar de Kirgizische en Oezbeekse sovjetrepublieken gebracht. Onder de gedeporteerden was ook Basajevs familie.

Tijdens de tocht en de eerste jaren in hun nieuwe verblijf kwam ongeveer 30% van de bevolking om het leven. Pas in 1957, na de toespraak van Nikita Chroesjtsjov over de wandaden van Stalin, mochten de gedeporteerde volkeren terugkeren naar hun vaderland. Teruggekomen bleek dat veel van hun bezittingen in gebruik waren genomen door anderen. Al deze gebeurtenissen zetten kwaad bloed bij het Tsjetsjeense volk en de familie waarin Sjamil Basajev in 1965 werd geboren.

Jeugd en werkervaring Basajev ging naar de lagere school van Dysjne-Vedeno. Na het verlaten van de middelbare school in 1982 vervulde hij zijn tweejarige militaire dienstplicht bij het Rode Leger als brandweerman. Hierna werkte hij vier jaar op een Aksaiiskij sovchoz, een collectieve boerderij, in de buurt van Wolgograd. In 1987 ging hij naar Moskou om zich aan te melden voor de juridische faculteit van de Staatsuniversiteit van Moskou. Hier werd hij echter niet aangenomen. In plaats daarvan begon Basajev te studeren aan het Technisch instituut voor landbeheer in Moskou. In 1988 werd hij weggestuurd wegens slechte resultaten. Hij werkte vervolgens als computerverkoper in Moskou, samen met Soepjan Taramov. Ironisch genoeg werd Taramov later zijn tegenstander in de Tsjetsjeense onafhankelijkheidsstrijd. Taramov steunde de pro-Russische Tsjetsjeense militie, de zogenaamde Sjamiljagers. In latere interviews claimde Taramov dat hij Basajev had aangenomen om een vriend van zijn familie een plezier te doen en dat Basajev een ineffectieve werknemer was die de hele nacht spelletjes zat te spelen, overdag lag te slapen en een obsessie had voor Che Guevara.

Eerste oorlogsactiviteiten Communistische staatsgreep Tijdens de mislukte coup tegen Michail Gorbatsjov door ontevreden communisten onder leiding van Vladimir Krjoetsjkov op 18 augustus 1991 stond Basajev gewapend met een serie granaten op de barricades voor het Witte Huis om samen met medestanders van Jeltsin (toen leider van de RSFSR) Gorbatsjov te verdedigen. Het is echter niet duidelijk wat hij daar precies deed. In ieder geval was ook de Tsjetsjeen Roeslan Chasboelatov, de voorzitter van de Opperste Sovjet, een medestander van Jeltsin.

Oprichting van Itsjkerië Twee maanden later, op 1 november 1991, proclameerde de voormalige Sovjetgeneraal Dzjochar Doedajev de onafhankelijke "Tsjetsjeense Republiek" oftewel Itsjkerië. Jeltsin riep daarop de noodtoestand uit en stuurde troepen naar de regio. De nieuwe staat zag zich gesteld tegenover een Russische invasie en er werden uit de bevolking 60.000 vrijwilligers gemobiliseerd. Basajev zag wel in dat Rusland eenvoudig de overwinning zou kunnen behalen, daar het Russische leger veel groter was. Hij besloot daarop samen met een aantal Tsjetsjeense medestanders guerrillatactieken toe te passen, zoals de Moedjahedien dat in de strijd tegen de Russen in Afghanistan met veel succes hadden gedaan. Hij hoopte hiermee internationale aandacht te krijgen voor de situatie in Tsjetsjenië.

Vliegtuigkaping In november 1991 kaapte Basajev samen met twee gewapende sympathisanten een Toepolev Tu-154 van luchtvaartmaatschappij Aeroflot die van Mineralnye Vody in kraj Stavropol naar Ankara (Turkije) vloog. Het doel was de noodtoestand die door Jeltsin was uitgeroepen op te laten heffen en de troepen van het Russische leger uit Tsjetsjenië terug te trekken. De kaping werd zonder geweld beëindigd. De passagiers werden in Grozny vrijgelaten en konden veilig terugkeren, terwijl de kapers terug konden keren naar Tsjetsjenië. Dankzij Chasboelatovs chantage riep Jeltsin de Russische troepen terug.

Islamistische training, strijd en genocidepleging in Abchazië Een jaar later braken gevechten uit in de Georgische autonome republiek Abchazië. Basajev verbleef intussen in Pakistan, waar hij onderwezen werd door islamistische extremisten. In 1992 trokken Basajev en een groep Tsjetsjeense en andere Kaukasische vrijwilligers naar de Abchazische stad Gagra om de Abchaziërs te ondersteunen. Zij hadden de steun gevraagd van de Confederatie van Kaukasische Bergvolkeren, een organisatie die één grote op islamitische wetten gebaseerde staat in de Kaukasus nastreefde. Basajev werd al snel de de facto leider van deze groep en wist het Georgische leger op 2 oktober 1992 bij Gagra te verslaan. Hij noemde zijn groep Abchazisch bataljon. Deze groep, die vooral uit Tsjetsjenen bestond en uiteindelijk de Abchazische viceminister van defensie leverde, was op den duur groter dan de Abchazische strijdkrachten en hield meedogenloos huis onder de niet-Abchaziërs. Grote groepen in het gebied woonachtige Georgiërs en niet-Abchaziërs werden of verjaagd of vermoord.

