thumb|Kaart van Libanon De Geschiedenis van Libanon is op te splitsen in twee delen: een geschiedenis van vóór de vestiging van de huidige staatkundige eenheid Libanon in 1920 en een geschiedenis van daarna. Zie de pagina Recente conflicten in Libanon voor een overzicht van geweldsuitbarstingen tussen 1840 en 2006 in Libanon.
Geschiedenis van vóór de vorming van de moderne staat Libanon maakt deel uit van de Vruchtbare Sikkel, het gebied in het Midden-Oosten waar rond 8500 v.Chr. voor het eerst landbouw ontstond.
In de Oudheid woonden in Libanon de Feniciërs die een bloeiende maritieme cultuur hadden tussen 2700 en 450 v.Chr. Ruïnes zijn te vinden in Tyrus, Sidon, Byblos en Beiroet. Rond 1000 voor Christus heerste koning Hiram I over Tyrus. Hij was een bondgenoot van de Joodse koning Salomo, die de Tempel in Jeruzalem liet bouwen met behulp van cederhout uit Libanon.
left|thumb|300px|Tempel van Bacchus in Baalbek De Perzische Achaemeniden veroverden het gebied in de vijfde eeuw voor Christus. Alexander de Grote veroverde het tijdens zijn veldtocht in 333 v.Chr.. Opvallend hierbij is de verovering van het toenmalige eilandje Tyrus, dat zo'n 800m van het vasteland aflag. Alexanders soldaten maakten een landbrug en konden zo het eilandje eenvoudig veroveren. Na de dood van Alexander werd Libanon onderdeel van het Seleucidenrijk.
In de eerste eeuw voor Christus veroverde het Romeinse Rijk Libanon. De stad Baalbek groeide uit tot een belangrijk religieus centrum.
In de 7e eeuw werd Libanon door het Arabische Rijk veroverd. De Omajjaden, de heersende dynastie van kaliefen, stichtten de stad Anjar in de Bekavallei als belangrijkste stad in het land. Belangrijkste godsdienst bleef nog lange tijd het christendom.
Tijdens de Middeleeuwen werd Libanon door de kruisvaarders veroverd. Het Latijnse Koninkrijk van Jeruzalem regeerde in het zuiden van Libanon en het Graafschap van Tripoli in het noorden. Het was de uit Damascus afkomstige Saladin die de kruisvaarders aan het eind van de 12e eeuw verdreef en daarna het rijk van de Ajjoebiden stichtte en vanuit Egypte regeerde.
In de dertiende eeuw versloegen de Egyptische Mammelukken de kruisvaarders definitief.
In 1516 veroverde het Osmaanse Rijk Libanon en een groot gedeelte van het Midden-Oosten. Tot na de Eerste Wereldoorlog maakte Libanon deel uit van dit rijk.
Ottomaans Libanon Ottomaanse periode in de negentiende eeuw Na het herstel van het Ottomaanse gezag in de jaren 1840 veranderde het bestuur van het Libanongebergte ingrijpend. in 1842 besloot de Ottomaanse regering het gebied bestuurlijk te verdelen in twee districten, een noordelijk district onder een christelijke gouverneur en een zuidelijk district onder een Druze gouverneur. Deze bestuurders vielen onder het Ottomaanse provinciale bestuur.
De verdeling was bedoeld om de politieke spanning in het gebied te beheersen, maar maakte religieuze gemeenschap tegelijkertijd steeds belangrijker als basis voor politieke vertegenwoordiging. in gemengde gebieden woonden maronieten, druzen en andere religieuze gemeenschappen naast elkaar, waardoor de bestuurlijke grenzen niet overeenkwamen met een eenvoudige geografische scheiding tussen religieuze groepen.
