Pieter Both (Amersfoort, 1568 – Mauritius, 6 maart 1615) was in 1609 de eerste gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en leidde de negende expeditie naar de Oost, in dienst van een voorcompagnie. Hij legde de kiem voor de stad Batavia (Jakarta), sloot contracten met voornaamste vorsten der Molukken, veroverde Timor op de Portugezen en verjoeg de Spanjaarden van Tidore.

Biografie De familie Both leverde door de jaren heen meerdere leden van de Amersfoortse vroedschap. Ook Boths vader, Hendrik Both, was van 1580 tot 1585 schepen. Na de dood van zijn vader in 1587 moest Pieter al op jeugdige leeftijd de kost verdienen, en koos, wellicht daarom, voor een commerciële loopbaan. Hij deed ervaring op in de Straathandel (de handel tussen de Oostzee en de Middellandse Zee via de Nederlanden, Frankrijk, Spanje en Portugal) en bracht tijd door in Rome, en misschien ook in Livorno. In 1599 werd hij aangesteld als ‘generaal’ van een vloot van de nieuwe Nieuwe of Brabantsche Compagnie, die na veel gesteggel toestemming van de Staten-Generaal had gekregen om te gaan handelen op China. Dit handelsdoel zou andere compagnieën die op Indië handelden relatief weinig concurrentie aandoen.

Naar Indië voor de Brabantsche Compagnie Op 21 december 1599 vertrok Both als admiraal met Paulus van Caerden als vice-admiraal met vier schepen naar Indië. De vloot bestond uit de schepen Nederland (met Both), Verenigde Landen (met Van Caerden), Nassau en Hof van Holland. Op 26 april 1600 raakten Both met twee schepen en Van Caerden met de andere twee schepen van elkaar gescheiden, maar bereikten langs verschillende routes toch op dezelfde dag Bantam, op 6 augustus. Daar ontmoetten zij Steven van der Hagen en Jacob Willekens. Ze besloten op 27 november om samen peper in te kopen en elkaar niet dwars te zitten. Both stichtte een factorij voor de Brabantsche Compagnie en liet er enkele kooplieden achter. Op 21 januari 1601 besloot men om ook deels gezamenlijk terug te keren. In 1601 keerde Both met de twee volgeladen schepen Nederland en Nassau terug. De Verenigde Landen en Hof van Holland onder Paulus van Caerden voeren eerst nog naar Atjeh.J. Kreemer (1922) Atjèh, E.J. Brill: Leiden, deel 1, p. 4 In september 1601 kwam de gecombineerde vloot aan in Nederland. Daar was de Brabantsche Compagnie inmiddels verenigd met de Oude Compagnie, waarna in 1602 alle compagnieën opgingen in de VOC.

Al in 1597 was Both lid van de vroedschap van Amersfoort geworden. Hij nam na terugkomst zijn plaats in, en was schepen in 1603 en 1606. Op 1 maart 1603 trouwde hij met Sophia van Duverden van Voort, dochter van de schout van Amersfoort. Zij kregen vijf kinderen waarvan er twee overleefden: Elizabeth en Hendrik. De laatste werd in 1629 raadslid en was meerdere malen burgemeester van Amersfoort.

Aanstelling als Gouverneur-Generaal miniatuur|Resolutie van de Staten-Generaal van 2 november 1609, waarin Pieter Both als gouverneur-generaal van de VOC wordt benoemd. De Verenigde Oost-Indische Compagnie richtte in 1609 een “Indische Regeringh” bestaande uit een gouverneur-generaal en een Raad van Indië op om de zaken beter te organiseren. Dit was deels een reactie op de vele kritiek op het beleid van de bewindhebbers, die geuit werd door zowel concurrerende kooplieden die het octrooi van de VOC betwistten, als door de aandeelhouders die geen dividend kregen uitgekeerd. Ook wilde men het Twaalfjarig Bestand gebruiken om de positie in Indië te consolideren, om daarna de Spanjaarden en Portugezen des te beter te kunnen bestrijden en het handelsimperium verder uitbreiden. Te dien einde werd direct een nieuwe reeks contracten afgesloten met de autoriteiten in onder andere Ternate, Batjan en Banda. Het nieuwe bestuurssysteem in Indië was vooral geïnspireerd door de memories van Cornelis Matelieff, die een langetermijnvisie bevatten met een 'rendevous ofte gemeene plaetse' in Jacatra, ten oosten van Bantam, met een 'hooft oft president' en een raad van bestuur. Tot dan toe was het bevel in Azië gevoerd door de admiraals van de opeenvolgende vloten uit Nederland die daarna rondvoeren in de regio.