Basajev en zijn troepen maakten zich daarmee schuldig aan grootschalige etnische zuiveringen. Zijn troepen worden verantwoordelijk gehouden voor duizenden moorden in de hoofdstad Soechoemi en het plaatsje Leselidze. Hij werd hier overigens stilzwijgend bij gesteund door Rusland dat belang had bij een zwak Georgië dat steunde op oude Sovjetfunctionarissen. Deze strategie keerde zich echter vrij snel tegen Rusland, omdat de Tsjetsjeense veteranen uit de Abchazische oorlog een jaar later de harde kern vormden van het Tsjetsjeense verzet tegen de Russen.

Strijd om Nagorno-Karabach en islamistische training In 1993 trok Basajev met zijn troepen naar Azerbeidzjan om dit islamitische land te steunen in de strijd om de door Armeense christenen bevolkte regio Nagorno-Karabach. Hij verliet deze verloren strijd echter vrij snel, omdat deze volgens hem geen "jihad" (heilige en dus gerechtvaardigde strijd) was. De strijd was namelijk niet zozeer religieus, maar meer nationalistisch. Basajev vertrok daarop in 1994 uit Abchazië en trok naar Afghanistan, waar hij drie maanden lang partizanentraining kreeg, waarna hij terugkeerde naar Tsjetsjenië om zich aan te sluiten bij Doedajev.

Een andere versie van het verhaal, was dat hij na Abchazië naar Tsjetsjenië trok om daar deel te nemen aan de Tsjetsjeense maffia en zich specialiseerde in drugshandel en diefstal van treinwagons. Pro-Tsjetsjeense bronnen claimen dat dit door de Russen is verzonnen, maar zijn enorme rijkdom, waaronder meerdere landhuizen in de buurt van Vedeno, een aantal dure auto's en het feit dat hij zijn militie gedeeltelijk financierde met zijn eigen geld, zijn tot op heden niet verklaard uit zijn eerdere verleden.

Eerste Tsjetsjeense Oorlog Achtergrond Eind 1993 had Jeltsin er genoeg van dat zijn beleid steeds weer werd tegengewerkt door de federale Doema. Hij gaf op 21 september opdracht de Doema te ontbinden en verving de grondwet door een nieuwe constitutie die hem meer macht moest geven. Hierop riep de oppositie onder leiding van de Tsjetsjeen Ruslan Chasboelatov een nieuwe president uit: Aleksandr Roetskoj. Zo begon de Russische constitutionele crisis van 1993. De oppositieleiders verschansten zich in het Russische Witte Huis en riepen op tot het overnemen van andere gebouwen. Jeltsin won uiteindelijk omdat het leger zijn kant koos. Het Witte Huis werd ingenomen en Chasboelatov en Roetskoj werden opgesloten. (Ze zouden een paar maanden later weer worden vrijgelaten.) De enige Tsjetsjeense vertegenwoordiger in Moskou, Chasboelatov, was nu uit de gratie en daarmee kwam er steeds grotere druk op Jeltsin om troepen in te zetten tegen de Tsjetsjeense leider Doedajev, die nog meer door oppositie geplaagd werd dan Jeltsin. Bovendien werden de Russen in Tsjetsjenië door de Tsjetsjeens-Itsjkerische regering in toenemende mate gemarginaliseerd en uitgesloten van publieke functies.

De Russen emigreerden in toenemende mate uit het land en vertelden in Moskou over wat hen was overkomen. Zij stelden dat de Tsjetsjeense "maffiocratie" hiervoor verantwoordelijk was. Doedajev had geen volledige controle over het land: in het noorden van zijn republiek had de Tsjetsjeense oppositie de meerderheid en dit leidde tot toenemende conflicten. In augustus 1994 braken op meerdere plaatsen gevechten uit. Deze gebeurtenissen vormden de achtergrond van de Russische invasie van 11 december 1994, waarmee de Eerste Tsjetsjeense Oorlog begon. De uiteindelijke aanleiding was de gevangenneming van een aantal Russische soldaten door de Tsjetsjenen. Jeltsin was overigens verteld dat dit een snelle en makkelijke overwinning zou worden op de 300 "bandieten" die het land bestuurden. Dit bleek echter al snel een grote misvatting te zijn; Rusland werd geconfronteerd met zware verliezen en nam door de onverwachte enorme tegenstand van de Tsjetsjenen zijn toevlucht tot zware bombardementen.

thumb|300px|Tsjetsjeense strijders bij een neergeschoten Russische helikopter in 1994. Foto van Michail Jevstafjev.

Betrokkenheid bij Tsjetsjeense gevechten