Deze veranderingen vonden plaats tegen de achtergrond van de bredere Tanzimat-hervormingen van het Ottomaanse rijk. Vooral het hervormingsdecreet van 1856 benadrukte een grotere juridische gelijkheid van Ottomaanse onderdanen ongeacht hun religie. In Mount Lebanon kregen begrippen als gelijkheid, rechten en vertegenwoordiging hierdoor ook lokaal een nieuwe politieke betekenis
Kisrawan Tijdens de opstand in Kisrawan werd dit zichtbaar. Deze opstand begon in 1858 in een vrijwel volledig Maronitisch gebied in Mount Lebenanon. Maronitsche ahali, de dorpelingen, kwamen in opstand tegen Maronitsche notabelen uit de Khazin-familie. Nooit eerder was een vooraanstaande familie zo aangevallen door de dorpelingen. De dorpelingen klaagden onder meer over hoge en volgens hen onrechtvaardige belastingen, verplichte geschenken aan de Khazin-sjeiks, economische moeilijkheden en een tekort aan land. Vanaf december 1858 kwam de beweging onder leiding te staan van Tanyus Shahin, een muilezeldrijver uit Rayfun. Onder zijn leiding gingen de eisen verder dan alleen belastingvermindering: dorpelingen eisten ook sociale gelijkheid met de sjeiks en het recht zichzelf politiek te vertegenwoordigen. Niet alleen gingen de eisen verder, maar ook opstanden gingen verder dan daarvoor. Zo verdreven de dorpelingen de Khazin familie uit hun huizen en uit de omgeving die tot dan toe van hen was geweest. In verschillende petities verwezen zij expliciet naar de Tanzimat en naar begrippen als vrijheid, gelijkheid en vertegenwoordiging.
In de loop van 1859 en 1860 raakte deze sociale en politieke mobilisatie steeds sterker verweven met religieuze tegenstellingen. Shahin presenteerde zich steeds nadrukkelijker als vertegenwoordiger en verdediger van christenen, terwijl spanningen en geweld tussen christelijke, Druze en sjiitische gemeenschappen toenamen. Daardoor kregen conflicten die eveneens draaiden om land, lokale macht, sociale positie en politieke vertegenwoordiging steeds meer een sektarische dimensie. In het voorjaar van 1860 escaleerde de crisis tot grootschalige gevechten tussen Druzen en Maronieten in de gemengde districten van Mount Lebanon. Tijdens het conflict werden volgens Makdisi minstens tweehonderd dorpen verwoest en werden duizenden inwoners gedood of verminkt. Vooral de aanvallen op plaatsen als Dayr al-Qamar, Zahla, Hasbayya en Rashayya gingen gepaard met grootschalig geweld tegen christelijke inwoners.
Mandaatgebied Libanon werd in 1920 op de Conferentie van San Remo toegewezen als een Frans mandaatgebied. Ook Syrië werd een mandaatgebied onder Frans bestuur. Veel Syriërs beschouwden Libanon als een onlosmakelijk deel van hun land.
Tot de jaren dertig was het betrekkelijk rustig in Libanon. In 1936 stelde de Franse Volksfront-regering van Léon Blum de Libanese onafhankelijkheid in het vooruitzicht. De Maronieten (christenen) streefden naar een Libanese staat, die nauw verbonden zou zijn met (het katholieke) Frankrijk, terwijl de soennieten en een deel der Grieks-Orthodoxen streefden naar een 'Groot-Syrië'. Na de val van het kabinet-Blum in Frankrijk (1936) ging het plan voor Libanese autonomie weer in de ijskast.
In 1937 werd de maronitische (fascistoïde) Libanese Falange opgericht door de olympische atleet Pierre Gemayel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kozen zowel Libanon en Syrië de kant van Vichy-Frankrijk. Medio 1941 werden Libanon en Syrië door de geallieerden en de Vrije Fransen van generaal Charles de Gaulle op de Vichy-regering veroverd tijdens Operatie Exporter. Generaal Georges Catroux, de nieuwe Franse gouverneur-generaal, stelde de onafhankelijkheid van Libanon in het vooruitzicht.
Onafhankelijk In 1943 werd het Franse mandaat over Libanon opgeheven en werd Libanon een onafhankelijke republiek. Beshara al-Khouri, een maronitisch christen werd president, terwijl Riyad al-Solh, een soennitische moslim, premier werd. Adel Osseyran, een sjiiet, werd vervolgens parlementsvoorzitter. Om religieuze spanningen in de toekomst tegen te gaan, maar ook om de maronitische en soennitische status quo over Libanon te bewaren, sloten Khouri en Solh het Nationaal Pact. Het Nationaal Pact had ten doel, zowel de Maronieten, de soennieten, en ten dele de sjiieten tevreden te stellen. Bepaald werd dat de president altijd een christen (maroniet) zou zijn, de premier een soenniet en de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden een sjiiet. Libanon zou zich cultureel zowel op Europa als op de Arabische Landen oriënteren. Tijdens een eventueel Arabisch conflict zou Libanon neutraal blijven.
