Pieter Caland (Zierikzee, 23 juli 1826 – Wageningen, 12 juli 1902) was een civiel ingenieur in dienst van Rijkswaterstaat.
Pieter is een zoon van Catharina Wilhelmina van der Plas (1792-1843) en Abraham Caland (1789-1869). Zijn vader was hoofdingenieur waterstaat en president van het polderbestuur van Walcheren en schrijver. Hij trouwde op 8 september 1850 met Jonkvrouwe Helena Carolina de Jonge, afkomstig uit Noordgouwe in Zeeland. Hun oudste zoon Willem (1859-1932) werd Indoloog. Zijn zoon Marinus Caland, geboren op 5 mei 1858 te Brielle, werkte later ook bij Rijkswaterstaat.
Hij trad in de voetsporen van zijn vader en grootvader. Nadat hij in Breda was opgeleid aan de Militaire Academie als kadet voor de waterstaat werd hij uiteindelijk Hoofdinspecteur bij Rijkswaterstaat en ontwierp het plan voor de Nieuwe Waterweg en leidde de uitvoering ervan in de jaren 1866-1872.
Opleiding en eerste werkkring Omdat zijn vader een belangrijke functie had, ging hij na een paar jaar kostschool naar de Koninklijke Militaire Academie en werd hij als 15-jarige toegelaten als cadet voor de waterstaat. Een cadet voor de waterstaat moest evenals andere cadetten exercitie-oefeningen doen, maar daarnaast kregen zij ook een praktische opleiding van docenten als Delprat en Storm Buijsing. Na vier jaar verliet hij de KMA als beste van zijn jaar. Hij werd toen benoemd als aspirant-ingenieur in Overijssel en kort daarop in Friesland. Maar in 1847 werd hij al overgeplaatst naar Zeeland, eerst in Zierikzee, daarna in Middelburg. Hier stond hij direct onder leiding van zijn vader. In Friesland heeft hij zich bezig gehouden met het ontwerp van een dam naar Ameland en met plannen voor de indijking van de Lauwerszee.
In Zierikzee hield hij zich bezig met inpolderingswerken, en in Middelburg was hij arrondissementsingenieur voor de eilanden Walcheren en Noord-Beveland.
In 1849 werd hij overgeplaatst naar Purmerend en bevorderd tot ingenieur 2e klasse. Bij het arrondissement daar hoorden ook de eilanden Terschelling, Vlieland, Wieringen, Urk en Marken, waar hij met allerlei soorten oeververdediging en havenwerken te maken kreeg.
Standplaats Brielle en de Nieuwe Waterweg miniatuur|Ontwerp havendam van Hoek van Holland 1865 In 1853 werd hij overgeplaatst naar Brielle, waar hij leiding gaf aan het zuidwestelijk arrondissement van Zuid-Holland, waar met name de kustverdediging van Goeree een belangrijke zaak was. Dit was een kust waar dijkvallen regelmatig voorkwamen. Hij heeft in 1858 een beschrijving gemaakt van de werken voor de kustverdediging daar. Zijn directe chef daar was ir. A. Greve, iemand die moeilijk in de omgang was. Tot aan het overlijden van Greve in 1857 heeft hij hier een moeilijke tijd gehad. Een van de conflictpunten was het ontwerp voor een waterweg van Rotterdam naar zee. Greve had een ontwerp gemaakt voor een waterweg langs het Voorns kanaal en het Goereese Zeegat; dit hield in dat er twee zeer lange hoofden in het Goereese Zeegat in zee uitgebouwd moesten worden. De hoogste chef van Rijkswaterstaat, ir. Van der Kun, voelde niet zo veel voor deze uitbouw van hoofden, maar wilde Greve ook niet direct afvallen. Uiteindelijk nam de minister het besluit (KB van 26 juli 1856) om aan Caland de opdracht te geven om een onderzoek in te stellen hoe in het buitenland dergelijke problemen waren opgelost (met name bij de Clyde, de Seine en de Rhône). Hij heeft hier diepgaand onderzoek naar gedaan en is gekomen met een ontwerp van havendammen bestaande uit zinkstukken met ballaststeen en daardoorheen palen. Die palen waren niet bedoeld om de zinkstukken vast te nagelen aan de bodem, wat door sommigen werd beweerd, maar waren bedoeld om te voorkomen dat bij golfslag de stenen weg zouden rollen. Hij vreesde wel voor paalworm, en heeft in eerste instantie de palen "bewormnageld",Het aanbrengen van spijkers met een grote (koperen) kop om te voorkomen dat paalwormen binnendringen. maar dat bleek achteraf niet nodig omdat het water niet zout genoeg was voor paalworm om in te kunnen leven. Al in 1857 had hij aan het noorderstrand van Goeree als een proef een op dezelfde wijze samengestelde dam van 106 m vanaf de laagwaterlijn laten aanleggen.