De Heren XVII verzochten Both om de eerste gouverneur-generaal van Indië te worden. Both twijfelde aan zijn eigen geschiktheid, aangezien zijn ervaring in Azië zich beperkte tot Bantam. Toch werd hij in de vergadering van de Staten-Generaal op 27 november 1609 op voordracht van de VOC benoemd, en zijn Instructie en de instelling van de Raad van Indië van vier personen werden goedgekeurd. Als leden van de raad werden door de Heren XVII vast benoemd Jan Lodewijksz. van Rosengeyn en Steven Doensen, die beiden met Both mee naar Indië zouden varen. De Kamer Zeeland, die in dit alles overigens nauwelijks gekend was, nomineerde de al in Indië aanwezige Matteo Coteels en Jasper Jansz. Besluiten in Indië moesten door de gouverneur-generaal en de Raad van Indië tezamen genomen worden met meerderheid van stemmen. De belangrijkste artikelen van de Instructie betroffen het voor het eerst opmaken van een generale reeckeninge, het door middel van contracten en forten verwerven van een monopolie in de specerijhandel in de Molukken, Ambon en Banda, en het vestigen van een 'rendez-vous van de gantsche Indiese navigatie' in een te bouwen fort bij Jacatra. Tussen december 1610 en mei 1612 werd Both nog van extra mensen en materiaal voorzien door vier zogenaamde secoursvloten, onder Hendrik Brouwer, Laurens Reael, Adriaan Maertensz. Block en Jan Pieterszoon Coen.

Opnieuw naar Indië miniatuur|18e-eeuwse kopie van het portret van Pieter Both. De vloot had 300.000 realen van achten aan boord om in Azië te besteden. Verder een kleine 600 ‘varende gesellen’, 60 ‘commiezen, ondercommiezen en assistenten’ en 300 soldaten. Voor het eerst mochten de getrouwden onder hen hun echtgenoten meenemen. Zij zouden de eerste kolonisten worden op Ambon, overigens zonder veel succes. Onder de opvarenden waren ook drie chirurgijns, drie schoolmeesters, drie predikanten met hun gezinnen en de ambassadeurs van de koning van Siam, die in 1608 door bemiddeling van Cornelis Specx met Matelieff mee naar Nederland waren gekomen. Allen bijeen 950 ‘eeters’. Ook had Both brieven bij zich van de stadhouder Maurits, ‘coninck van Holland’, bedoeld om met zo veel mogelijk vorsten die nog niet met Spanje en Portugal verbonden waren vriendschap te sluiten.

De vloot vertrok op 30 januari 1610, met Pieter Both als admiraal op het Wapen van Amsterdam. De vloot bestond verder uit de Ceylon, Witte Leeuw, Zwarte Leeuw en het jacht de Brak. De drie schepen uit Zeeland (Ter Goes, Oranje en Vlissingen) ontmoetten op 1 februari 1610 de hoofdvloot bij het eiland Wight. Op de lange zeereizen moest men zeer zuinig met voedsel omgaan. Zo werd in februari 1610 door de Brede Raad besloten 'dat ieder man van 't varende volk gegeven zouden worden vier kazen om te bewaren (voor de terugreis) en tot Bantam komende die wederom te vertoonen op poene van een maand gagie'.J. de Hullu (1913) ‘De voeding op de schepen der Oost-Indische Compagnie’, in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, Deel 67, 4de Afl., pp. 541-562 Op 22 februari lagen de schepen bij de Kaapverdische Eilanden om vers water in te nemen. De Spaanse gouverneur had nog niet van het Twaalfjarig bestand vernomen en beantwoordde het verzoek met kanonschoten. De met het jacht Hazewind vooruit gezonden Wemmer van Berchem die overal het nieuws over het bestand moest brengen had hier blijkbaar gefaald in zijn missie omdat hij in Lissabon geen documenten of gezanten had kunnen krijgen ter bevestiging van de geldigheid van het bestand in Azië.

