Het Pommerenoffensief (Russisch: Восточно-Померанская наступательная операция) was een strategische operatie van het Rode Leger aan het oostfront in de eerste maanden 1945. De aanwezigheid van Duitse strijdkrachten in het zogenaamde Baltische balkon betekende een bedreiging voor de noordflank van de geplande aanval op Berlijn. Begin februari 1945 besliste Stavka dat eerst deze dreiging moest worden vernietigd voor de aanval op de Duitse hoofdstad kon beginnen. Vanaf 24 februari 1945 tot 4 april 1945 werd de Wehrmacht verdreven uit Pommeren en de Duitse strijdkrachten moesten zich terugtrekken achter de Oder. Aanvankelijk was enkel het 2e Wit-Russische Front onder leiding van maarschalk Konstantin Rokossovski belast met de aanval, maar na de Duitse tegenaanval bij Arnswalde, kreeg ook het 1e Wit-Russische Front, van maarschalk Georgi Zjoekov de opdracht de Duitse strijdkrachten uit Pommeren te verdrijven.
Het verlies van deze provincie, en vooral van de havenstad Danzig betekende een zware slag voor het Duitse moreel.
Winter 1945
Eind oktober 1944 begon Stavka aan de planning van de winterveldtocht van het Rode leger. Deze veldtocht moest leiden tot de verovering van Berlijn en definitieve vernietiging van het Derde Rijk. Volgens het plan van Stavka was de oorlog te beëindigen in 45 dagen. Langsheen het gehele front zou het Rode leger in de aanval gaan. Op 13 januari 1945 begon het Weichsel-Oder offensief en op 31 januari 1945 was de frontlijn genaderd tot op minder dan 70 kilometer van de Duitse hoofdstad.
Toch was niet alles volgens plan verlopen voor de Sovjets. Oorspronkelijk had het 2e Wit-Russische Front opdracht gekregen om de noordelijke flank van het 1e Wit-Russische Front te beschermen en de Duitsers uit Pommeren te verdrijven. Daarna moesten ze verder naar het westen oprukken en de Oder oversteken ten noorden van Schwedt. Tijdens de gevechten in Oost-Pruisen was de Duitse tegenstand echter sterker dan verwacht en het 2e Wit-Russische Front verlegde zijn opmars naar het noorden zodat het Duitse 4e leger in Oost-Pruisen werd afgesneden. Hierdoor werden de Duitse strijdkrachten in Pommeren ongemoeid gelaten en ze kregen tijd om zich te verzamelen voor een tegenaanval.
Situatie aan het oostfront Het Weichsel-Oder offensief en de aanval op Oost-Pruisen hadden een grote uitstulping in de frontlijn gemaakt. Het gebied rond Koningsbergen en Heiligenbeil was nog in Duitse handen, maar deze pocket was afgesneden van de rest van het Duitse rijk. Vanaf het Frisches Haff liep de nieuwe frontlijn langs Elbing zuidwaarts naar Graudenz. Beide steden waren echter nog in handen van het 2e leger. Vervolgens boog de frontlijn zich naar het westen en liep door Pommeren via Ratzebuhr tot aan de Oder. Dit gebied stond bekend als het Baltische balkon. De Duitsers hadden een smalle verdedigingslinie achter de Oder opgericht van Schwedt tot aan Ratibor, maar de voorhoede van het 1e Wit-Russische Front had op verscheidene plaatsen de rivier reeds overgestoken.
Sovjetzijde Ondanks het succesvolle Weichsel-Oderoffensief stond maarschalk Georgi Zjoekov eind januari 1945 voor een dilemma. In plaats van een gesloten front te vormen waren de verschillende legergroepen verspreid tijdens het offensief. Het 1e Oekraïense Front bevond zich aan de bovenloop van de Oder, maar de legers waren naar het zuidwesten gericht. De beide tanklegers van het 1e Wit-Russische Front rukten in snel tempo op naar de Oder, maar de infanterielegers van maarschalk Zjoekov konden het hoge tempo niet volgen. Tijdens hun opmars waren verschillende steden gepasseerd door de tanklegers, maar de Duitse garnizoenen hielden nog steeds stand in Posen, Küstrin, Arnswalde en Schneidemühl. De belegering van deze steden kostte het 1e Wit-Russische Front veel tijd en manschappen waardoor het front zijn strijdkrachten versnipperde. Het 2e Wit-Russische Front bevond zich in het zuiden van Oost-Pruisen in plaats van Pommeren. Het was verwikkeld in hevige gevechten met het Duitse 4e Leger op de rechteroever van de Weichsel en de opmars was vertraagd. In plaats van gelijke tred te houden met zijn zuidelijke buurman was dit front afgebogen naar het noorden. Naarmate de voorhoede van het 1e Wit-Russische Front de Oder naderde, werd de opening tussen beide fronten steeds groter.
Maarschalk Zjoekov begon nu aan het tweede deel van het Stavka-plan. Op 26 januari 1945 ontvouwde hij zijn plan voor de definitieve aanval op Berlijn. Hij wilde de opmars van zijn tanklegers gedurende enkele dagen vertragen. Tijdens deze periode zouden zijn legers hun voorraden moeten aanvullen, herstellingen uitvoeren en de infanterielegers kregen de tijd om hun achterstand in te lopen. Na de hergroepering moest de Oder worden overgestoken en Berlijn vanuit het noorden worden omsingeld. Maarschalk Zjoekov verwachtte dat hij ten laatste op 20 februari 1945 de Duitse hoofdstad zou bereiken. De aanval op Pommeren beschouwde hij als van secundair belang. Zijn aandacht was gericht op Berlijn. Hij verwachtte dat het 2e Wit-Russische Front zijn rechterflank zou dekken en Pommeren veroveren.
In werkelijkheid liepen zijn troepen reeds voor op dit schema. Op 31 januari 1945 staken eenheden van het 5e Stoottroepenleger nabij Küstrin de bevroren Oder over. Een dag later bereikte ook het 8e Garde Leger de rivier ten zuiden van de stad. De eenheden waren echter volledig uitgeput en ze hadden een gebrek aan munitie en andere voorraden. De strijd in deze bruggenhoofden was bijzonder hevig, want de Duitsers wierpen hun laatste reserves in de strijd om de Sovjets van de linkeroever van de Oder te verdrijven. Slechts met grote moeite wisten de Sovjets hun bruggenhoofden te behouden. Begin februari 1945 veranderde het weer en het begon te dooien. De bevoorrading over de rivier verliep een stuk moeilijker door het drijvende ijs.
Op 8 februari 1945 vaardigde Stavka nieuwe bevelen uit voor de voortzetting van het eindoffensief naar Berlijn. Maarschalk Rokossovski kreeg de taak om de Duitsers uit Pommeren te verdrijven en daarna de Baltische havens te veroveren. Behalve de vier legers waarover hij reeds beschikte, kreeg hij ook het 19e leger, afkomstig van het Finse Front. Volgens de plannen moest het 2e Wit-Russische Front op 20 februari de monding van de Weichsel hebben bereikt en Neustettin hebben veroverd. Op deze manier zou de noordflank van het 1e Wit-Russische Front worden beschermd tegen een aanval vanuit het Baltische balkon.
Maarschalk Zjoekov en zijn 1e Wit-Russische Front kregen opdracht de aanval op Berlijn verder te zetten. Zijn plan van 26 januari werd echter gewijzigd door het Sovjet opperbevel. Het 5e Stoottroepenleger, het 8e Gardeleger, het 33e Leger en het 69e Leger moesten de bestaande bruggenhoofden over de Oder uitbreiden en indien mogelijk met elkaar verbinden. Vanuit de bruggenhoofden ten noorden van Küstrin zouden deze vier legers naar Berlijn oprukken en de stad vanuit het noorden omsingelen. Zodra er een bres was geslagen in de Duitse verdediging zouden de beide tanklegers worden ingezet. Om zijn rechterflank te beschermen, moesten het 47ste leger en het 61ste leger, tijdelijk gesteund door het 2de Gardetankleger, de Duitsers terugdrijven achter de lijn Ratzeburg- Stargard. Daarna moesten beide infanterielegers naar het westen zwenken en de Oder tussen Altdamm en Stettin oversteken. Het tankleger zou terug naar het zuiden worden verplaatst. Het 1ste Poolse leger en het 3e Stoottroepenleger moesten de achterhoede beschermen en de verbinding met het 2e Wit-Russische Front houden. Uit deze bevelen blijkt dat Stavka de aanval op Pommeren niet van secundair belang beschouwde, want vijf legers waren bestemd voor de strijd in deze provincie.
Maarschalk Zjoekov begon onmiddellijk met de hergroepering van zijn legers, maar dit was geen eenvoudige operatie. Sneeuwbuien en ijzel hinderden de verplaatsing. Bovendien waren de wegen in slechte toestand. De Duitsers hadden tijdens hun terugtocht versperringen aangebracht en bruggen opgeblazen. Door hun snelle opmars hadden de Sovjets nog niet de nodige reparaties kunnen uitvoeren. Onderdelen van het 47ste leger en het 3e Stoottroepenleger begonnen zich te verplaatsen naar de omgeving van Pyritz, maar de rest van beide legers belegerde nog steeds Schneidemühl, Arnswalde en Deutsch Krone. Deze laatste stad viel op 11 februari in handen van de Sovjets. Op 13 februari 1945 wist het garnizoen van Schneidemühl uit te breken en de Duitsers probeerden hun eigen linie te bereiken. De aanwezigheid van de Duitse eenheden in hun achterhoede stuurde de logistieke planning van het 1e Wit-Russische Front nog meer in de war. Maarschalk Zjoekov stuurde het 61ste leger en het 2de Garde tankleger eveneens naar het noorden om het gat achter het 47ste leger op te vullen, maar dit maakte de chaos alleen maar groter. Het overbelaste wegennet werd nog meer belast en er ontstond een grote verkeerschaos.
Ondertussen was duidelijk geworden dat het 2e Wit-Russische Front zijn taak niet aankon. Onder strikt bevel van Stavka was maarschalk Rokossovski op 10 februari 1945 begonnen met zijn offensief. Na een aanvankelijke succes was zijn opmars echter tot stilstand gekomen. De voorste eenheden waren ongeveer 40 kilometer opgerukt, maar ze waren nog ver verwijderd van Danzig en Gotenhafen. Het weer, het terrein en de toenemende Duitse tegenstand deden de opmars vastlopen. Het ambitieuze aanvalsplan van Stavka hield geen rekening met de werkelijke toestand. De legers van Rokossovski waren reeds vanaf begin januari in de aanval en ze waren dringend toe aan rust en herbevoorrading. Maarschalk Rokossovski had zijn bezwaren meermaals geuit, maar Stavka had hem bevolen om de operatie uit te voeren.
Ondertussen was de situatie aan de noordflank van het 1e Wit-Russische Front verergerd. Op 15 februari 1945 lanceerden de Duitsers Operatie Sonnenwende. De aanval verraste het 47ste leger en de voorhoede van het 2de Garde tankleger. Plaatselijk wisten de Duitsers de Sovjets terug te drijven en het belegerde garnizoen van Arnswalde te ontzetten. Gelukkig voor maarschalk Zjoekov waren de Duitsers in de aanval gegaan vooraleer ze hun aanvalsmacht hadden kunnen concentreren. In plaats van een krachtig offensief bestond Operatie Sonnenwende uit niet meer dan enkele lokale tegenaanvallen. Toch verstoorden de Duitse tegenaanvallen de verplaatsingen van het 1e Wit-Russische Front. Op 19 februari 1945 nam maarschalk Zjoekov de beslissing om zijn offensief in de richting van Berlijn tijdelijk op te schorten en zijn aandacht op Pommeren te richten. In de loop van februari 1945 had maarschalk Zjoekov zijn plannen driemaal gewijzigd en zijn rechtervleugel telkens versterkt, maar zijn hoofddoel bleef Berlijn. Stavka gaf hem bevel om zijn offensief in de richting van Berlijn op te schorten zodat de vrijgekomen troepen in Pommeren konden worden ingezet. Nu besloot hij geen enkel risico te nemen en de volle kracht van zijn legergroep in de strijd te gooien. Slechts drie van zijn tien legers bleven aan de Oder. De overige legers, waaronder de beide tanklegers, zwenkten naar het noorden. Maarschalk Zjoekov plande één krachtige aanval op de linkervleugel van het Duitse 3e Pantserleger tussen Reetz en Neustettin en secundaire aanvallen in de richting van Stargard en Altdamm. Na de doorbraak moest het gebied ten westen van de lijn Neustettin-Kolberg worden veroverd in twee weken.
Slagorde van het Rode Leger 1e Wit-Russische Front 47e Leger 1e Poolse leger 3e Stoottroepenleger 61e Leger 1e Garde-tankleger 2e Garde-tankleger 5e Stoottroepenleger 8e Garde Leger 69e Leger 33e Leger 2e Wit-Russische Front 19e Leger 2e Stoottroepenleger 49e Leger 60e Leger 5e Garde-tankleger
Duitse zijde