Hierover heeft hij in oktober 1856 verslag uitgebracht (Verslag aan den Koning over de Openbare Werken 1855-1856; is niet digitaal beschikbaar). Aanleiding was ook een verzoek van de gemeenteraad van Brielle om verdieping van de vaarweg naar hun haven (die was op dat moment nog maar 2 m). Omdat de deskundigen het niet eens waren, werd er door de minister een commissie ingesteld, de Raad voor de Waterstaat die de opdracht kreeg om de alternatieven te onderzoeken.Voorzitter was H. F. Fijnje van Salverda, leden waren F. W. Conrad, Storm Buijslng, Greve en Jhr. J. Ortt van Schonauwen, lid en secretaris was Caland. Na het overlijden van Greve in 1853 werd als diens opvolgen J.A. Beijerinck benoemd. De commissie bracht in 1858 verslag uit. Caland had met veel moeite de commissie ervan overtuigd dat zijn idee van een doorgraving bij Hoek van Holland de beste oplossing was. miniatuur|Ontwerp van Nieuwe Waterweg volgens Plan Caland, 1857-1863 miniatuur|Vaargeul Nieuwe Waterweg Het plan van Caland was om een doorsteek te maken zoals al eerder voorgesteld door Nicolaus Cruquius in 1731. Maar het plan van Cruquius had als probleem dat na aanleg de mond waarschijnlijk weer snel zou verzanden. Maar het plan van Caland behelsde ook de aanleg van twee havenhoofden, een riviernormalisatie vanaf Krimpen aan de Lek tot en met Het Scheur bij Hoek van Holland en de afdamming van het Scheur aan de westkant en een afdamming van de Oude Maas aan de oostkant van het eiland Rozenburg om het Maaswater door de nieuwe mond te stuwen. Volgens Caland zou hierdoor de stroomsnelheid in de mond voldoende zijn om deze open te houden; bovendien hoefde de mond niet geheel uitgegraven te worden. Een geul van 50 m breed zou voldoende zijn en het getij zou de rest doen. De breedte bij Krimpen zou 225 m moeten worden, en geleidelijk toenemen tot 450 m bij Vlaardingen om uiteindelijk bij Hoek van Holland 900 m breed te worden. Verwacht werd dat hiermee een diepte van 7 m onder Hoog Water bereikt kon worden.
Dit voorstel impliceerde wel dat Brielle geen handelsplaats van betekenis zou worden. Dat zou overigens ook niet het geval zijn met het plan van Greve. Maar de verhouding tussen Caland en het gemeentebestuur van Brielle verslechterde daardoor sterk. Hij was dan ook heel blij met zijn overplaatsing naar Rotterdam in 1861. Vanuit Rotterdam, en later ook vanuit Delft, kon hij de werken beter begeleiden. Hij bleef daarnaast zijn gewone arrondissementstaken uitvoeren.
Thorbecke koppelde de aanleg van de Nieuwe Waterweg aan de aanleg van het Noordzeekanaal, wat een aantal politieke problemen oploste.
Caland werd op 1 mei 1863 benoemd als leidinggevende voor de uitvoering, onder verantwoordelijkheid van de hoofdingenieur van Zuid-Holland (eerst Jan Anne Beijerinck, later J.F. Augier).
De Rotterdamse kiezers gaven Caland op 24 november 1863 een bewijs van dankbaarheid, door hem te kiezen als lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Hij meende voor de benoeming echter te moeten bedanken, waarschijnlijk omdat hij als arrondissements-ingenieur tevens in dienst van die provincie was.
Toen de werkzaamheden voor de Nieuwe Waterweg langzamerhand in volle gang gekomen waren, werd Caland met ingang van 1 juli 1865 naar Delft verplaatst, vanwaar de Hoek van Holland gemakkelijker dan van uit Rotterdam te bereiken was. Daarbij is te bedenken, dat de veel gemak en tijdwinst gevende gewoonte om de werken per stoomboot te bezoeken, toen nog niet bestond; het vervoer geschiedde in het algemeen per rijtuig.