Na de Tweede Wereldoorlog In 1945 was Libanon medeoprichter van de Arabische Liga. Ondanks zijn neutraliteit inzake een Arabisch conflict, viel het land in 1948 de nieuwe staat Israël aan. Gedurende de jaren veertig en vijftig was de situatie in Libanon stabiel, hoewel er wel degelijk ongenoegen waarneembaar was onder de sjiieten, die, ondanks het feit dat hun bevolkingsgroep steeds meer toenam, nog altijd een tweederangspositie bekleedden in de regering. De jaren vijftig en zestig waren tijden van grote economische voorspoed en ver doorgedreven markteconomie. Camille Chamoun werd in 1952 de opvolger van president Khouri.
In 1958 kwamen moslims in opstand, omdat zij een nieuwe volkstelling eisten. Zij meenden dat de volkstelling uit 1932 achterhaald was en dat zij inmiddels de meerderheid van de bevolking uitmaakten. Tegelijkertijd wilden groepen moslims zich aansluiten bij de Verenigde Arabische Republiek, die uit Egypte en Syrië bestond. Zij werden door de Sovjet-Unie gesteund. De VS lanceerden de Eisenhowerdoctrine die landen in het Midden-Oosten op verzoek steun verleende tegen de communisten. De Libanese regering gaf geen gehoor aan de eis van de moslims en met steun van Amerikaanse mariniers werd de opstand onderdrukt.
President Chamoun trad in 1958 af en werd opgevolgd door Fouad Chehab (1958-64). In december 1961 pleegden aanhangers van de Syrische Socialistische Nationale Partij (SSNP) een mislukte staatsgreep.
In de jaren zestig zocht de regering van de presidenten Charles Hélou en Suleiman Franjieh toenadering tot Egypte en andere Arabische landen. Tevens werden handelsakkoorden gesloten met de Sovjet-Unie en Oost-Europese landen. Hoewel Libanon een modern en drukbezocht vakantieland werd, met een goede economie, was het aan de andere kant achtergebleven. De traditionele zaïm (notabelen en grootgrondbezitters) van christelijke en soennitische huize, hadden het voor het zeggen en de economische voorspoed kwam slechts hen ten goede. De sjiieten, inmiddels de grootste bevolkingsgroep in Libanon, waren enorm achtergesteld en leefden (afgezien van hun notabelen) in armoede. In 1974 richtte imam Musa al-Sadr (een Iraniër van Libanese afkomst) de Amal beweging op. Amal (= Libanese Verzetseenheden) was een typische emancipatiebeweging. Imam al-Sadr ging de sjiitische armoede aan het hart en wilde met zijn Amal op vreedzame weg de verbetering van sjiitische positie bereiken.
Libanese Burgeroorlog (1975)
In 1973 vond er een geweldsuitbarsting plaats tussen regeringsmilities en de in Libanon verblijvende Palestijnen van de PLO. Daarnaast brak er een strijd uit tussen de falangisten van Pierre Gemayel en diverse islamitische partijen. In 1975 was er sprake van een burgeroorlog.
Aan het begin van de burgeroorlog was de situatie nog redelijk overzichtelijk. De moslims richtten onder leiding van Druzen-leider (tevens PSP-partijvoorzitter) Kamal Jumblatt de Nationale Beweging op. De Maronieten (aangevuld met een paar moslims en Grieks- en Armeens-Orthodoxen) richtten het Libanees Front op. Het Libanees Front stond onder leiding van sjeik Pierre Gemayel (de leider van de Falange).
Spoedig daarna braken echter een interne conflicten uit binnen zowel de Nationale Beweging als het Libanees Front. Sjeik Bechir Gemayel, die na de dood van zijn vader Pierre leider werd van de falangisten, streefde naar een Nationaal Libanees Leger, dat onder zijn controle zou staan en de religieuze tegenstanders zou bevechten. In 1976 vermoordden de falangisten hun voornaamste christelijk-maronitische tegenstander Tony Franjieh en zijn vrouw. Franjiehs zogenoemde 'Reuzen-Militie' werd hierna onderdeel van Gemayels Nationaal Libanese Leger. De in Oost-Beiroet regerende maronitisch-christelijke 'Tijgers' van de familie Chamoun, werden in 1976 eveneens opgeslokt door het Nationaal Libanese Leger van sjeik Bechir Gemayel.
Eveneens in 1976 komen Syrische troepen Libanon binnen. Met goedkeuring van Israël en de Verenigde Staten moeten zij mede zorgen voor stabiliteit.