Op 17 april passeerde de vloot de evenaar. Vijf weken lang hadden de schepen te maken met de beruchte windstilte. Op 9 juni werd de vloot deels uit elkaar geslagen door een storm.Wapen van Amsterdam, 1609, VOCsite Both raakte met de door de storm flink beschadigde Ter Goes en het Wapen van Amsterdam van de rest gescheiden. Ook in de Tafelbaai, de afgesproken ontmoetingsplek, trof hij de andere schepen niet aan. Wel twee robbenjagers van Isaac le Maire en het grote Engelse schip de Trade's Increase van Sir Henry Middleton. Met zijn 1200 ton was het ongeveer twee keer zo groot als de gemiddelde Oostindiëvaarder. Op 28 juni was vrijwel iedereen ziek aan boord van het admiraalsschip. Both beschreef zijn schip als een drijvend hospitaal.

Mauritius Op 19 september kwam Both op Mauritius aan. Hier vond hij de Ceylon en de Brak, en brieven van de andere vier schepen die een maand eerder al door gezeild waren naar Bantam. Ook lag hier het door stormen vernielde schip Erasmus, dat op 27 januari 1609 ter hoogte van Mauritius de retourvloot wegens lekkage had moeten verlaten. De lading kruidnagels lag aan wal opgeslagen; de 69 opvarenden hadden zich moeizaam in leven weten te houden. De Ceylon voer met de lading van de Erasmus terug naar Nederland. Both arriveerde op 19 december met het Wapen van Amsterdam, de Ter Goes en de Brak in Bantam. De andere vier schepen waren daar, na in de Comoren nog een maand op een gunstige wind te hebben gewacht, rond 18 november aangekomen. Het jacht Hazewind was er op 1 oktober gearriveerd, met ook het nieuws van de komst van de gouverneur-generaal. De Brak werd doorgestuurd naar Hirado met een lading lakens en olifantstanden en de Siamese ambassadeurs, die in Patani moesten worden afgezet om verder per jonk naar Siam te gaan.

Both als gouverneur-generaal miniatuur|VOC-schepen voor Jacatra in 1607.|280x280px Both installeerde de Raad van Indië met als leden Steven Doensen, Matteo Coteels (die ook boekhouder-generaal werd), Boths secretaris Abraham Theunemans (die ook fiscaal werd), en het opperhoofd van het kantoor in Bantam Jacques l’Hermite. Deze zou spoedig vertrekken naar Nederland en dan opgevolgd worden door de koopman van de Witte Leeuw Hendrik van Westreenen, die overigens al ziek was en zou overlijden. Coteels zou l'Hermite opvolgen als opperhoofd van Bantam.

Al in januari 1611 ging Both naar Jacatra om te proberen goedkeuring te krijgen voor de bouw van een fort. Hij had opdracht om net als de Portugezen in Goa een plek te zoeken die zowel geschikt was als rendez-vous voor de schepen maar ook geschikt als centrum voor het bestuur; Djohore en Bantam vielen af. Jacques l'Hermite had in 1610 met de vorst van Jacatra al een verdrag gesloten en toestemming gekregen voor de vestiging van een handelspost. Both had wel zijn twijfels over Jacatra als gewenste verzamelplaats vanwege een zandbank voor de monding van de Ciliwung rivier. Het eiland Onrust was geschikt voor een scheepswerf.Vugt, E. van (2002) Zwartboek van Nederland overzee. Wat iedere Nederlander moet weten, p. 50

Ambon miniatuur|280x280px|Ambon en Kasteel Victoria.