Problemen met de Nieuwe Waterweg In 1873 waren er bij de overheid en bij de scheepvaartsector in Rotterdam hoge verwachtingen omtrent de aan te leggen Nieuwe Waterweg. Toch begonnen er ook twijfels te rijzen over de kosten, omdat betwijfeld werd of de toegang wel zonder baggeren open gehouden kon worden. Caland was zich daarvan bewust, maar was ervan overtuigd dat, zelfs als er meer kosten gemaakt moesten worden vanwege baggeren, een open toegang tot de haven van Rotterdam van groot economisch voordeel zou zijn. Hij was in staat om de opeenvolgende ministers hiervan steeds te overtuigen. Zelf kwam hij tot de conclusie dat de geul zichzelf weliswaar open hield, maar dat deze uitschuring op termijn niet tot een voldoende brede en diepe vaargeul zou leiden. Dat zijn oorspronkelijke begroting te laag was, had hij al in 1870 in een vergadering van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs erkend. Caland wist de minister te overtuigen dat uitgebreide baggerwerken nodig waren. En in het staatsblad van 30 mei 1877 (staatsblad 118) werd de eerste uitgave van f200.000 hiervoor gealloceerd.
De volgende minister (Tak van Poortvliet) trad in 1877 aan. Hij had zijn twijfels bij de verhoging van de uitgaven en op zijn initiatief werd in december van dat jaar een staatscommissie ingesteld met de opdracht te "overwegen of geheele terzijdestelling van het aanvankelijke plan van den waterweg te vormen door den grond te laten uitstroomen, wenschelijk was". In deze commissie die onder leiding stond van ir. Rose, was Caland niet opgenomen. Hij vond hierin aanleiding om te verzoeken om van het beheer van de werken voor de Nieuwe Waterweg ontheven te worden. Dat gebeurde per 1 januari 1878, en ook zijn naaste medewerker, ir. J. Kluit, werd overgeplaatst.
Hoewel de leiding van het werk vanaf 1878 in andere handen was, was Calands rol geenszins uitgespeeld. Hij heeft nog verschillende keren de minister advies gegeven naar aanleiding van uitspraken van de staatscommissie. In het eindrapport zijn ook enkele nota's van hem opgenomen. Men was het erover eens dat natuurlijke uitschuring onvoldoende was, en dat baggerwerk noodzakelijk en kosteneffectief was. De kosten werden daardoor wel ongeveer drie keer hoger dan oorspronkelijk geraamd.
De getijrivieren Zijn denkbeelden ten aanzien de verbetering van benedenrivieren heeft Caland beschreven in een verhandeling met als titel: "Over vloed en eb op benedenrivieren". Hij heeft hiervan ook een Franse en een Duitse uitgave gemaakt. Door A.R Blommendal (hydrograaf van de Marine) is dit geschrift in bijlage B1 van de Staatscommissie voor de Rotterdamse Waterweg nogal vernietigend besproken, wat tot een even scherp antwoord van Caland leidde (bijlage B2 van het rapport van de Staatscommissie).
Uit deze verhandeling blijkt dat Caland een goed inzicht had in de werking van eb en vloed in benedenrivieren. Wel staan er onjuistheden in, zoals de bewering, dat het water in een rivier tijdens hoogwater in rust is, terwijl er dan in werkelijkheid nog een vloedstroom gaat; dat de aanslibbing door de vloed veroorzaakt wordt, terwijl in werkelijkheid in het algemeen de stroom, hetzij vloed of eb, als hij maar sterk genoeg is, voor verdieping zorgt, terwijl de kentering de verondieping te weeg brengt. Maar hij is de eerste, althans in Nederland, die de merkwaardige verschijnselen van vloed en eb in verband met de afvoer van de bovenrivier over het algemeen op voldoende wijze heeft verklaard. In zijn tijd waren er veel ingenieurs die het verschil tussen stroomsnelheid en de loopsnelheid van het getij niet begrepen
Laplace, Airy, Whewell en anderen hadden zich reeds op uitgebreide schaal met het verschijnsel van vloed en eb in zee beziggehouden, en verscheen ongeveer gelijktijdig met Caland’s stuk een dergelijk werk van Partiot over de Seine als benedenrivier, maar de eerste, die deze golftheorie in de praktijk toegepast heeft, is Caland geweest.
De Zeeuwse oevers In 1860 kreeg Caland als lid van de Raad van de Waterstaat de vraag om een onderzoek te doen naar de erosie van de Zeeuwse oevers. In 1861 kwam het verslag van de Raad van de Waterstaat hierover uit. Een zin uit dit verslag is zeer merkwaardig; hij luidt: